ECLI:NL:RBDHA:2026:19346

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
C/09/692253
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 7:401 BWArt. 7:404 BWArt. 7:407 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens ontbreken causaal verband bij beroepsaansprakelijkheid advocaat

Deze civiele zaak betreft de beroepsaansprakelijkheid van een advocaat en diens kantoor jegens een opdrachtgever die schade vordert wegens een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst van opdracht. De rechtbank stelt vast dat de aansprakelijkheid van de advocaat persoonlijk is uitgesloten op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden, die niet vernietigbaar zijn en ook aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad uitsluiten.

De rechtbank oordeelt dat het advocatenkantoor wel aansprakelijk kan zijn, maar dat de advocaat niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht door mondelinge afspraken niet duidelijk schriftelijk vast te leggen. Desondanks ontbreekt het causaal verband tussen deze tekortkoming en de door de opdrachtgever gestelde schade. Dit blijkt onder meer uit verklaringen van betrokkenen die aangeven dat de tegenpartij niet bereid was het document te ondertekenen, ongeacht de formulering.

De vorderingen tot schadevergoeding worden daarom afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De uitspraak bevestigt dat het niet voldoen aan de zorgplicht niet automatisch leidt tot aansprakelijkheid zonder causaal verband met schade.

Uitkomst: De vorderingen tot schadevergoeding worden afgewezen wegens ontbreken van causaal verband tussen tekortkoming en schade.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaak- en rolnummer: C/09/692253 / HA ZA 25-849
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[eiser], te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.W. Veth, te Rotterdam,
tegen

1.mr. [gedaagde 1] , te [plaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2] N.V., te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagden,
hierna samen te noemen: [gedaagden] c.s.,
advocaat: mr. M.B. Esseling, te Rotterdam.

1.Waar het in deze zaak over gaat

1.1.
Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagden] c.s. tegenover [eiser] heeft voldaan aan haar zorgplicht als opdrachtnemer. Het gaat er daarbij om of [gedaagde 1] heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat aansprakelijkheid van [gedaagde 1] op grond van de algemene voorwaarden is uitgesloten. [gedaagde 2] kan als contractspartij van [eiser] wel aansprakelijk worden gesteld. Daarover oordeelt de rechtbank dat [gedaagde 2] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht tussen [eiser] en [gedaagde 2] . De vordering tot schadevergoeding wordt echter afgewezen, omdat het causaal verband tussen de tekortkoming van [gedaagde 2] en de door [eiser] gestelde schade ontbreekt.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 de dagvaarding van 23 juni 2025, met producties 1 tot en met 6;
 het herstelexploot van 15 september 2025;
 de conclusie van antwoord van 24 december 2025, met producties 1 tot en met 4;
 het tussenvonnis van 21 januari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; en
 de akte overlegging producties van [eiser] , met producties 7 tot en met 10.
2.2.
Op 25 maart 2026 is de mondelinge behandeling gehouden. De advocaten van partijen hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die tijdens de mondelinge behandeling zijn overhandigd en aan het procesdossier zijn toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder naar voren is gebracht en besproken.

3.De feiten

Op grond van de stukken en wat er op de zitting is besproken wordt in deze zaak van het volgende uitgegaan.
3.1.
[eiser] richt zich onder meer op het verwerven en exploiteren van vastgoed, waaronder glastuinbouwbedrijven, en het financieren van glastuinbouwondernemers.
3.2.
In 2015 verstrekte [eiser] financieringen aan Veilingweg Vastgoed in het kader van de overname van het tuinbouwbedrijf van VOF [bedrijfsnaam 1] door Veilingweg Vastgoed B.V. en gelieerde vennootschappen (hierna: Veilingweg Vastgoed). Ter zekerheid van verhaal van zijn vorderingen op Veilingweg Vastgoed verkreeg [eiser] pandrechten en een hypotheekrecht op onroerende zaken, inventaris, bedrijfsmiddelen en (handels)voorraden van Veilingweg Vastgoed.
3.3.
Op 23 maart 2017 sloten [eiser] en [gedaagde 2] een overeenkomst van opdracht, waarbij [eiser] opdracht gaf aan [gedaagden] c.s. om zijn belangen te behartigen met betrekking tot zijn vorderingen op Veilingweg Vastgoed.
3.4.
