ECLI:NL:RBDHA:2026:19337
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters wegens gebrek aan gegronde aanwijzing van vooringenomenheid
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters in zijn strafzaak, stellende dat zij vooringenomen zijn omdat zij weigerden hun mandaat te tonen. De wrakingskamer overweegt dat rechters uit hoofde van hun aanstelling bevoegd zijn en geen mandaat behoeven te tonen. Het verzoek is gebaseerd op een rechterlijke (tussen)beslissing, welke niet als grond voor wraking kan dienen tenzij sprake is van duidelijke aanwijzingen van vooringenomenheid, wat hier niet het geval is.
Tijdens de zitting verliet verzoeker de zaal zonder zijn wrakingsverzoek toe te lichten. De wrakingskamer constateert dat de rechters de raadsman van verzoeker de gelegenheid hebben gegeven het verzoek toe te lichten, maar deze vond niets van de wraking. De kamer stelt vast dat de inhoudelijke behandeling van de zaak niet is voortgezet na het vertrek van verzoeker.
De wrakingskamer concludeert dat het wrakingsverzoek ongegrond is en wijst het af. Het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals het was ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzing van vooringenomenheid.