ECLI:NL:RBDHA:2026:19364

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
09/297208-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 24c SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot ontploffing en mishandeling in relationeel conflict

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van een poging tot het tot ontploffing brengen van een vuurwerkbom bij de woning van de ouders van zijn ex-partner, en voor twee mishandelingen van deze ex-partner. De poging tot ontploffing werd gepleegd door een kwetsbare 18-jarige jongen die door verdachte was geronseld. Het explosief ontplofte niet doordat de jongen werd betrapt voordat hij het kon aansteken.

Daarnaast mishandelde verdachte zijn ex-partner op twee momenten, waaronder een incident op straat waarbij ook bedreigingen werden geuit. De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde openlijke geweld in vereniging, omdat onvoldoende bewijs was dat de vader van verdachte een wezenlijke bijdrage had geleverd.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van drie jaar op, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden zoals een contact- en locatieverbod. De vorderingen van de benadeelde partijen werden deels toegewezen, waarbij materiële en immateriële schade werden vastgesteld en verdachte werd veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk, wegens poging tot ontploffing en mishandeling met diverse schadevergoedingen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/297208-25
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2004 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
feitelijk verblijfadres: [adres 2] ,
op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 9 februari 2026, 15 april 2026 (alle pro forma) en 29 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Kooijmans en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. S. van der Eijk naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 29 juni 2026 - ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 4 november 2025 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 3] te ’s-Gravenhage en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meer zich in deze woning en/of aangrenzende woning(en) bevindend(e) perso(o)n(en) en/of een of meer perso(o)n(en) die zich in de directe omgeving/nabijheid van die woning bevonden te duchten was
- een explosief (te weten: een Cobra 8) bij (de voordeur) van die woning heeft geplaatst, althans een ontvlambaar en/of ontplofbaar voorwerp en/of een brandbare vloeistof, en/of
- (terwijl) hij drie, althans een of meer, aanstekers bij zich heeft gedragen, en/of - een open vuur bij het explosief heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 november 2025 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing (bij de woning gelegen aan de [adres 3] te ’s-Gravenhage), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoner(s) van de (aangrenzende) woning(en) en/of een of meer andere perso(o)n(en) te duchten is, opzettelijk voorwerpen en/of stoffen te weten (onder meer)
- een explosief (te weten: een Cobra8), althans een explosief materiaal, en/of een brandbare vloeistof, en/of
- drie, althans een of meer, aanstekers, althans één of meer (grondstoffen voor) materia(a)l(en) geschikt om, al dan niet in combinatie met elkaar, een ontploffing teweeg te brengen,(kennelijk) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 november 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 1] , [aangever 2] en/of [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door bij (de voordeur van) de woning gelegen aan de [adres 3] te ’s-Gravenhage een explosief (te weten: een Cobra 8), althans een ontvlambaar en/of ontplofbaar voorwerp en/of (daarbij) een brandbare vloeistof, te leggen;
2
hij op of omstreeks 30 oktober 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [aangever 3] heeft mishandeld, door [aangever 3] een of meermalen in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of schoppen;
3
hij op of omstreeks 30 oktober 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland openlijk, te weten, de Maurice Ravelweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [aangever 3] , door die [aangever 3]
- een of meermalen te schoppen tegen haar enkel(s), althans het lichaam, en/of
- dreigend de woorden toe te voegen: ‘Ik vermoord jou' en/of 'Jij gaat kofferbak in bij mij, jij staat op mijn lijstje, ik heb 6 maanden voorwaardelijk, jij staat bovenaan mijn lijstje’ en/of ‘Jij gaat zien wat ik met jou ga doen, die drie kinderen van jou he, wacht maar’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- (daarbij) voornoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) te filmen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 oktober 2025
te's-Gravenhage op of aan de Maurice Ravelweg
[aangever 3] heeft mishandeld, door die [aangever 3] een of meermalen te schoppen tegen haar enkel(s) en /of been, althans het lichaam.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
De strafzaak tegen de verdachte is onderdeel van meerdere conflicten in de relationele en familiaire sfeer.
