ECLI:NL:RBDHA:2026:19258

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
C/09/704637 / JE RK 26-769
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens voldoende ontwikkeling en thuissituatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2023, die momenteel bij haar moeder woont. De gecertificeerde instelling uitte zorgen over de draagkracht van de moeder, mede vanwege de thuissituatie met de oudste broers en het contact tussen de minderjarige en haar vader, dat sinds oktober vorig jaar onder begeleiding is stopgezet.

De moeder voert verweer en stelt dat de ondertoezichtstelling niet verlengd hoeft te worden, of subsidiair slechts voor zes maanden. Zij benadrukt dat de minderjarige zich goed ontwikkelt, zij geen hulpverlening meer ontvangt en zij voldoende structuur en grenzen biedt. De vader stelt dat hij contact heeft met de minderjarige bij de oma van vaderszijde en dat afspraken over omgang in het vrijwillig kader kunnen worden gemaakt zonder ondertoezichtstelling.

De kinderrechter oordeelt dat niet langer aan de voorwaarden voor verlenging wordt voldaan. De minderjarige ontwikkelt zich leeftijdsadequaat, de thuissituatie is stabiel en de moeder heeft laten zien dat zij bereid is hulpverlening vrijwillig te accepteren. Het contact tussen vader en minderjarige vindt plaats in aanwezigheid van de oma en beide ouders zijn bereid om in het vrijwillig kader afspraken te maken over omgang. Een gedwongen maatregel is daarom niet langer noodzakelijk.

De kinderrechter wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na dagtekening van de uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen omdat de minderjarige zich goed ontwikkelt en de thuissituatie stabiel is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/704637 / JE RK 26-769
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. B.S. van Haeften uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam], namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 12 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De gecertificeerde instelling maakt zich nog altijd ernstig zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige]. Het gaat goed met [minderjarige] bij de moeder thuis. Ook op de peuterspeelzaal wordt gezien dat zij zich voorspoedig ontwikkelt. De gecertificeerde instelling heeft echter wel zorgen over de draagkracht van de moeder met het oog op de eventuele thuisplaatsing van de twee oudste broers van [minderjarige]. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] daaronder lijdt en dat dit zorgt voor onrust in de thuissituatie. Daarnaast is er onduidelijkheid over het contact tussen [minderjarige] en de vader. De begeleide omgang is door de vader in oktober vorig jaar stopgezet. De gecertificeerde instelling vindt het belangrijk om zicht te krijgen op het verloop van de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de vader. Ook uit de gecertificeerde instelling zorgen over het contact tussen de vader en de moeder en vindt het noodzakelijk om ook daar zicht op te houden.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder benoemt dat er geen grond is voor het verlengen van de ondertoezichtstelling. Subsidiair verzoekt de moeder de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van zes maanden. Het gaat goed met [minderjarige], de moeder ontvangt sinds begin dit jaar geen hulpverlening meer en het lukt haar om [minderjarige] structuur en grenzen te bieden. Ook op de peuterspeelzaal wordt gezien dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt. De moeder benoemt dat zij niet overvraagd wordt in de opvoeding van [minderjarige] en een betrokken netwerk heeft. De moeder ziet graag dat [minderjarige] contact heeft met de vader, het liefst conform een omgangsregeling. Ze geeft hierbij aan dat het wel belangrijk is dat er begeleiding, bijvoorbeeld door een familielid, aanwezig is tijdens de omgang. Dit kan volgens de moeder ook in het vrijwillig kader worden opgestart. Daarnaast benoemt de moeder dat zij bereid is hulpverlening te accepteren in het vrijwillig kader indien dit noodzakelijk is.
4.2.
Door de vader is verweer gevoerd tegen het verzochte. De vader geeft aan dat hij [minderjarige] ziet op de momenten dat ze bij de oma vaderszijde is. Hij benoemt dat het contact met de hulpverlening zeer stroef verlopen is en dat hij daardoor geen behoefte meer heeft aan enige samenwerking met de gecertificeerde instelling. De vader kan samen met de moeder in het vrijwillig kader afspraken maken over de omgang met [minderjarige]. Een ondertoezichtstelling is daarvoor niet nodig.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat niet langer aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling wordt voldaan. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken en de zitting blijkt dat [minderjarige] zich leeftijdsadequaat ontwikkelt. Het gaat goed in de thuissituatie van de moeder en ook op de peuterspeelzaal worden geen zorgen gezien. Het lukt de moeder om [minderjarige] de structuur en regelmaat te bieden die zij nodig heeft voor haar ontwikkeling. In het verleden heeft de moeder hulpverlening ontvangen gericht op haar opvoedvaardigheden. Dit is in het begin van dit jaar afgerond en er is geen aanvullende hulpverlening ingezet. Ondanks dat er een periode geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar was is het de moeder gelukt om een rustige en stabiele basis voor [minderjarige] te creëren. De moeder heeft hierin ook laten zien dat zij bereid is hulpverlening te accepteren waardoor de kinderrechter er vertrouwen in heeft dat de moeder dit ook in het vrijwillig kader zal doen. De kinderrechter begrijpt dat er veel onduidelijkheid is over het contact tussen [minderjarige] en de vader. Kennelijk is er de afgelopen periode contact tussen hen geweest bij de oma vaderszijde thuis en in haar aanwezigheid. Ter zitting is zowel door de moeder als door de vader benoemd dat zij bereid zijn om in het vrijwillig kader afspraken te maken over de (begeleide) omgangsmomenten. Indien dit hen gezamenlijk niet lukt zullen zij om advies en ondersteuning vragen. Gelet op het voorgaande is een maatregel in het gedwongen kader naar het oordeel van de kinderrechter niet langer noodzakelijk.
5.3.
Gelet op het voornoemde zal de kinderrechter het verzoek afwijzen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 15 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.