ECLI:NL:RBDHA:2026:19355

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL25.64054
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing afwijzing visumaanvraag wegens twijfel aan tijdige terugkeer

Eiseres heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om haar schoonbroer in Nederland te bezoeken. De minister wees de aanvraag af wegens twijfel aan de tijdige terugkeer, gebaseerd op onvoldoende sociale en economische binding met Marokko.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de zorg die eiseres draagt voor haar minderjarige en recent meerderjarige kinderen in Marokko niet zwaarder weegt. Deze zorg vormt een solide basis voor haar leven en terugkeer, wat onvoldoende is meegewogen.

Hoewel de economische binding minder onderbouwd is, is het gecombineerde beeld van sociale en economische binding onvoldoende beoordeeld. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, waarbij de sociale binding het volle gewicht moet krijgen.

Daarnaast wordt eiseres vrijstelling van griffierecht toegekend en wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van €1.868,-. De uitspraak is gedaan door rechter G. Schnitzler en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de visumaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over sociale binding en twijfel aan tijdige terugkeer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.64054

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Aboukir),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar visumaanvraag.
1.1.
Eiseres heeft op 16 juli 2025 een visum voor kort verblijf aangevraagd om haar schoonbroer [referent] (referent) te bezoeken. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 1 augustus 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 december 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank is van oordeel dat de minister de afwijzing van de visumaanvraag ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat er volgens hem redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Daartoe stelt de minister dat niet is gebleken van (voldoende) sociale en economische binding met Marokko. Als gevolg daarvan heeft de minister twijfels aan het opgegeven reisdoel van eiseres, namelijk kort verblijf. De minister heeft de aanvraag getoetst aan en afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, onder a, aanhef onder ii, en onder b, van de Visumcode.
Vrijstelling griffierecht
4. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het overgelegde formulier is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen.
Twijfel bij tijdige terugkeer
5. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat haar sociale binding met Marokko gering is. Ze draagt immers zorg voor haar minderjarige kind dat niet meereist naar Nederland en ook voor haar zieke vader. Zij stelt dan ook dat zij een zware, emotionele en juridische verplichting heeft om terug te keren naar Marokko.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom aan de omstandigheid dat het gezin van eiseres achterblijft in Marokko, niet meer gewicht is toegekend dan hij daaraan in het bestreden besluit heeft toegekend. Hierbij is van belang dat niet in geschil is dat het gezin bestaat uit een minderjarig kind en twee jongvolwassen kinderen. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat één van de jongvolwassen kinderen pas kort geleden meerderjarig is geworden en ook nog afhankelijk van haar is. Zij heeft daarbij gewezen op de overgelegde echtscheidingsstukken, waaruit volgt dat ten aanzien van zowel het minderjarige kind als het recent meerderjarige kind alimentatie wordt betaald door haar ex-partner. Dit ondersteunt de stelling van eiseres dat zij de zorg voor deze kinderen draagt. Anders dan de minister stelt, brengt dit niet ‘enige’ mate van sociale binding met zich mee, maar kan ervan worden uitgegaan dat dit de solide basis vormt van het leven van een persoon. De minister had hier in het bestreden besluit meer aandacht aan moeten besteden en dit op een indringendere wijze moeten betrekken in de besluitvorming.
7. De rechtbank kan op zichzelf het standpunt van de minister volgen dat eiseres de economische binding meer had kunnen onderbouwen of nader had kunnen toelichten. Daarmee is echter niet voldoende gemotiveerd waarom de sociale en economische binding, in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende waarborgen bieden voor de tijdige terugkeer van eiseres. De minister heeft onvoldoende gewicht toegekend aan de omstandigheid dat eiseres de zorg draagt voor haar minderjarige kind en haar recent meerderjarig geworden kind, waardoor het volledige beeld van de sociale en economische binding onvoldoende in ogenschouw is genomen.
8. Het voorgaande brengt mee dat het beroep gegrond is en dat het besluit geen stand kan houden. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met in achtneming van deze uitspraak. Daarbij zal de minister aan de sociale binding het volle gewicht moeten toekennen dat daaraan toekomt. Nu de twijfel van de minister over het reisdoel voortvloeit uit de twijfel over de tijdige terugkeer van eiseres, zal de minister ook dat onderdeel opnieuw moeten beoordelen.
9. De rechtbank merkt ten slotte op dat eiseres heeft aangevoerd dat zij zorg draagt voor haar zieke vader. Eiseres is na haar echtscheiding met haar kinderen bij haar ouders gaan wonen. Tegen die achtergrond ligt het in de reden om eiseres in de gelegenheid te stellen de door haar gestelde zorgtaken voor haar vader nader te onderbouwen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister krijgt hiervoor een termijn van zes weken.
11. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 2 december 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; en
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
7 juli 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.