Op de overeenkomst van opdracht zijn de algemene voorwaarden van [gedaagde 2] van toepassing verklaard. In de algemene voorwaarden is – voor zover van belang – het volgende bepaald:
“1.
Toepasselijkheid.Op alle opdrachten die aan [gedaagde 2] N.V. of enige van haar advocaten of medewerkers worden verstrekt zijn deze algemene voorwaarden van toepassing.
2.
Verantwoordelijkheid opdrachten.Alle opdrachten worden uitsluitend aanvaard door [gedaagde 2] N.V. en de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van die opdrachten rust uitsluitend op [gedaagde 2] N.V. en niet op haar advocaten of medewerkers. De toepasselijkheid van de artikelen 7:404 en 7:407 BW is uitgesloten.
3.
Aansprakelijkheid.[gedaagde 2] N.V. noch haar advocaten en medewerkers in persoon, zijn aansprakelijk voor schade als gevolg van of in verband met hun (beoogde) dienstverlening ongeacht de grondslag van die aansprakelijkheid, (…) [gedaagde 2] N.V. heeft een beroepsaansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij Allianz Nederland Schadeverzekering N.V. (….) met een wereldwijde dekking van € 5.000.000,00 per aanspraak en € 10.000.000,00 per verzekeringsjaar (met een eigen risico van € 5.000,00 per aanspraak (…)
6.
Derdenbeding.Deze algemene voorwaarden vormen teven een onherroepelijk derdenbeding ten behoeve van de advocaten en medewerkers van [gedaagde 2] N.V
.”
3.5.
Op 12 december 2017 is aan Veilingweg Vastgoed voorlopige surseance van betaling verleend. Bij vonnis van 8 januari 2018 van deze rechtbank is Veilingweg Vastgoed in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. M.P. van Eeden-van Harskamp als curator (hierna: de curator). De curator streefde naar een spoedige transactie om een doorstart van de onderneming mogelijk te maken.
3.6.
Op het moment van de faillietverklaring van Veilingweg Vastgoed had [eiser] een vordering op Veilingweg Vastgoed van ongeveer € 13.500.000.
3.7.
[naam 1] (hierna: [naam 1] ), indirect bestuurder van [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] B.V.) had meermaals contact met de curator over een mogelijke overname van Veilingweg Vastgoed en deed daartoe een aantal biedingen.
3.8.
Op 25 januari 2018 vond er op het kantoor van [gedaagde 2] een bespreking plaats tussen [naam 1] , [naam 2] (hierna: [naam 2] ), vennoot van VOF [bedrijfsnaam 1] , en [gedaagde 1] . [gedaagde 1] stuurde naar aanleiding van deze bespreking dezelfde dag een e-mail aan [eiser] . Daarin is onder meer het volgende vermeld:
“(…) Zoals vanmiddag besproken wil [naam 1] als koper een financiering aangaan met jou voor de koop van de activa van Veilingweg vastgoed c.s. de vanmiddag besproken condities, nader vast te leggen in (standaard, zonder vreemde bepalingen op te maken) notariële aktes van geldlening, hypotheek en verpanding zijn:
- een geldlening van € 10.000.000,00
- rente van 10% per jaar, achteraf per maand te betalen
- afsluitprovisie van € 600.000, te betalen binnen 7 dagen na levering
- een aflossingsverplichting van € 750.000 per jaar, lineair, achteraf per maand te voldoen
- na vijf jaar moet de volledige restlening dus (in beginsel) zijn afgelost
eerder geheel of gedeeltelijk aflossen is vrij toegestaan
(…)
- hypotheekrecht op al het onroerend goed
- pandrecht op alle huidige en toekomstige goederen (…)
Ik verneem graag of je daarmee kunt instemmen, waarna ik dit bevestig aan [bedrijfsnaam 1] en [naam 1] , onder de voorwaarde dat jij als hypotheek- en pandhouder van Veilingweg Vastgoed cs tot overeenstemming komt met de curator.
(…)”
3.9.