In mei 2025 zijn de verdachte en [aangever 3] (hierna: [aangever 3] ) een relatie met elkaar aangegaan, terwijl [aangever 3] nog getrouwd was en met haar man en kinderen naast de familie van de verdachte woonde. Nadat de relatie tussen [aangever 3] en haar (ex-)man werd beëindigd, zijn de verdachte en [aangever 3] gaan samenwonen. De familie van de verdachte keurde de relatie af en op enig moment ontstonden er spanningen tussen de families van de verdachte en [aangever 3] . Sindsdien hebben er diverse (gewelds)incidenten plaatsgevonden over en weer, waaronder de verdenkingen van deze strafzaak.
Op 30 oktober 2025 heeft [aangever 3] aangifte gedaan tegen de verdachte. Op die dag zouden twee incidenten zijn voorgevallen. [aangever 3] zou eerst door de verdachte in zijn woning aan de [adres 1] te Den Haag zijn mishandeld. Vervolgens zou zij, met haar kinderen en een vriendin, onder dwang met de verdachte zijn meegereden naar de Maurice Ravelweg, waarna zij op straat zou zijn bedreigd en gefilmd door de vader van de verdachte en wederom zou zijn mishandeld door de verdachte.
Op 4 november 2025 omstreeks 21:00 uur werd bij de woning van de ouders van [aangever 3] aan het [adres 3] te Den Haag door een persoon een zelfgemaakt explosief, te weten zwaar vuurwerk (Cobra 8) met daaraan vastgemaakt een fles brandbare vloeistof, voor de voordeur geplaatst. Voordat het explosief kon worden aangestoken, werd de deur opengedaan, waarna deze persoon wegvluchtte. Na een achtervolging door onder andere de vader en de zwager van [aangever 3] kon de persoon worden aangehouden. Het bleek te gaan om [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Na zijn aanhouding heeft [medeverdachte] verklaard dat hij het explosief in opdracht van de verdachte bij de woning van de ouders van [aangever 3] heeft geplaatst en dat het ook de bedoeling was om het explosief daadwerkelijk aan te steken.
De verdachte wordt – kort samengevat – onder feit 1 primair verweten dat hij op 4 november 2025, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft geprobeerd een explosief tot ontploffing te brengen bij de woning van de ouders van [aangever 3] . Subsidiair is dit ten laste gelegd als het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen daartoe. Meer subsidiair is dit ten laste gelegd als (het medeplegen van) een bedreiging.
Voorts wordt de verdachte onder feit 2 verweten dat hij op 30 oktober 2025 [aangever 3] heeft mishandeld en onder feit 3 primair dat hij samen met zijn vader openlijk geweld heeft gepleegd tegen [aangever 3] . Subsidiair wordt de verdachte onder feit 3 mishandeling van [aangever 3] verweten.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van de onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de onder 1 subsidiair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten.
3.4.
Het oordeel van de rechtbank
3.4.1.
Vrijspraak ten aanzien van feit 3 primair
De rechtbank is met betrekking tot het onder 3 primair ten laste gelegde openlijke geweld in vereniging in de zin van artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafrecht van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
Uit de bewijsmiddelen kan onvoldoende worden afgeleid dat de vader van de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld op de Maurice Ravelweg, gepleegd door de verdachte, heeft geleverd. De enkele omstandigheid dat de vader van de verdachte aanwezig was, het incident heeft gefilmd en bedreigingen heeft geuit tegen [aangever 3] , is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat hij een wezenlijke materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht aan het door de verdachte gepleegde geweld heeft geleverd.
De rechtbank zal daarom de verdachte van dit feit vrijspreken.
3.4.2.
Bewezenverklaring van feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair
Bewijsoverweging feit 1 primair
Verklaringen [medeverdachte] en de verdachte
Vaststaat dat [medeverdachte] in opdracht van de verdachte handelde. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij onder bedreiging met een wapen een vuurwerkbom – die hij van de verdachte kreeg – moest plaatsen en aansteken. Hij moest zijn handelingen ook filmen en op snapchat plaatsen, maar dit heeft hij niet gedaan. Hij probeerde de vuurwerkbom aan te steken, maar dit lukte niet. Toen hij de deurklink van de voordeur hoorde, rende hij weg, aldus [medeverdachte] .
