Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 13 april 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister moest binnen zes maanden beslissen, maar verlengde aanvankelijk de termijn met negen maanden onder een beleidsbesluit dat later werd ingetrokken, waardoor de standaardtermijn van zes maanden weer gold.
Vanwege een besluitmoratorium voor Syrië van 14 december 2024 tot 13 juni 2025 werd de beslistermijn verlengd met maximaal één jaar, waardoor de minister uiterlijk op 13 oktober 2025 moest beslissen. Deze termijn werd echter overschreden. Eiser stelde de minister op 22 december 2025 schriftelijk in gebreke en diende op 6 januari 2026 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. De minister wordt opgedragen binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, verbeurt hij een dwangsom van € 100,- met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,- vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde.
De rechtbank ziet af van een zitting en baseert zich op de schriftelijke stukken. De uitspraak is op 30 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.