Op 29 januari 2018 vond er opnieuw een bespreking plaats op het kantoor van [gedaagde 2] , waarbij [eiser] , [naam 1] , [bedrijfsnaam 1] en [gedaagde 1] aanwezig waren. Nadat [eiser] het kantoorpand had verlaten, stelde [gedaagde 1] een document op dat door [naam 1] en [bedrijfsnaam 1] voor akkoord is ondertekend. Dit document bevat, onder meer, de volgende tekst:
“Cliënt [eiser] is bereid [naam 1] als koper een financiering te verstrekken voor de koop van de
activa van Veilingweg Vastgoed c.s. De condities, nader vast te leggen in (standaard, zonder vreemde
bepalingen op te maken) notariële akte van geldlening, hypotheek en verpanding, zijn:
- een geldlening van € 8.000.000,00
- rente van 10% per jaar, achteraf per maand te betalen
- afsluitprovisie van € 650.000,00, te betalen binnen 7 dagen na levering (…)
(…)
- hypotheekrecht op al het onroerend goed
- pandrecht op alle huidige en toekomstige goederen (…)
(…)”
3.10.
[naam 1] nam vervolgens contact op met de curator over de door hem te betalen koopsom voor de onderneming van Veilingweg Vastgoed.
3.11.
Per e-mail van 5 februari 2018 liet de curator aan [gedaagde 1] weten dat hij met [naam 1] overeenstemming had bereikt over de verkoop van de activa van Veilingweg Vastgoed, dat een koopsom van € 9.250.000 was overeengekomen en de verplichting tot betaling van € 150.000 aan mr. Libosan wegens een aanspraak op grond van pauliana.
3.12.
Per e-mailbericht van 5 februari 2018 liet [gedaagde 1] aan de curator en de advocaat van [naam 1] weten dat [eiser] alleen zou meewerken aan de transactie als de overeengekomen geldlening, inclusief de bijbehorende afsluitprovisie en de koop van de lampen, formeel geëffectueerd zou worden.
3.13.
Op 8 februari 2018 vond er een telefonisch overleg plaats tussen de curator, [eiser] en [naam 1] . Hierna berichtte de curator aan [eiser] en [naam 1] als volgt:
“Zojuist heb ik met u telefonisch overleg gehad. U bent met elkaar in bespreking geweest en u heeft mij bevestigd dat er overeenstemming bestaat over de overeenkomst die voorligt. Daarnaast heeft u mij laten weten dat u overeenstemming heeft bereikt over de financiering van de koopsom. Dit heeft u onderling afgestemd. (…)”
3.14.
Op 9 februari 2018 sloten [naam 1] en de curator een overeenkomst met betrekking tot de overname van de activa van Veilingweg Vastgoed, met goedkeuring van de rechter-commissaris.
3.15.
In opdracht van [eiser] stelde de notaris een conceptgeldleningsovereenkomst tussen [eiser] en [naam 1] B.V. op en stuurde deze ter beoordeling aan [eiser] en [naam 1] . [naam 1] reageerde niet op dat concept.
3.16.
Op 14 maart 2018 verzocht de notaris [eiser] in te stemmen met royement van zijn hypotheekrecht. [eiser] weigerde om hieraan mee te werken.
3.17.
Op 11 april 2018 spraken [eiser] en Van Vliet, via tussenkomst van de rechter-commissaris, af dat [naam 1] B.V. vóór de dag van levering van de activa van Veilingweg Vastgoed € 700.000 zou storten op de escrowrekening, tegenover medewerking van [eiser] aan royement. [eiser] deed hierna afstand van zijn pand- en hypotheekrechten op Veilingweg Vastgoed.
3.18.
[bedrijfsnaam 2] B.V. kocht hierna de tuinbouwonderneming van de curator.
3.19.
Tussen [eiser] en [bedrijfsnaam 2] B.V. is een procedure gevoerd over de vraag of tussen hen een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen. Het gerechtshof Den Haag oordeelde dat [eiser] er niet in was geslaagd om te bewijzen dat er een dergelijke overeenkomst tot stand is gekomen. Vervolgens zijn alle vorderingen van [eiser] afgewezen. Deze uitspraak is inmiddels onherroepelijk.
3.20.
Het hof heeft in het eindarrest van 25 juni 2024 – voor zover van belang – het volgende overwogen:
“3.4.2 Dat er voorafgaand aan maandag 29 januari 2018 tussen [eiser] en [bedrijfsnaam 2] BV wilsovereenstemming is bereikt over de inhoud van de voorwaarden vermeld in de door [gedaagde 1] op die datum opgestelde brief (…) valt onvoldoende vast te stellen. Het hof heeft in het tussenarrest reeds geoordeeld dat dit uit de overeenkomst zelf niet volgt. Enkel op basis van de door [gedaagde 1] op 29 januari 2018 opgestelde akte (…) kan niet al worden gezegd dat tussen [eiser] en [naam 1] wilsovereenstemming is bereikt over het aangaan van de leningsovereenkomst. De zinsnede: ”Cliënt [eiser] is bereid [naam 1] als koper een lening te verstrekken voor de koop van de activa van Veilingweg Vastgoed c.s.” duidt op een aanbod van de zijde van [eiser] en niet zozeer op de vastlegging van een tussen partijen bereikte wilsovereenstemming. (…)
(...)