De verdachte heeft na zijn aanhouding maandenlang gezwegen over deze verdenking of ontkend erbij betrokken te zijn. Bijvoorbeeld bij de behandeling van de vordering tot gevangenhouding heeft de verdachte verklaard dat hij niets met de (poging tot) brandstichting te maken heeft, dat hij de jongen die het heeft gedaan, heeft gezien in het dossier en dat hij hem niet eens kent. Op 31 maart 2025, bijna vijf maanden na zijn aanhouding en twee weken voor de tweede zitting, heeft de verdachte verklaard dat hij aan [medeverdachte] tegen betaling de opdracht heeft gegeven om het explosief voor de woning van de ouders van [aangever 3] neer te leggen, als bedreiging. De aanleiding was de explosie voor de tabakswinkel van de verdachte op 31 oktober 2025, waarvan hij vermoedde dat deze door de familie van [aangever 3] was georganiseerd. Het explosief moest door [medeverdachte] niet worden aangestoken, maar [medeverdachte] heeft een eigen plan getrokken, aldus de verdachte. De verdachte zou zelfs op enig moment het plan hebben willen afblazen, maar [medeverdachte] zou hem hebben overtuigd om toch door te zetten, omdat hij geld nodig had.
Wilde de verdachte dat de vuurwerkbom ook werd aangestoken?
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of er sprake is van medeplegen met betrekking tot de poging tot het teweegbrengen van een explosie.
Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [medeverdachte] dat het de bedoeling was om het explosief daadwerkelijk aan te steken bij de woning en dat hij deze opdracht van de verdachte heeft gekregen. Deze verklaring wordt in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen.
  • Tijdens de aanhouding direct na het incident zijn in de broekzak van [medeverdachte] drie aanstekers aangetroffen.
  • In de woning waren meerdere familieleden van [aangever 3] aanwezig die het incident van dichtbij hebben meegemaakt.
Aangeefster [aangever 1] , de moeder van [aangever 3] , heeft van haar vierjarige kleinzoon [naam 1] , die op de gang van de woning aan het spelen was, gehoord dat hij iemand bij de voordeur en een “vlammetje” had gezien. De waarneming van [naam 1] vindt in grote mate mate steun in de verklaringen van [aangever 2] , de vader van [aangever 3] , en [naam 2] , een buurman die op bezoek was.
[aangever 2] heeft verklaard dat hij met zijn kleinzoon [naam 1] aan het spelen was en dat zijn kleinzoon een schaduw bij de deur zag en dacht dat zijn vader bij de deur stond. [naam 1] heeft de voordeur toen opengedaan, waarna hij (de vader van [aangever 3] ) zag dat een man opsprong en snel wegrende.
[naam 2] heeft verklaard dat zijn kleine buurjongen iemand bij de voordeur van hun woning zag staan en dat de buurjongen toen riep dat de jongen voor de deur een fles met een lont wilde aansteken.
  • Uit berichten uit een telefoon die bij de verdachte in gebruik was blijkt dat hij op 4 november 2025 om 20:59 uur (rond het tijdstip dat [medeverdachte] bij de bewuste woning was) in een chat met een derde persoon heeft bericht: “bel hem nog een keer”, “aub”, “hij moet gwn naar biven lopen” en “hij moet echt fixen”.
  • Uit forensisch onderzoek naar het geplaatste explosief blijkt dat de blauwe transparante fles met een inhoud van 1,5 liter volledig gevuld was met lichtgele transparante vloeistof die naar benzine rook.
  • De verdachte heeft op 31 maart 2026 verklaard dat hij heeft gezien hoe [medeverdachte] het flesje benzine bij de cobra stopte.
Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor het scenario van de verdachte, terwijl de verklaring van [medeverdachte] op meerdere essentiële punten steun vindt in het overige genoemde bewijs. Dat drie aanstekers bij [medeverdachte] zijn aangetroffen, dat personen in de woning hebben verklaard dat zij van [naam 1] hebben gehoord dat hij een vlammetje zag en dat een jongen een fles met een lont wilde aansteken en dat de fles volledig gevuld was met naar benzine ruikende vloeistof passen meer bij het scenario dat door [medeverdachte] wordt geschetst dan bij het scenario dat (uiteindelijk) door de verdachte wordt geschetst. De rechtbank schuift de verklaring van de verdachte dat de vuurwerkbom niet aangestoken moest worden dan ook als onaannemelijk terzijde.
