ECLI:NL:RBDHA:2026:19285

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
C/09/706347 / JE RK 26-965
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 16 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:253b lid 1 BWArt. 1:257 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige terugkeerster uit Syrië

De rechtbank Den Haag heeft op 12 juni 2026 een beschikking gegeven over een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die terugkeerde uit Syrië. De moeder van de minderjarige verblijft in voorlopige hechtenis, waardoor de minderjarige tijdelijk gescheiden is van haar moeder. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in een gespecialiseerde accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor observatie en stabilisatie.

De minderjarige is vermoedelijk in 2017 geboren in Syrië en heeft een onzekere en onveilige jeugd gekend, waaronder detentie in Turkije en vreemdelingenbewaring in Nederland. Er zijn ernstige vermoedens dat haar ontwikkeling acuut en ernstig wordt bedreigd door de omstandigheden waaraan zij is blootgesteld, waaronder mogelijke traumatische ervaringen en hechtingsproblemen. De moeder erkent de situatie deels, maar benadrukt dat de minderjarige een normaal gezinsleven heeft gehad en dat zij geen ideologie heeft aangeleerd.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor voorlopige ondertoezichtstelling zijn vervuld en dat uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De minderjarige wordt geplaatst in een gespecialiseerde groep van iHub voor stabilisatie en observatie, met het oog op het vaststellen van haar specifieke behoeften en het onderzoeken van een mogelijke netwerkplaatsing. De beschikking geldt voor drie maanden en is uitvoerbaar bij voorraad. Tegen de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De minderjarige wordt voorlopig onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in een gespecialiseerde jeugdhulpaccommodatie voor drie maanden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/706347 / JE RK 26-965
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Haaglanden
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige], (vermoedelijk) geboren op [geboortedatum] 2017 in Syrië,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
BRP-geregistreerd als geëmigreerd,
verblijvende in de Penitentiaire Inrichting in Zwolle,
advocaat: mr. Y. Özdemir uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Op 3 juni 2026 heeft mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter in deze rechtbank, mondeling (buiten kantooruren) beslist dat:
  • [de minderjarige] voorlopig onder toezicht wordt gesteld van de gecertificeerde instelling van 3 juni 2026 tot 4 juni 2026 om 17:00 uur;
  • de gecertificeerde instelling gemachtigd is om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van
3 juni 2026 tot 4 juni 2026 om 17.00 uur;
  • deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad is;
  • de behandeling van het verzoek voor het overige wordt aangehouden tot het verzoek, met nadere onderbouwing, schriftelijk bij de rechtbank is ingediend.
1.2.
Bij beschikking van 4 juni 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van 4 juni 2026 tot 17 juni 2026 en voor dezelfde duur een machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.3.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 4 juni 2026;
  • het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 4 juni 2026.
1.4.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- M. Holtus namens de Raad;
  • D.P. Kouwenhoven namens de gecertificeerde instelling;
  • mr. R. Poyraz als toehoorder.
1.5.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 4 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De moeder is in 2015 afgereisd naar oorlogsgebied in Syrië. Aangenomen wordt dat [de minderjarige] in 2017 in Syrië is geboren. Vervolgens is de moeder in 2019 met [de minderjarige] in Turkije terechtgekomen en hebben zij een groot deel van 2019 in detentie verbleven. Hierna heeft de moeder vermoedelijk op verschillende plekken in Turkije gewoond. Vanaf januari 2026 is de moeder ongewenst vreemdeling verklaard en is zij samen met [de minderjarige] in vreemdelingendetentie geplaatst. Op 3 juni 2026 zijn de moeder en [de minderjarige] overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten voor uitzetting naar Nederland. Bij aankomst in Nederland is de moeder direct aangehouden en in voorarrest geplaatst. Hierdoor heeft [de minderjarige] (tijdelijk) afscheid moeten nemen van haar moeder. Volgens de Raad zijn er ernstige vermoedens dat [de minderjarige] in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Zij is blootgesteld aan de omstandigheden in oorlogsgebied en mogelijk ook aan een ideologie waarin geweld tegen