Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 2 oktober 2023 ontvangen, maar de minister had na 21 maanden nog geen besluit genomen. Eiser stelde de minister op 16 december 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in, wat gegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelt dat de minister binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Daarbij wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank kan echter geen dwangsom vaststellen voor de periode vóór 15 april 2025, omdat de wettelijke bepalingen daarvoor niet meer van kracht zijn.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, vanwege het inschakelen van een professionele juridische hulpverlener. De rechtbank ziet af van het houden van een zitting en verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en legt de genoemde verplichtingen op aan de minister.