Gevaarzetting
Het explosief werd geplaatst bij de voordeur van een galerijwoning, de enige uitgang van de woning, terwijl meerdere mensen, onder wie kleine kinderen, binnen waren. De ontploffing van een explosief onder deze omstandigheden levert zonder meer levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel op.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Bewijsmiddelen
De rechtbank heeft ten aanzien van onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot het teweegbrengen van een ontploffing in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
De rechtbank zal in de bijlage voor feiten 2 (mishandeling in de woning) en 3 subsidiair (mishandeling op straat) met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 4 november 2025 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan
het[adres 3] te ’s-Gravenhage en aangrenzende panden en de in voornoemde panden aanwezige goederen, en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten zich in deze woning bevindende personen en personen die zich in de directe omgeving/nabijheid van die woning bevonden,
te duchten was,
een explosief, te weten een Cobra 8, bij de voordeur van die woning heeft geplaatst en drie aanstekers bij zich heeft gedragen en open vuur bij het explosief heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 30 oktober 2025 te 's-Gravenhage [aangever 3] heeft mishandeld, door [aangever 3] in het gezicht en tegen het lichaam te slaan en te schoppen;
3
hij op 30 oktober 2025 te's-Gravenhage op de Maurice Ravelweg [aangever 3] heeft mishandeld, door die [aangever 3] te schoppen tegen haar enkel.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met [aangever 3] , een locatieverbod met elektronisch toezicht ten aanzien van de adressen de [adres 4] te Den Haag en het [adres 3] te Den Haag en een ambulante behandelverplichting. Voorts heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden gevorderd.
Tevens heeft zij een contactverbod met [aangever 3] voor de duur van vijf jaren als vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v lid 2 van het Wetboek van Strafrecht gevorderd, met het bevel dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van drie weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximale duur van zes maanden. Ook heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel gevorderd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen. Voorts heeft de raadsman voorgesteld om, gelet op de voorgeschiedenis van het conflict tussen de verdachte en [aangever 3] , de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van achttien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft in het kader van een conflict geprobeerd om een vuurwerkbom tot ontploffing te laten brengen bij een woning van de ouders van zijn ex-partner. Hij heeft hiervoor een kwetsbare 18-jarige jongen (vermoedelijk met ADHD en autisme, en vermoedelijk laagbegaafd) geronseld. Dat het explosief niet tot ontploffing is gebracht en de aanwezigen in de woning en hun buren er zonder (lichamelijk) letsel vanaf zijn gekomen is een omstandigheid die niet aan het handelen van de verdachte is te danken. Per toeval is de jongen betrapt voordat hij explosief daadwerkelijk heeft kunnen aansteken.
Het plegen van aanslagen met explosieven is in zijn algemeenheid een groot en toenemend maatschappelijk probleem dat leidt tot gevoelens van angst en grote onveiligheid in de samenleving en in het bijzonder voor de bewoners van de woning waar een explosief wordt neergelegd. Dat de poging een grote impact heeft gemaakt op de bewoners is ter terechtzitting in slachtofferverklaringen en het uitgeoefende spreekrecht indringend uiteengezet. De verdachte heeft zich om de gevolgen van zijn handelen niet bekommerd en heeft daarmee bijgedragen aan de ontstane angst, onrust en intimidatie. De rechtbank rekent dat de verdachte ernstig aan.
De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan twee mishandelingen van zijn toenmalige partner, waarbij hij haar ook op straat agressief heeft bejegend en geschopt. Door aldus te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Deze feiten zijn extra kwalijk, nu ook de drie minderjarige kinderen van deze toenmalige partner van de verdachte hiervan getuige zijn geweest.
Het strafblad van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 2 maart 2026.
Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld geweest voor soortgelijke feiten.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 20 januari 2026. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen. De verdachte functioneert leeftijdsadequaat en er lijkt geen sprake te zijn van een verstandelijke beperking. Gelet op de (destijds) ontkennende proceshouding van de verdachte heeft de reclassering het recidiverisico niet kunnen inschatten. Gezien de ernst van de feiten vindt de reclassering echter slachtofferbescherming met elektronische monitoring en een gedragsinterventie met toezicht geïndiceerd. Ook noemt de reclassering een beperkt probleeminzicht van de verdachte ten aanzien van zijn eigen aandeel in de mishandeling, waardoor de responsiviteit van een gedragsinterventie als laag wordt ingeschat. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en een contact- en locatieverbod met elektronisch toezicht. Voorts adviseert de reclassering de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht. De kans op een misdrijf met schade voor personen is naar de mening van de reclassering groot.
Volwassenenstrafrecht
De rechtbank ziet geen aanleiding het adolescentenstrafrecht toe te passen. Zij verwijst daarbij naar het advies van de reclassering dat zij overneemt. Ook ter zitting heeft de rechtbank de indruk gekregen dat de verdachte leeftijdsadequaat is. De verdachte functioneert zelfstandig, is een ondernemer en is niet afhankelijk van pedagogische hulp.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Tevens heeft de rechtbank in bijzondere mate de ernst van met name het onder 1 primair bewezenverklaarde poging tot ontploffing in aanmerking genomen. Een daadwerkelijke ontploffing had niet alleen tot forse schade, maar ook zwaar of dodelijk letsel bij de aanwezigen in de woning kunnen leiden. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de berekende proceshouding van de verdachte. Hij heeft niet geheel openheid van zaken gegeven en geen volledige verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Hoewel de rechtbank de frustraties van de verdachte na de explosie bij zijn tabakswinkel enigszins begrijpt, had hij nooit voor eigen rechter mogen spelen. Overigens, wat daar ook van zij, heeft (de familie van) [aangever 3] hun betrokkenheid ontkend en is de rechtbank ook anderszins niet gebleken dat (de familie van) [aangever 3] iets met de explosie bij de tabakszaak van de verdachte te maken heeft gehad.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk, passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist. Daarbij heeft de rechtbank met name rekening gehouden met de jonge leeftijd van de verdachte. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de straf een proeftijd van drie jaren en de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en zo de kans op recidive terug te dringen. Bij het op te leggen contactverbod met [aangever 3] zal de rechtbank geen elektronisch toezicht opleggen, nu de rechtbank hierin geen meerwaarde ziet, omdat het adres van [aangever 3] onbekend is.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie misdrijven die zijn gericht tegen en/of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van dat artikel uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Daarbij heeft de rechtbank mede in overweging genomen dat naar haar indruk het conflict tussen (de familie van) de verdachte en (de familie van) [aangever 3] nog niet geheel is opgelost.
De rechtbank acht ook een locatieverbod ten aanzien van de adressen de [adres 4] te Den Haag (het adres van de vader van de kinderen van [aangever 3] ) en het [adres 3] te Den Haag en een contactverbod ten aanzien van [aangever 3] ex artikel 38v lid 2 van het Wetboek van Strafrecht geïndiceerd. Gelet op hetgeen is aangevoerd door de advocaat van de slachtoffers acht de rechtbank tevens een contactverbod ten aanzien van de ouders van [aangever 3] , te weten [aangever 1] en [aangever 2] , ex artikel 38v lid 2 van het Wetboek van Strafrecht geïndiceerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod ten aanzien van de overige familieleden van [aangever 3] op te leggen, zoals verzocht door hun advocaat. Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon, zal de rechtbank tevens bevelen, gelet op artikel 38v lid 4 van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 3]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 40.330,49 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 20.330,49 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade.
[benadeelde 4]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 1.500,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[aangever 1]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 9.836,01 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.336,01 aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade.
[benadeelde 2]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 3.000,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[aangever 2]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 5.000,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[benadeelde 1]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 5.000,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[benadeelde 3]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 3.000,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[naam 1]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.000,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Voor zover het gaat om minderjarige kinderen hebben hun wettelijk vertegenwoordigers de vorderingen ingediend.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, omdat de vorderingen van de benadeelde partijen te laat zijn ingediend. Hierdoor is het voor de raadsman niet mogelijk om gedegen verweer te voeren. De raadsman is van mening dat deze gang van zaken strijd oplevert met de goede procesorde.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen ten aanzien van de gevorderde immateriële schade (sterk) gematigd moeten worden.
