Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 14 april 2025 ontvangen, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Eiser stelde de minister op 17 december 2025 in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist. De minister had aanvankelijk de beslistermijn met negen maanden verlengd, maar deze verlenging is ingetrokken, waardoor de termijn weer zes maanden bedraagt. De rechtbank legt de minister een termijn van zestien weken op: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467 vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober op 30 januari 2026.