ECLI:NL:RBDHA:2026:19337

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
C/09/707187 / KG RK 26-945
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 515 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters wegens gebrek aan gegronde aanwijzing van vooringenomenheid

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters in zijn strafzaak, stellende dat zij vooringenomen zijn omdat zij weigerden hun mandaat te tonen. De wrakingskamer overweegt dat rechters uit hoofde van hun aanstelling bevoegd zijn en geen mandaat behoeven te tonen. Het verzoek is gebaseerd op een rechterlijke (tussen)beslissing, welke niet als grond voor wraking kan dienen tenzij sprake is van duidelijke aanwijzingen van vooringenomenheid, wat hier niet het geval is.

Tijdens de zitting verliet verzoeker de zaal zonder zijn wrakingsverzoek toe te lichten. De wrakingskamer constateert dat de rechters de raadsman van verzoeker de gelegenheid hebben gegeven het verzoek toe te lichten, maar deze vond niets van de wraking. De kamer stelt vast dat de inhoudelijke behandeling van de zaak niet is voortgezet na het vertrek van verzoeker.

De wrakingskamer concludeert dat het wrakingsverzoek ongegrond is en wijst het af. Het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals het was ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzing van vooringenomenheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/43
zaak- /rekestnummer: C/09/707187 / KG RK 26-945
Beslissing van 25 juni 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
BRP-adres te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mrs. E.C. Kole, J.C. U-A-Sai en L. Anemaet,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 12 juni 2026 waarin het mondelinge wrakingsverzoek is vermeld;
- de brief van verzoeker, gedateerd 14 juni 2026.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de strafzaak met parketnummer 09/288461-25 tegen verzoeker als verdachte.
2.2.
Aan zijn wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende ten grondslag gelegd:
“De rechters (gesteund door de officier van justitie) vinden en oordelen dus van zichzelf dat het
niet nodig is om de wet te eerbiedigen, en om hun mandaat te tonen. Hoe vooringenomen,
arrogant of schizofreen ben je dan?!
Kan je als mens dan zomaar voor God gaan spelen?! Dít is de allerbelangrijkste reden voor deze
wraking.
Ook valt het mij daarbij op dat na mijn uitgesproken wraking, in plaats van deze zitting direct te
staken en mij de gelegenheid te geven om de wraking toe te lichten, deze rechters gewoon
inhoudelijk zijn doorgegaan met deze zaak. Zelfs toen ik daarop de zaal verliet, en mijn advocaat
nog wel binnen zat, ging men gewoon door?
(…)
De ook voor u geldende verdragen van Genève IV over te beschermen personen vereisen dat er
een zorgvuldige rechtsgang om Zivil Personen moet plaatsvinden. Het weigeren om een mandaat
aan te tonen dat is een onzorgvuldige krijgslist.”

3.De beoordeling

Mandaat van de rechters van de wrakingskamer
3.1.
Verzoeker heeft in zijn brief van 14 juni 2026 aangevoerd dat de rechters van de wrakingskamer die de door hem gewraakte rechters gaan toetsen vooraf hun mandaat dienen te tonen.
3.2.
Aan deze eis van verzoeker zal de wrakingskamer voorbij gaan. De leden van de wrakingskamer zijn uit hoofde van hun aanstelling bevoegd om zitting te hebben in de wrakingskamer en het verzoek tot wraking van de rechters in de hoofdzaak te behandelen. Enig mandaat is daarvoor niet vereist.
Inhoudelijke beoordeling
3.3.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.4.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 12 juni 2026 volgt dat verzoeker na zijn wrakingsverzoek de zaal heeft verlaten zonder zijn verzoek nader toe te lichten. Naar de wrakingskamer uit de brief van verzoeker van 14 juni 2026 begrijpt, is verzoeker van mening dat de rechters vooringenomen zijn omdat zij zijn verzoek tot het verstrekken van een mandaat hebben afgewezen.
3.5.
De afwijzing van de rechters van het verzoek tot het verstrekken van een mandaat is processueel van aard en kan worden beschouwd als een rechterlijke (tussen)beslissing.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, voor zover het is gebaseerd op de (tussen)beslissing, niet toewijsbaar is. Dat is alleen anders in het geval waarin de motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Van zo’n situatie is in dit geval geen sprake. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek niet toewijsbaar is.
3.6.
Het is de wrakingskamer overigens uit het proces-verbaal van de zitting van 12 juni 2026 niet gebleken dat, zoals door verzoeker nog is gesteld, de inhoudelijke behandeling van de zaak is doorgegaan nadat verzoeker de zaal had verlaten. De rechters hebben de raadsman van verzoeker nog in de gelegenheid gesteld het verzoek tot wraking toe te lichten, waarop de raadsman heeft aangegeven ‘niets van de wraking te vinden’. Voor het verzoek tot wraking hadden de rechters al een beslissing medegedeeld, namelijk het afwijzen van het verzoek tot het verstrekken van een mandaat. Na het (op dat moment: ongemotiveerde) verzoek tot wraking hebben de rechters de beslissingen die zij in raadkamer, vóór het verzoek tot wraking, hebben genomen ter zitting uitgesproken, nu dit noodzakelijk werd geacht in het kader van de voortgang van de zaak.
3.7.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser;
• de rechters.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.