Ten aanzien van de materiële schade met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] heeft de raadsman afwijzing van de posten huur, auto en telefoon verzocht, nu deze kosten geen rechtstreekse schade door de bewezenverklaarde feiten betreft. Ten aanzien van de posten rechtsbijstand, zorgkosten en verhuiskosten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de post toekomstige schade heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.
Ten aanzien van de materiële schade met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de post toekomstige schade. Ten aanzien van de overige posten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat naar de mening van de raadsman met een vergoeding van één brandblusser kan worden volstaan.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
7.3.1.
Het verzoek tot aanhouding van de raadsman
Volgens artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering kan een vordering tot schadevergoeding tot het moment van het requisitoir van de officier van justitie ingediend worden. De onderhavige vorderingen zijn zes dagen voor de zitting ingediend. Verder zijn de vorderingen niet heel uitgebreid, ingewikkeld of complex. De rechtbank is van oordeel dat er in de onderhavige situatie – gelet op het tijdstip van toezenden van de vorderingen en de inhoud daarvan – voldoende gelegenheid is geweest voor de verdediging om naar voren te brengen wat zij ter staving van haar verweer tegen de vorderingen kan aanvoeren. Van strijd met de goede procesorde is dan ook sprake. De rechtbank ziet dan ook geen reden om deze zaak aan te houden. Aan het voorwaardelijke verzoek van de raadsman tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte komt de rechtbank dan ook niet toe.
7.3.2.
De vordering van [aangever 3]
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post verhuiskosten ter hoogte van € 87,95, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Deze post kan dan ook toegewezen worden. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 2 en 3 subsidiair bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank maakt ten aanzien van de post zorgkosten gebruik van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek), omdat de omvang van de geleden (materiële) schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat niet goed is vast te stellen welk deel van deze schade door toedoen van de bewezenverklaarde feiten is ontstaan. De benadeelde partij alsnog de gelegenheid geven de vordering op dit onderdeel verder te onderbouwen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank is van oordeel dat – in ieder geval – de helft van deze schade aan de verdachte toegerekend kan worden en stelt daarom de schade vast op € 740,-.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten telefoon, huur en auto, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien onvoldoende is onderbouwd dat deze posten rechtstreekse schade betreffen, toegebracht door de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij alsnog de gelegenheid geven de vordering op dit onderdeel verder te onderbouwen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ten aanzien van de post toekomstige schade zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaring in haar vordering. De rechtbank overweegt dat het - binnen de grenzen van het strafproces - ingewikkeld is om de hoogte van toekomstige schade vast te stellen. Enige feiten en omstandigheden om de aard en de omvang van deze schade al dan niet voor een deel concreet te kunnen vaststellen, zijn ook niet aangevoerd. De benadeelde partij alsnog de gelegenheid daartoe geven zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de onder 2 en 3 subsidiair bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat door en namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.827,95, bestaande uit € 827,95 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen ten aanzien van een bedrag van € 1.000,- met ingang van 30 oktober 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen
- ten aanzien van een bedrag van € 87,95 met ingang van 3 november 2025;
- ten aanzien van een bedrag van € 740,- met ingang van 6 maart 2026,
omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op € 176,-, zijnde de kosten voor de eigen bijdrage ten behoeve van rechtsbijstand. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de onder 2 en 3 subsidiair bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.827,95, vermeerderd met de wettelijke rente:
- vanaf 30 oktober 2025 over een bedrag van € 1.000,-;
- vanaf 3 november 2025 over een bedrag van € 87,95;
- vanaf 6 maart 2026 over een bedrag van € 740,-,
tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] .
7.3.3.
De vordering van [benadeelde 4]
De benadeelde partij is getuige geweest van de mishandelingen van haar moeder [aangever 3] en vordert daarom immateriële schade.