3.4.4
Op 5 februari 2018 heeft [naam 3] vervolgens per e-mail, mede gericht aan [gedaagde 1] en [bedrijfsnaam 2] BV, te kennen gegeven dat hij overeenstemming heeft bereikt met [bedrijfsnaam 2] BV over de verkoop van de activa (van VV), en dat onder meer de koopsom van € 9.250.000,-- was overeengekomen. [gedaagde 1] heeft hierop gereageerd en heeft geschreven dat er van een akkoord met [eiser] nog geen sprake was, omdat eerst aan alle voorwaarden van [eiser] moet zijn voldaan wil hij medewerking verlenen aan verkoop aan [bedrijfsnaam 2] B.V.
(…)
Het hof acht in dit kader relevant dat [gedaagde 1] in deze e-mail van 5 februari 2018 niet verwijst naar de door hem opgestelde brief van enkele dagen eerder, 29 januari 2018, die volgens het standpunt van [eiser] in deze procedure de wilsovereenstemming tussen partijen zou belichamen, maar integendeel het aangaan van een geldlening van [eiser] aan Van Vliet BV daarin nu formuleert als een voorwaarde voor medewerking in plaats als een bevestiging van de wilsovereenstemming die op 29 januari zou zijn bereikt. Wat ook precies de reden van die e-mail van 5 februari van [gedaagde 1] aan [naam 3] is geweest blijft gissen, maar het ondergraaft het standpunt van [eiser] dat op 29 januari 2018 tussen partijen wilsovereenstemming is bereikt over een geldlening door [eiser] met bijbehorende afsluitprovisie van € 650.000. Die e-mail duidt er immers op dat van wilsovereenstemming (nog) geen sprake was.”
3.21.
Bij brief van 30 april 2025 stelde de advocaat van [eiser] [gedaagden] c.s. aansprakelijk voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde 1] in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
[gedaagden] c.s. veroordeelt tot betaling van € 6.121.874,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2025;
[gedaagden] c.s. veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] heeft niet als een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat gehandeld. [gedaagde 1] had de opdracht om de op 29 januari 2018 tussen [eiser] en [bedrijfsnaam 2] B.V. tot stand gekomen geldleningsovereenkomst goed vast te leggen. De rechtbank en het hof hebben vastgesteld dat [gedaagde 1] niet aan deze verplichting heeft voldaan. [gedaagden] c.s. is daarmee tekortgeschoten in de nakoming van de uit de opdracht voortvloeiende verplichtingen tegenover [eiser] . Volgens [eiser] is [gedaagden] c.s. aansprakelijk zowel uit hoofde van wanprestatie als onrechtmatige daad. De schade bestaat volgens [eiser] uit gemist voordeel en vergeefs gemaakte advocaat- en proceskosten.
4.3.
[gedaagden] c.s. voert verweer. [gedaagden] c.s. concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
4.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Inleiding
5.1.
De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of aansprakelijkheid van [gedaagde 1] wordt uitgesloten op grond van de algemene voorwaarden. Daarna zal de rechtbank beoordelen of er is voldaan aan de zorgplicht en zo nee, welke gevolgen dit zou moeten hebben.
Algemene voorwaarden
5.2.
[gedaagde 1] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zijn aansprakelijkheid wordt uitgesloten op grond van de algemene voorwaarden. Niet in geschil is dat op de overeenkomst van opdracht tussen [eiser] en [gedaagde 2] algemene voorwaarden van [gedaagde 2] van toepassing zijn. Partijen twisten over de vraag of de algemene voorwaarden vernietigbaar zijn en zo niet, of zij ook een vordering uit onrechtmatige daad uitsluiten. Mocht de rechtbank tot het oordeel komen dat de algemene voorwaarden niet vernietigbaar zijn en wel een vordering uit onrechtmatige daad uitsluiten, dan resteert de vraag of het beroep op de algemene voorwaarden door [gedaagde 1] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
5.3.
