Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 20 november 2024 ontvangen, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Eiseres stelde de minister op 19 december 2025 in gebreke en diende daarna beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist.
De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven van eiseres en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.
De rechtbank wijst erop dat de minister geen bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd omdat de wettelijke bepalingen daarvoor sinds 15 april 2025 niet meer van kracht zijn, tenzij aan specifieke voorwaarden is voldaan die hier niet aanwezig zijn. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten van € 467,- aan eiseres vanwege de inschakeling van juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober en is op 30 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.