Niet is gebleken dat bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel objectief vastgesteld door een arts of door een deskundige. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij niet zonder meer met zich brengen dat bij de benadeelde partij sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Daarvoor moet de benadeelde partij dit met concrete gegevens onderbouwen, waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarin is de benadeelde partij (nog) niet geslaagd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.
7.3.4.
De vordering van [aangever 1]
Materiële schade
Ten aanzien van de post toekomstige schade zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaring in haar vordering. De rechtbank overweegt dat het - binnen de grenzen van het strafproces – ingewikkeld is om de hoogte van toekomstige schade vast te stellen. Enige feiten en omstandigheden om de aard en de omvang van deze schade al dan niet voor een deel concreet te kunnen vaststellen, zijn ook niet aangevoerd. De benadeelde partij alsnog de gelegenheid daartoe geven zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit. De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten camera’s, brandblussers, deurplaat en medicatie, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Deze posten kunnen dan ook toegewezen worden.
Immateriële schade
Niet is gebleken dat bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel objectief vastgesteld door een arts of door een deskundige, maar de rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij met zich brengen dat bij de benadeelde partij sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De benadeelde partij betreft immers een vaste bewoner van de woning waar het explosief werd geplaatst. Gelet op wat door en namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.336,01, bestaande uit € 336,01 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen ten aanzien van een bedrag van € 1.000,- met ingang van 4 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van een bedrag van € 336,01 toewijzen met ingang van 18 juni 2026 (datum indiening vordering), nu onduidelijk is wanneer de desbetreffende kosten zijn gemaakt.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor beiden aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan een benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan die benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.336,01, vermeerderd met de wettelijke rente:
- vanaf 4 november 2025 over een bedrag van € 1.000,-;
- vanaf 18 juni 2026 over een bedrag van € 336,01;
tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] .
Ook hier geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de Staat heeft betaald, dat deel van de schadevergoedingsmaatregel niet meer aan de Staat hoeft te betalen.
7.3.5.
De vordering van [benadeelde 2]
Niet is gebleken dat bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel objectief vastgesteld door een arts of door een deskundige. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij niet zonder meer met zich brengen dat bij de benadeelde partij sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Daarvoor moet de benadeelde partij dit met concrete gegevens onderbouwen, waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarin is de benadeelde partij (nog) niet geslaagd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.
7.3.6.
De vordering van [aangever 2]
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit. Er is bij de benadeelde partij geen sprake van objectief vastgesteld geestelijk letsel door een arts of door een deskundige en de benadeelde partij had al gezondheidsklachten voor het gepleegde feit, maar de rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij met zich brengen dat bij de benadeelde partij sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De benadeelde partij betreft immers een vaste bewoner van de woning waar het explosief werd geplaatst. Gelet op wat door en namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 500,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 500,-, bestaande uit immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 4 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor beiden aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] .
Ook hier geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de Staat heeft betaald, dat deel van de schadevergoedingsmaatregel niet meer aan de Staat hoeft te betalen.
7.3.7.
De vordering van [benadeelde 1]
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij niet zonder meer met zich brengen dat bij de benadeelde partij sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Daarvoor moet de benadeelde partij dit met concrete gegevens onderbouwen, waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarin is de benadeelde partij (nog) niet geslaagd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.
7.3.8.
De vordering van [benadeelde 3]
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij niet zonder meer met zich brengen dat bij de benadeelde partij sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Daarvoor moet de benadeelde partij dit met concrete gegevens onderbouwen, waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarin is de benadeelde partij (nog) niet geslaagd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.
7.3.9.
De vordering van [naam 1]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit. Er is bij de benadeelde partij geen sprake van objectief vastgesteld geestelijk letsel door een arts of door een deskundige, maar de rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij met zich brengen dat bij de benadeelde partij sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De benadeelde partij, een vierjarige jongen, werd direct en van dichtbij geconfronteerd met het moment waarop de persoon het explosief bij de voordeur van de woning van zijn grootouders heeft gelegd. Het is zonder meer aannemelijk dat dit beangstigend en schokkend voor de benadeelde partij is geweest, mede gelet op zijn zeer jonge leeftijd. Gelet op wat door en namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 4 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor beiden aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam 1] .