[eiser] beroept zich primair op vernietiging van de algemene voorwaarden van [gedaagde 2] op grond van artikel 6:233 aanhef Pro en onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW), omdat de door [gedaagde 1] ingeroepen bedingen (artikel 2 en Pro artikel 6) in de algemene voorwaarden volgens hem onredelijk bezwarend zijn. De algemene voorwaarden brengen hem in een aanzienlijk nadeligere positie, waardoor het evenwicht tussen partijen is verstoord. Daarnaast wist [eiser] niet beter dan dat hij zaken met [gedaagde 1] deed. [gedaagde 1] betwist deze stelling.
5.4.
Op grond van artikel 6:233 aanhef Pro en onder a BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar, indien het beding, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend (oneerlijk) is voor de wederpartij.
5.5.
De rechtbank acht de bedingen in de algemene voorwaarden waarop [gedaagde 1] zich beroept niet onredelijk bezwarend. Artikelen 2 en 6 bevatten gebruikelijke bedingen in de algemene voorwaarden, waarmee een eventuele aansprakelijkheid bij de B.V. wordt neergelegd. Dit betekent dus niet dat alle aansprakelijkheid wordt uitgesloten, maar enkel dat [gedaagde 1] zelf daarvoor niet meer aansprakelijk kan worden gesteld. [eiser] wordt daarmee dus niet in een aanzienlijk nadeligere positie gebracht, mede in aanmerking genomen dat [gedaagde 2] onbetwist draagkrachtig genoeg is. Voor deze beoordeling weegt ook mee dat [eiser] niet optreedt als consument, maar als een zakelijke partij. Hij verstrekt op regelmatige basis en gedurende een langere periode hoge geldleningen onder zakelijke condities aan derden bij de aankoop van bedrijven. Er is dus geen sprake van een ongelijk (machts-)evenwicht tussen partijen. Daarnaast maakt de enkele omstandigheid dat [eiser] er geen rekening mee had gehouden dat [gedaagde 1] niet aansprakelijk kan worden gesteld, niet dat de algemene voorwaarden daarom dus onredelijk bezwarend zijn. Er zijn geen andere omstandigheden gesteld of gebleken waaruit kan worden afgeleid dat de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend zijn. Dit betekent dat de algemene voorwaarden niet vernietigbaar zijn.
5.6.
De vraag is vervolgens of de algemene voorwaarden ook een aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad uitsluiten, zoals [gedaagde 1] stelt en [eiser] betwist.
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat de algemene voorwaarden een dergelijke aansprakelijkheid uitsluiten. Een redelijke uitleg van de uitsluiting van de artikelen 7:404 en 7:407 BW in de algemene voorwaarden, bezien in samenhang met de bepaling in de algemene voorwaarden dat [gedaagde 2] als opdrachtnemer moet worden beschouwd, brengt mee dat [eiser] , als opdrachtgever, ermee heeft ingestemd dat [gedaagde 1] ook niet op grond van onrechtmatige daad kan worden aangesproken. De situatie is daarmee vergelijkbaar met het door [gedaagde 1] aangehaalde arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 maart 2022 en niet zozeer met de door [eiser] aangehaalde uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 april 2025, waarbij sprake was van een andere formulering in de algemene voorwaarden en een consument als wederpartij, hetgeen hier, zoals hiervoor overwogen, niet het geval was. [1]
5.8.
Het beroep van [gedaagde 1] op de algemene voorwaarden, waaronder het derdenbeding in artikel 6, is ook niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 tweede Pro lid BW. [eiser] heeft in dit kader enkel naar voren gebracht dat zijn schadeclaim ineens ernstig wordt beperkt en dat het ertoe zou leiden dat [gedaagde 1] ongestraft fouten zou kunnen maken. De rechtbank stelt vast dat, zoals hiervoor ook overwogen, de algemene voorwaarden niet uitsluiten dat [eiser] [gedaagde 2] aanspreekt voor de gestelde fouten door [gedaagde 1] . Het zorgt er enkel voor dat [gedaagde 1] persoonlijk niet aansprakelijk kan worden gesteld. Er is dan ook geen sprake van een ernstige beperking van zijn schadeclaim.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn en dat een beroep daarop ertoe leidt dat [gedaagde 1] niet aansprakelijk is voor de door hem uitgevoerde werkzaamheden. Alle vorderingen die zijn ingesteld tegen [gedaagde 1] worden daarom afgewezen. De rechtbank zal hieronder verder gaan met de beoordeling van de vorderingen met betrekking tot [gedaagde 2] .