andersdenkenden is toegestaan, of wordt aangemoedigd. Daarnaast heeft [de minderjarige] vele wisselingen van woon-en verblijfplaatsen meegemaakt en heeft dit ook gezorgd voor meerdere hechtingsbreuken – onder meer met haar halfbroertje en vader – en is zij recent van haar moeder gescheiden. Ook heeft [de minderjarige] geen onderwijs gevolgd. Verder is er nog onvoldoende zicht op wat [de minderjarige] de afgelopen jaren exact heeft meegemaakt en wat haar specifieke pedagogische en ontwikkelingsbehoeften zijn. Zij heeft doordat zij in oorlogsgebied en gevangenschap heeft geleefd voortdurend onveiligheid gekend. Het is daarom nodig dat [de minderjarige] de komende periode in een professionele opvang, een speciale groep van iHub, wordt geplaatst. Het doel van deze groep is om [de minderjarige] te stabiliseren en te observeren wat haar specifieke ontwikkelings- en opvoedbehoeften zijn. Op deze manier kan onderzocht worden in hoeverre er sprake is van trauma- en hechtingsproblemen en kan duidelijk in beeld wordt gebracht wat [de minderjarige] nodig heeft om zo goed en veilig mogelijk in Nederland op te groeien. De Raad vindt deze periode van observatie en stabilisatie nodig voordat er eventueel naar een informele netwerkplaatsing kan worden gekeken. Voor een eventuele netwerkplaatsing moeten eerst de behoeften van [de minderjarige] duidelijk zijn en daarnaast moet dit netwerk zijn onderzocht. Ter zitting heeft de Raad toegelicht dat de moeder drie personen heeft aangedragen die volgens haar mogelijk passend zijn voor het opvangen en verzorgen van [de minderjarige] . De komende periode zal hier nader onderzoek naar worden gedaan en zal de Raad gaan adviseren welke vervolgplaatsing het meeste tegemoet komt aan de behoeften van [de minderjarige] . Ten slotte heeft de Raad op de zitting naar voren gebracht dat de moeder nog geen toestemming heeft gegeven voor het traject vanuit het Landelijk Advies Team. De Raad hoopt dat de moeder hier spoedig toestemming voor geeft.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder mist haar dochtertje heel erg. Zij begrijpt dat bepaalde procedures gevolgd moeten worden en als dat nodig is in het belang van haar kind werkt zij hier aan mee. De moeder heeft de hoop en de verwachting dat zij weer snel samen is met haar dochter. De moeder heeft [de minderjarige] zo goed mogelijk proberen op te voeden. Zij heeft altijd voor haar op nummer één gestaan en zij is nooit iets tekort gekomen. In Turkije hebben zij in hele goede omstandigheden geleefd, had zij een eigen plek en voldoende spullen om mee te spelen. Daarnaast heeft de moeder [de minderjarige] thuisscholing gegeven. Het beeld dat door de Raad wordt geschetst over de omstandigheden waarin [de minderjarige] heeft geleefd klopt dan ook niet. De advocaat benadrukt dat deze zaak niet gezien moet worden als een standaard ‘terugkeerderszaak’. Toen zij nog in Syrië verbleven was [de minderjarige] nog maar heel klein en ook tijdens de detentie in Turkije was zij nog maar heel erg jong. Volgens de moeder herinnert [de minderjarige] zich niets van deze periode. Alleen aan het begin van haar leven en de laatste maanden in vreemdelingenbewaring heeft [de minderjarige] in detentie verbleven, maar daartussen heeft zij een heel normaal gezinsleven gehad. Daarbij heeft zij geen enkele ideologie aangeleerd, maar alleen de basis van wat de Islam inhoudt en wat een doorsnee moslim ook leert. Volgens de moeder is het wel goed als er wordt gekeken naar eventueel ADHD-onderzoek, omdat zij dit zelf ook heeft. Daarnaast is ook de oma van [de minderjarige] , de moeder van de moeder, betrokken en hebben [de minderjarige] en de oma ook een goede relatie. Dit is dan ook één van de partijen waar de Raad onderzoek naar kan doen. Ten slotte heeft de moeder te kennen gegeven dat zij de papieren voor het Landelijk Advies Team nog niet heeft ondertekend, omdat zij dit eerst graag met [de minderjarige] zelf wil bespreken. [de minderjarige] is heel slim en de moeder wil voordat zij dit formulier tekent graag met [de minderjarige] zelf bespreken of zij zich comfortabel voelt met psychologische hulp.
4.2.
De gecertificeerde instelling onderschrijft het verzoek van de Raad. Vanaf het moment dat [de minderjarige] op het vliegveld is aangekomen is er een vaste jeugdbeschermer betrokken. Gezien wordt dat [de minderjarige] het naar omstandigheden goed doet, maar dat het afscheid van de moeder wel heel zwaar was. [de minderjarige] spreekt Engels en dit maakt de communicatie wel makkelijker. De komende maanden zal nog verder onderzocht moeten worden wat [de minderjarige] nodig heeft. Hier is op dit moment nog weinig over te zeggen en uit ervaring blijkt dat het altijd even tijd kost voordat kinderen – uit vergelijkbare situaties – geland zijn.

