ECLI:NL:RBDHA:2026:19261

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
C/09/704659 / JE RK 26-771
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c lid 2 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige bij vader zonder gezag

De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader zonder gezag, omdat thuisplaatsing nog niet in het belang van de minderjarige is. De minderjarige verblijft sinds maart 2026 bij de vader, die opvoedondersteuning ontvangt. De moeder is gestart met een GGZ-traject gericht op traumaverwerking en heeft begeleide omgang met de minderjarige.

Tijdens de zitting, waarbij de moeder, vader en hun vertegenwoordigers aanwezig waren, werd vastgesteld dat de omgangsmomenten voorspoedig verlopen, maar dat de communicatie tussen ouders moeizaam blijft. De vader acht het noodzakelijk dat omgang met de moeder begeleid en onder voorwaarden plaatsvindt.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De frequentie van de omgang met de moeder zal worden uitgebreid zodra het belang van de minderjarige dit toelaat. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt tot 30 september 2026.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader zonder gezag wordt verlengd tot 30 september 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/704659 / JE RK 26-771
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. G.O. Perquin uit Zoetermeer.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 mei 2026;
  • het verweerschrift van de vader, met bijlagen, ontvangen op 10 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam], namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder;
  • de vader met zijn advocaat en bijgestaan door een tolk.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] verblijft bij haar vader.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 september 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 30 september 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 maart 2026 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader tot 17 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] verblijft sinds half maart bij de vader. Het lijkt over het algemeen beter te gaan met [minderjarige] sinds zij daar verblijft. [zorginstantie] is betrokken bij de vader en biedt hem opvoedondersteuning op het gebied van basiszorg, veiligheid en het aansluiten bij de ontwikkelingsbehoefte van [minderjarige]. Er zal bekeken worden of de intensiviteit hiervan voldoende is. Ook is [zorginstantie] betrokken bij de begeleide omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de moeder. Er wordt gezien dat deze voorspoedig verlopen. De moeder is liefdevol, sluit goed aan bij [minderjarige] en handelt in het belang van [minderjarige]. De omgangsmomenten zullen op passende wijze worden opgebouwd. Er zijn geen zorgen over middelengebruik door de moeder waardoor het afnemen van een drugstest niet meer noodzakelijk is. Indien de zorgen hierover weer ontstaan zal de gecertificeerde instelling opnieuw veiligheidsafspraken maken. De gecertificeerde instelling benoemt ook dat de moeder positieve stappen heeft gezet. Ze is goed in contact met de jeugdbeschermer en heeft toestemming gegeven voor het contact tussen de gecertificeerde instelling en de GGZ. Er wordt op dit moment gezocht naar een passend GGZ-traject voor de moeder. Het traject zal naar verwachting lang duren wat betekent dat er niet gewacht zal worden met het uitbreiden van het contact en het toewerken naar thuisplaatsing voordat het traject is afgerond. Het doel van uithuisplaatsing is immers thuisplaatsing. Op dit moment is thuisplaatsing nog niet in het belang van [minderjarige] waardoor de gecertificeerde instelling het wenselijk vindt dat zij de komende periode bij de vader kan verblijven. De gecertificeerde instelling benoemt dat de zorgen over het onderling contact tussen de vader en de moeder nog onverminderd aanwezig zijn. Zowel tijdens de omgangsmomenten als tijdens contactmomenten op straat verloopt dit moeizaam. De gecertificeerde instelling benoemt dat het wenselijk is dat [zorginstantie] hierover een gesprek zal voeren met beide ouders. Daarbij dienen zij [minderjarige] emotionele toestemming te geven om prettig contact te hebben met de andere ouder.

4.De standpunten

4.1.
Door de moeder is ingestemd met het verzochte. De moeder geeft aan dat het beter gaat met haar. Ze had zichzelf in december 2025 al aangemeld bij de GGZ en stond op de wachtlijst. Door het incident van maart heeft zij sneller kunnen starten. De moeder heeft wekelijks gesprekken bij de GGZ. De komende periode wordt gezocht naar passende hulpverlening zodat gestart kan worden met traumaverwerking. Wanneer de moeder daarmee kan starten is momenteel nog onduidelijk. Het is wel bekend dat het traject lange tijd zal duren. Sinds vier weken heeft de moeder wekelijks gedurende een uur begeleide omgang met [minderjarige]. Dit is erg beperkt en ze ziet graag dat dit wordt uitgebreid. De moeder vindt het lastig dat zij [minderjarige], de vader en zijn partner regelmatig tegenkomt. Op die momenten probeert de moeder vriendelijk en gepast te reageren. Ze wil graag kijken naar de toekomst en met elkaar om de tafel zitten zodat bekeken worden hoe de opvoeding van [minderjarige] vormgegeven kan worden. De moeder heeft behoefte aan duidelijke afspraken.
4.2.
Door en namens de vader is ingestemd met het verzochte. De vader geeft aan dat het goed gaat met [minderjarige]. Ze gaat naar de kinderopvang, spreekt meer en is minder vaak boos. De vader is bezig om [minderjarige] aan te melden voor de basisschool. De vader acht het in het belang van [minderjarige] dat de omgangsmomenten met de moeder veilig verlopen en hij meent dat het risico te groot is om dit te laten plaatsvinden zonder voorafgaande drugstest bij de moeder. Ook benoemt dat de vader dat er zonder begeleiding geen contact mag zijn tussen [minderjarige] en de moeder.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Thuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment is nog niet mogelijk. De moeder start binnenkort met een hulpverleningstraject bij de GGZ, dat onder meer gericht zal zijn op haar traumaverwerking. Totdat de moeder daarmee kan starten heeft zij wekelijks gesprekken bij de GGZ. De gecertificeerde instelling heeft aangegeven dat er geen zorgen worden gezien tijdens de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de moeder. Het lukt de moeder om aan te sluiten bij de opvoedbehoeften van [minderjarige] en daarnaar te handelen. Momenteel is er slechts een uur per week begeleide omgang. De frequentie en duur hiervan moeten, als het belang van [minderjarige] dit toestaat, worden uitbreid zodat gewerkt kan worden naar thuisplaatsing. [minderjarige] verblijft sinds maart bij de vader. Er zijn zorgen dat de vader onvoldoende aansluit bij [minderjarige]. Daarom is er opvoedondersteuning bij hem ingezet. Het is belangrijk dat de gecertificeerde instelling de komende periode zicht houdt op de thuissituatie van de vader en de ontwikkeling van [minderjarige]. De kinderrechter benadrukt daarnaast dat het van belang is dat er gewerkt wordt aan de onderlinge communicatie tussen de vader en de moeder en dat daarbij rekening wordt gehouden met het belang van [minderjarige]. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] dienen de komende jaren verschillende belangrijke gezagsbeslissingen genomen te worden waarover zij met elkaar in gesprek moeten gaan.
5.3.
Gelet op het voornoemde verlengt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 30 september 2026.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag tot 30 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 15 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.