Zorgplicht [gedaagde 2]
5.10.
[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde 2] (via [gedaagde 1] ) niet heeft voldaan aan haar zorgplicht en heeft daartoe het volgende aangevoerd. [eiser] verwijt [gedaagde 1] dat hij tijdens de bespreking op 29 januari 2018 de overeenkomst tussen [eiser] en [naam 1] niet goed op papier heeft gezet, waardoor ook in de procedure bij deze rechtbank en het hof onvoldoende is komen vast te staan dat tussen [eiser] en [bedrijfsnaam 2] B.V. een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen. Volgens [eiser] had [gedaagde 1] de bereikte wilsovereenstemming tussen [eiser] en [naam 1] zo op papier moeten zetten dat [naam 1] gebonden was geweest en dat een overeenkomst tussen [eiser] en Van [bedrijfsnaam 2] B.V. tot stand was gekomen. [eiser] stelt dat [gedaagde 1] een andere tekst had moeten opnemen in het document van 29 januari 2018 te weten “
[eiser] verstrekt een lening aan [naam 1] als koper van de activa van Veilingweg vastgoed B.V.”in plaats van
[eiser] is bereid [naam 1] als koper een lening te verstrekken voor de koop van de activa van Veilingweg Vastgoed B.V.”Door dit niet te doen is [gedaagde 1] en daarmee [gedaagde 2] tekort geschoten in haar zorgplicht.
5.11.
[gedaagde 2] heeft betwist dat zij niet heeft voldaan aan haar zorgplicht en heeft daartoe het volgende aangevoerd. [eiser] heeft geen opdracht gegeven om de mondelinge afspraak vast te leggen. Voor zover dat wel het geval zou zijn geweest, zag dat alleen op de ‘bereidverklaring’ en niet op de geldleningsovereenkomst zelf. Daarvoor moesten immers nog specifieke afspraken worden gemaakt en daarbij was het van belang dat [eiser] zijn handen vrij had. Bovendien heeft [eiser] verklaard dat wat er op papier stond in overeenstemming was met wat er was afgesproken, dus ook in dat geval heeft [gedaagde 1] aan zijn zorgplicht voldaan.
5.12.
De rechtbank overweegt dat een opdrachtnemer bij de uitvoering van zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen als bedoeld in artikel 7:401 BW Pro. Het gaat daarbij om de vraag of [gedaagde 2] heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht.
5.13.
De rechtbank stelt voorop dat in het midden kan blijven of [eiser] [gedaagde 1] wel of niet opdracht heeft gegeven om de geldleningsovereenkomst op papier te zetten. In omstandigheden zoals in de onderhavige zaak waar partijen in overleg zijn geweest en vervolgens, zoals [gedaagde 1] ook zelf heeft verklaard, overeenstemming bereiken, mag van een advocaat worden verwacht dat hij het belang ervan inziet om die afspraak vervolgens ook goed en volledig op papier te zetten. Daarvoor is geen aparte opdracht nodig. Gelet op de verklaring van [gedaagde 1] dat hij in de veronderstelling was dat er overeenstemming was, had het ook op zijn weg gelegen om deze overeenstemming met een duidelijkere formulering op te nemen dan hij nu heeft gedaan. De stelling van [gedaagde 1] dat hij dat niet wilde doen omdat [eiser] zijn handen op een later moment vrij moest hebben, acht de rechtbank niet aannemelijk gelet op de inhoud van de tekst van het document van 29 januari 2018. Daarin staan duidelijk de verschillende, essentiële condities van de geldlening genoemd. In de tekst staat ook dat de condities moeten worden vastgelegd in een “standaard, zonder vreemde bepalingen op te maken” notariële akte. Ook dit duidt erop dat er overeenstemming was over de essentialia en dus ook zo kon worden vastgelegd. Uit zowel de vonnissen van de rechtbank als de arresten van het hof blijkt dat vooral de woorden “is bereid” van belang zijn geweest voor de beoordeling. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden had van [gedaagde 1] verwacht mogen worden dat hij zijn woorden zorgvuldiger had gekozen en duidelijker had vastgelegd dat er daadwerkelijk een geldlening was overeengekomen. Door dit niet te doen heeft [gedaagde 1] gehandeld in strijd met zijn zorgplicht. De omstandigheid dat [eiser] had gezegd dat “wat er op papier stond in overeenstemming was met wat er was afgesproken” maakt voorgaande conclusie niet anders. Het was immers niet ter beoordeling aan [eiser] of de tekst juridisch sluitend was.
