ECLI:NL:RBDHA:2026:19266

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
NL25.20043 en NL25.20045
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8.7 VbArt. 8.13 VbArt. 7:2 AwbVreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsdocument wegens schending hoorplicht en duurzame relatie

Eiser, van Egyptische nationaliteit, vroeg een verblijfsdocument EU/EER aan op grond van een duurzame relatie met een Unieburger met de Zweedse nationaliteit. De minister wees de aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan het criterium van minimaal zes maanden feitelijk samenwonen of een duurzame relatie. Tevens werd het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard zonder eiser te horen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiser in de bezwaarfase, aangezien de overgelegde bewijsstukken in samenhang voldoende aanwijzingen geven voor een duurzame relatie. De rechtbank benadrukt dat een hoorzitting in dit soort gevallen juist kan bijdragen aan het ophelderen van onduidelijkheden en het verkrijgen van ontbrekende informatie.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep nu wordt behandeld. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.20043 (beroep) en NL25.20045 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1995, van Egyptische nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 16 april 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER [1] kennelijk ongegrond verklaard.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat eiser de uitkomst van het beroep in Nederland mag afwachten.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. S. Toughza als waarnemer van de gemachtigde van eiser, T. Ayash als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser is op een onbekende datum Nederland binnengekomen. Eiser heeft op
22 juni 2023 een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend. Hij beoogt namelijk verblijf bij [persoon] (hierna: referente). Referente heeft de Zweedse nationaliteit en is de gestelde partner van eiser.
3. Met het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Eisers aanvraag is afgewezen omdat hij niet heeft aangetoond dat tussen hem en referente sprake is van een duurzame relatie. Eiser heeft niet aangetoond dat eiser en referente minimaal zes maanden feitelijk hebben samengewoond en/of minimaal zes maanden een duurzame relatie hebben onderhouden. De familierechtelijke relatie tussen eiser en referente is niet aangetoond. Eiser is dan ook niet aangemerkt als familielid in de zin van artikel 8.7, vierde lid, van het Vb [2] . De afwijzing van de aanvraag is volgens verweerder ook niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM [3] . Er is namelijk geen sprake van familie- of gezinsleven tussen eiser en referente en het beroep op het recht op privéleven heeft ook geen kans van slagen omdat eiser dit privéleven heeft opgebouwd terwijl hij geen rechtmatig verblijf had. Omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is, heeft verweerder afgezien van het horen van eiser in de bezwaarfase.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Toetsingskader
5. Een ongehuwde partner van een Unieburger kan een aanvraag voor afgifte van een EU/EER document doen als zij een deugdelijk bewezen duurzame relatie hebben. [4] Verweerder gaat ervan uit dat de ongehuwde partner en de Unieburger een duurzame relatie hebben, als zij voorafgaand aan het moment van de aanvraag of op het moment van beslissen gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren, waarbij in ieder geval gedurende die termijn feitelijk is samengewoond. [5] Bij het indienen van de aanvraag legt de ongehuwde partner in ieder geval een relatieverklaring over. [6] Op grond van de persoonlijke omstandigheden van het geval kan een relatie als duurzaam worden aangemerkt als de Unieburger en de ongehuwde partner nog geen zes maanden feitelijk hebben samengewoond en zij gedurende tenminste zes maanden een duurzame relatie onderhouden. Verweerder kan daarbij in ieder geval de volgende relevante aspecten betrekken die aan kunnen tonen dat er emotionele en affectieve banden zijn aangegaan, die maken dat sprake is van een duurzame relatie: de duur van de gezamenlijke huishouding, het dragen van zorg voor elkaar, het hebben van een gezamenlijk kind en daar de gezamenlijke zorg voor dragen, het hebben van gezamenlijke financiële verplichtingen of banden, samenwoning in het verleden en/of de frequentie van het contact en elkaar zien. In alle gevallen moet het gaan om een bestaande duurzame relatie.
