De minister van Buitenlandse Zaken heeft op 4 juli 2025 een besluit genomen op de visumaanvraag van eiser. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de minister heeft niet binnen de wettelijke termijn op dit bezwaar beslist. Eiser stelde de minister rechtsgeldig in gebreke en diende vervolgens een beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank stelt vast dat de minister de beslistermijn heeft overschreden en dat het beroep terecht is ingediend. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een langere beslistermijn rechtvaardigen. Daarom legt de rechtbank een nadere beslistermijn van twee weken op, ingaande na de dag van verzending van de uitspraak.
Daarnaast wordt de minister een dwangsom van € 100 per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467, en het betaalde griffierecht van € 200.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober en is op 30 januari 2026 in het openbaar bekendgemaakt.