5.14.
Uit het arrest van het hof van 25 juni 2024 blijkt dat ook belang wordt gehecht aan het feit dat [gedaagde 1] in zijn latere e-mail van 5 februari 2018 niet verwijst naar het document van 29 januari 2018 waarin wilsovereenstemming tussen partijen zou zijn bereikt. [gedaagde 1] formuleert in die e-mail het aangaan van de geldlening van [eiser] aan [bedrijfsnaam 2] B.V. als een voorwaarde voor medewerking, in plaats van als een bevestiging van de wilsovereenstemming die op 29 januari 2018 tussen partijen zou zijn bereikt. [2] Naar het oordeel van de rechtbank is dat ook een handeling die [gedaagde 1] kan worden toegerekend.
5.15.
De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde 2] de zorgplicht van een goed opdrachtnemer tegenover [eiser] niet in acht heeft genomen en toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht.
Causaal verband
5.16.
De vastgestelde toerekenbare tekortkoming leidt echter niet tot schadeplichtigheid. Daarvoor is het volgende doorslaggevend.
5.17.
Voor de vraag of een cliënt schade heeft geleden als gevolg van een beroepsfout van een advocaat moet de toestand zoals deze in werkelijkheid is, worden vergeleken worden met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. De stelplicht en bewijslast daarvan rust op degene die stelt dat sprake is van een tekortkoming of onrechtmatige daad.
5.18.
Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een causaal verband tussen de tekortkoming van [gedaagde 2] en de door [eiser] gestelde schade moet een vergelijking worden gemaakt tussen de situatie dat [gedaagde 1] de tekst niet goed op papier heeft gezet en de situatie dat hij de tekst wel goed op papier had gezet. De rechtbank oordeelt dat daaruit blijkt dat tussen de tekortkoming en de gestelde schade geen causaal verband is.
Ook als [gedaagde 1] de tekst wel goed op papier had gezet, was het immers niet aannemelijk dat Van Vliet het document van 29 januari 2018 zou hebben getekend. Dit volgt onder andere uit de verklaring van Van Vliet als getuige in de contra-enquête waarin hij op 16 oktober 2020 tegenover de rechter-commissaris – voor zover van belang – het volgende heeft verklaard:
“ [eiser] stond bij mij te boek als een heel dure en gekke financier. ik zei dat het hem
vrij stond mij financiering aan te bieden, maar dat of ik het zou accepteren aan mij
was. (…) Toen kwam [gedaagde 1] weer binnen met een papier dat hij aan mij gaf en hij zei tegen mij dat ik dit moest tekenen. Ik vroeg waarom en wat ik dan moest tekenen. Ik zei dat ik hier niets ging tekenen. (…) Het was heel duidelijk: ik wilde niet meer betalen en ik wilde wel een normale financier zoals de Rabobank. Dat heb ik ook expliciet gezegd. Als ik toen alle punten had doorgenomen had ik gezegd: wat is dit voor nonsens, Ik dacht dat het ging om tekenen ‘voor ontvangst’ en niet ‘voor akkoord’. (…) Ik zei toen ik een aanbod had gekregen, maar dat ik dat ook nog niet op papier had gekregen.” [3]
Conclusie
5.19.
Nu het causaal verband tussen de tekortkoming en de door [eiser] gestelde schade ontbreekt, zal ook de vordering ten aanzien van [gedaagde 2] worden afgewezen.
Proceskosten
5.20.
Hoewel de rechtbank tot de conclusie komt dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen, volgt uit het voorgaande dat eveneens wordt vastgesteld dat door [gedaagde 2] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht. Partijen zijn daarmee beiden gedeeltelijk in het (on)gelijk gesteld. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de proceskosten in te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
compenseert partijen in de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.C. Kool en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.

Voetnoten

1.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2446 en rechtbank Gelderland 9 april 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:2674.
2.Gerechtshof Den Haag 25 juni 2024, rov. 3.4.4
3.Proces-verbaal van de contra-enquête van deze rechtbank van 16 oktober 2020, pagina 4.