ECLI:NL:RBDHA:2026:19309

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL25.13965
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing beroep wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf

Verzoekers hebben op 24 maart 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De minister van Asiel en Migratie heeft op 18 februari 2026 alsnog een beslissing genomen. Vervolgens hebben verzoekers het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat de minister geheel aan het beroep tegemoet is gekomen door alsnog tijdig te beslissen. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank in dat geval de proceskosten aan de verzoekers toewijzen. De rechtbank stelt de proceskosten vast op €467, gebaseerd op een puntensysteem en een lichte wegingsfactor.

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten en doet dit zonder zitting. De uitspraak is gedaan door rechter K.M. de Jager op 9 juli 2026 en openbaar gemaakt via een geanonimiseerde publicatie.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de aanvraag machtiging voorlopig verblijf.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13965

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] ,

V-nummers: [V-nummer 1] , [V-nummer 2] , [V-nummer 3] ,
samen verzoekers,
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben op 24 maart 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging voor verblijf bij [referent] (referent).
Op 18 februari 2026 heeft verweerder verzoekers in kennis gesteld van de beslissing op hun aanvraag.
Op 24 februari 2026 hebben verzoekers het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [3] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoekers heeft besloten, maar op 18 februari 2026 alsnog tot een beslissing is gekomen, is verweerder geheel aan het beroep van verzoekers tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van
€ 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.