ECLI:NL:RBDHA:2026:1928

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
NL25.63227
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenvergoeding na besluit op nareisaanvraag

Verzoeker had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn nareisaanvraag. De rechtbank had eerder bepaald dat de minister binnen acht weken moest beslissen, tenzij nader onderzoek werd aangekondigd. Op 7 januari 2026 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoeker zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.

De minister weigerde de proceskosten te vergoeden. De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond was zolang er geen besluit was genomen, ook al was een dwangsom nog niet volledig verbeurd. Omdat de minister alsnog een besluit had genomen, was het beroep ingetrokken en kon proceskostenvergoeding worden toegewezen.

De rechtbank hanteerde een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak en kende een vergoeding toe van €467,-. Er waren geen andere kosten die vergoed konden worden. De minister werd veroordeeld tot betaling van deze proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van €467,- aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.63227
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verzoeker heeft beroep ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 22 augustus 2025.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen acht weken moet beslissen op de nareisaanvraag van verzoeker, indien de minister niet binnen die termijn
besluit tot nader onderzoek en hij dat schriftelijk aan eiser meedeelt.
Op 7 januari 2026 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker zijn beroep ingetrokken. Hij heeft daarbij het verzoek gedaan om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Op 20 januari 2026 heeft de minister aangegeven niet bereid te zijn de proceskosten te vergoeden.
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
2. Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener.3
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker. De minister heeft immers alsnog een besluit op de aanvraag van verzoeker genomen.

1.NL25.29663.

2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4. De rechtbank stelt vast dat eiser onderhavig beroep heeft ingesteld op
24 december 2025, terwijl de rechterlijke dwangsom op dat moment nog niet was volgelopen. Bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit blijft procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd.4
5. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.

4.ECLI:NL:RVS:2024:4865.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 januari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.