ECLI:NL:RBDHA:2026:19325

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL25.12731
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens niet-tijdig beslissen nareis asiel

Verzoekster heeft op 18 maart 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar nareis asiel aanvraag van 10 augustus 2023. Op 15 september 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen. Vervolgens heeft verzoekster het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat de minister door het alsnog nemen van het besluit tijdens het beroep geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan verzoekster. Op grond van artikel 8:75a van de Awb kan de rechtbank in dat geval de proceskosten toewijzen.

De rechtbank stelt de proceskosten vast op €467, gebaseerd op een puntensysteem voor beroepskosten, en wijst het verzoek tot vergoeding toe. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de minister verplicht is het griffierecht van €194 te vergoeden aan verzoekster.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 10 juli 2026 door rechter A.J. de Danschutter.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster na intrekking van het beroep wegens niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12731

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster

(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 18 maart 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar aanvraag nareis asiel van 10 augustus 2023.
Op 15 september 2025 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [3] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoekster heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoekster tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
4. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194 te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 10 juli 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van A. Hiddouch, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.