6. Het uitgangspunt is dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord, voordat verweerder op het bezwaar beslist. [7] Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Daaronder vallen onder meer zaken waarin artikel 8 van Pro het EVRM een rol speelt. Verweerder kan, onder andere, afzien van horen wanneer het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand nalaat zijn bezwaar te motiveren of in het bezwaarschrift alleen maar een herhaling van zetten geeft. In gevallen waarin iemand in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem worden verlangd, of in de situatie waarin er nog onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex bestaan, kan een gehoor juist uitkomst bieden om ontbrekende informatie boven tafel te krijgen. De vraag of verweerder in dergelijke situaties toch van een gehoor af kan zien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. De vuistregel hierbij is dat naarmate iemand meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting. [8]
Het standpunt van eiser
7. Eiser stelt dat hij met de overgelegde bewijsstukken en hetgeen hij heeft aangevoerd, voldoende heeft aangetoond dat hij en referente een duurzame relatie hebben. Het is onredelijk om te verlangen dat elk bewijsstuk afzonderlijk het volledige bewijs van een gezamenlijke huishouding en feitelijk samenwonen gedurende zes maanden oplevert. De bewijsstukken dienen juist in onderlinge samenhang te worden beoordeeld, waarbij onder andere de gezamenlijke reizen en de frequentie van contact een substantieel bewijs vormen van een duurzame relatie.
7.1.
Ook stelt eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase en dat de
hoorplicht is geschonden. Hij heeft in bezwaar namelijk wel degelijk nieuwe bewijsstukken
en informatie ingebracht die nieuwe inzichten geven over het samenwonen en de duur van
de relatie.
Beoordeling door de rechtbank
8. Eiser en referente hebben de volgende stukken overgelegd. Bij de aanvraag zijn kopieën van de paspoorten van eiser en referente, een Bijlage Relatieverklaring partner EU-burger, een Bijlage Werkgeversverklaring en foto’s overgelegd. Na ontvangst van de herstelverzuimbrief van 12 december 2023 zijn schriftelijke verklaringen, een kopie van een Pools verblijfsdocument van eiser, een aantal brieven geadresseerd aan eiser of referente, foto’s, bankafschriften en overzichten van Messenger contact overgelegd. In de bezwaarfase zijn nog hotel- en vluchtreserveringen, een huurovereenkomst (ondertekend door eiser en referente), een arbeidsovereenkomst, stukken van het restaurant waar eiser mede vennoot is, screenshots met een overzicht van audiogesprekken en foto’s overgelegd. Verweerder heeft over de overgelegde stukken onder andere overwogen dat de bewijsstukken betreffende het inkomen van eiser en referent enkel aantonen dat zij beiden arbeid in Nederland verrichten; het om een beperkt aantal foto’s gaat en niet alle foto’s een uniek moment laten zien; uit de reisreserveringen enkel blijkt dat eiser en referente een reservering hebben gedaan; de handtekening van referente op de huurovereenkomst niet overeenkomt met die in haar paspoort en uit BRP niet blijkt dat eiser en referente op dit adres ingeschreven staan; en dat de schriftelijke verklaring slechts een verklaring van eiser zelf betreft die op geen enkele wijze wordt ondersteund.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard en heeft afgezien van horen in bezwaar omdat geen stukken zouden zijn overgelegd die de duurzame relatie tussen eiser en referente onderbouwen. De rechtbank merkt hierbij op dat eiser vrijwel alle in de herstelverzuimbrief genoemde stukken heeft overgelegd. Indien dit alsnog onvoldoende wordt geacht, ligt het op de weg van verweerder om eiser actief te begeleiden bij het voldoen aan de verplichtingen en het aanleveren van bewijsstukken. Hoewel in het bestreden besluit staat dat verweerder de overgelegde stukken zowel op zichzelf staand als in samenhang heeft beoordeeld, blijkt uit de besluitvorming dat de stukken voornamelijk op zichzelf staand zijn beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat de overgelegde stukken, in samenhang bezien, in ieder geval getuigen van voldoende inspanning van de kant van eiser en referente om te onderbouwen dat zij zes maanden feitelijk hebben samengewoond en/of gedurende ten minste zes maanden een duurzame relatie hebben onderhouden. Een gehoor had in dit geval juist uitkomst kunnen bieden om ontbrekende informatie boven tafel te krijgen en onduidelijkheden op te helderen. Verweerder zal eiser en referente daarom alsnog moeten uitnodigen voor een hoorzitting.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de hoorplicht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank heeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.
10. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiseres, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
11. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 16 april 2025; en
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter:
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 388,- aan eiser moet vergoeden; en
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Europese Unie / Europese Economische Ruimte.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Op grond van artikel 8.7, vierde lid, van het Vb.
5.Op grond van paragraaf B10/2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Op grond van artikel 8.13, derde lid, onder f, van het Vb.
7.Zie artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.