5.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
Uit de beschikking van 4 juni 2026 volgt reeds dat de kinderrechter bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen. Uit artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 [1] (hierna HKV 1996) volgt dat de bevoegde rechter zijn interne recht toepast. De kinderrechter zal daarom Nederlands recht toepassen.
Gezag
5.2.
De kinderrechter heeft eerst onderzocht welke gezagsverhouding bestaat ten aanzien van [de minderjarige] . Dit is van belang voor de beantwoording van de vraag of het ouderlijk gezag van de moeder kan worden beperkt door kinderbeschermingsmaatregel(en). De kinderrechter is daarbij van het volgende uitgegaan. Naar het oordeel van de kinderrechter is de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] inmiddels in Nederland gelegen. [de minderjarige] is met hulp van de autoriteiten naar Nederland gebracht met de bedoeling om hier te blijven en een leven op te bouwen. Er is geen geboorteakte, maar uit DNA-onderzoek volgt dat de moeder de biologische moeder is van [de minderjarige] . Uit de huidige stukken volgt niet dat er een wettelijk huwelijk is geweest tussen de moeder en de vader van [de minderjarige] en is ook alleen het moederschap van [de minderjarige] vastgesteld. Op basis van deze stukken is de kinderrechter vooralsnog van oordeel – op grond van artikel 16 HKV Pro 1996 en artikel 1:253b lid 1 BW- dat de moeder belast is met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [2] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [3] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter constateert dat [de minderjarige] (vermoedelijk in 2017) is geboren in oorlogsgebied. Over de omstandigheden waarin [de minderjarige] de jaren hierna is opgegroeid is nog veel onzekerheid. Vaststaat dat [de minderjarige] – dit erkent de moeder ook – in Turkije in 2019 in detentie heeft verbleven en ook recent een aantal maanden in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht. Over de periode daartussen is nog veel onduidelijk, ook bijvoorbeeld over de mate van onderwijs die [de minderjarige] heeft gevolgd en of zij, bijvoorbeeld in oorlogsgebied dan wel in detentie, traumatische gebeurtenissen heeft gemaakt. Hoewel de moeder aangeeft dat zij van mening is dat [de minderjarige] zich hier niets van kan herinneren, is volgens de kinderrechter van groot belang dat professionele instanties hier goed naar kunnen kijken en kunnen onderzoeken welke impact dit daadwerkelijk heeft gehad. De beleving van gebeurtenissen door de moeder als volwassene kan immers verschillen van de beleving van die zelfde gebeurtenissen door een jong kind. Daarnaast geldt dat ook indien geen sprake is van actieve herinneringen bij [de minderjarige] dergelijke gebeurtenissen, indien zij hebben plaatsgevonden, hun invloed zullen hebben op haar ontwikkeling. Naar het oordeel van de kinderrechter zijn het verblijf van [de minderjarige] bij Ihub en het traject bij het Landelijk Advies Team bij uitstek geschikt om te onderzoeken wat [de minderjarige] de afgelopen jaren precies heeft meegemaakt, hoe zij dit heeft beleefd en welke (gespecialiseerde) hulp zij nodig heeft om op een veilige en fijne manier verder op te groeien. De kinderrechter spreekt daarom de hoop uit de moeder spoedig toestemming zal verlenen voor het traject bij het Landelijk Advies Team. Naast het verkrijgen van duidelijkheid over de opvoedbehoeften van [de minderjarige] dient de komende maanden ook het netwerk van de moeder onderzocht te worden. Bekeken moet worden of binnen dit netwerk aan de opvoedbehoeften van [de minderjarige] kan worden voldaan. Dit kan vervolgens worden meegenomen in de afweging waar [de minderjarige] op de lange termijn het beste kan gaan verblijven. Gelet op het voorgaande en het feit dat de moeder niet zelf voor [de minderjarige] kan zorgen, is het volgens de kinderrechter noodzakelijk dat [de minderjarige] de komende maanden in een professionele omgeving – op de specialistische groep van iHub – verblijft. Hier kan zij landen, stabiliseren, geobserveerd worden en kan aan haar direct de (specialistische) ondersteuning worden geboden die zij nodig heeft. De kinderrechter stelt [de minderjarige] daarom voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van drie maanden. Volgens de kinderrechter is deze termijn passend. Op dit moment is er namelijk nog geen duidelijkheid hoe het strafproces van de moeder verder zal verlopen, is er nog veel onduidelijkheid over de behoeften van [de minderjarige] en moet het netwerk als optie voor een eventuele vervolgplek voor [de minderjarige] nog onderzocht worden. Dit zal tijd kosten en hiervoor zullen de komende maanden zeker nog nodig zijn.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 17 juni 2026 tot 3 september 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 17 juni 2026 tot 3 september 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier, en op schrift gesteld op 24 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open. [4]

Voetnoten

1.Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen.
2.Artikel 1:257 BW Pro.
3.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
4.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).