Ook hier geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de Staat heeft betaald, dat deel van de schadevergoedingsmaatregel niet meer aan de Staat hoeft te betalen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en/of maatregelen zijn gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 38v, 38w, 45, 47, 57, 157 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 primair
het medeplegen van poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
ten aanzien van feit 2
mishandeling;
ten aanzien van feit 3 subsidiair
mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (DRIE) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
1 (EEN) JAAR, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de hierbij op
3 (DRIE) JARENvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland aan de [adres 5] , op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van forensische polikliniek De Waag, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering de behandeling nodig vindt, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven. De verdachte werkt mee aan het opstellen van diagnostiek indien de behandelaar dit wenselijk vindt;
- gedurende de proeftijd zich onthoudt van ieder – direct of indirect – contact met [aangever 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2001, tenzij met voorafgaande schriftelijke toestemming van de reclassering;
- zich gedurende de proeftijd niet bevindt in een cirkel van 250 meter rondom de
[adres 4] te Den Haag en in de directe omgeving van het [adres 3] te Den Haag, namelijk het gebied tussen de [straat 1] , [straat 2] , [straat 3] en de [straat 4] , zolang als de
reclassering dit noodzakelijk acht. De verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van de locatieverboden;
- gedurende de proeftijd Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
beveelt dat bovengenoemde
bijzondere voorwaardenen het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
legt op de maatregel:
- dat de verdachte
voor de duur van vijf (5) jarenop geen
enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangever 3], geboren op [geboortedatum 2] 2001,
[aangever 1], geboren op [geboortedatum 3] 1974, en
[aangever 2], geboren op [geboortedatum 4] 1972;
- dat de verdachte zich
voor de duur van vijf (5) jaren niet bevindt in een cirkel van 250 meter rondom de [adres 4] te Den Haagen
in de directe omgeving van het [adres 3] te Den Haag, namelijk het gebied tussen de [straat 1] , [straat 2] , [straat 3] en de [straat 4] ;
beveelt dat
vervangende hechtenis zal worden toegepastvoor de duur van
drie (3) wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximale duur van zes maanden vervangende hechtenis, waarbij de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
beveelt, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde
maatregel dadelijk uitvoerbaaris;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] (feiten 2 en 3)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.827,95 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover:
- vanaf 30 oktober 2025 over een bedrag van € 1.000,-;
- vanaf 3 november 2025 over een bedrag van € 87,95;
- vanaf 6 maart 2026 over een bedrag van € 740,-,
tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan
[aangever 3];
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op € 176,-, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.827,95, vermeerderd met de wettelijke rente daarover:
- vanaf 30 oktober 2025 over een bedrag van € 1.000,-;
- vanaf 3 november 2025 over een bedrag van € 87,95,-;
- vanaf 6 maart 2026 over een bedrag van € 740,-,
tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[aangever 3];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van achttien (18) dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] (feiten 2 en 3)
bepaalt dat de benadeelde partij
[benadeelde 4]niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] (feit 1)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.336,01 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover:
- vanaf 4 november 2025 over een bedrag van € 1.000,-;
- vanaf 18 juni 2026 over een bedrag van € 336,01,
tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan
[aangever 1];
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.336,01, vermeerderd met de wettelijke rente daarover:
- vanaf 4 november 2025 over een bedrag van € 1.000,-;
- vanaf 18 juni 2026 over een bedrag van € 336,01,
tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[aangever 1];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van dertien (13) dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de Staat heeft betaald, dat deel van de schadevergoedingsmaatregel niet meer aan de Staat hoeft te betalen;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1)
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;
de vordering van [aangever 2] (feit 1)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 500,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan
[aangever 2];
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[aangever 2];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van vijf (5) dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de Staat heeft betaald, dat deel van de schadevergoedingsmaatregel niet meer aan de Staat hoeft te betalen;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van [benadeelde 1] (feit 1)
bepaalt dat de benadeelde partij
[benadeelde 1]niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] (feit 1)
bepaalt dat de benadeelde partij
[benadeelde 3]niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [naam 1] (feit 1)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.000,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan
[naam 1];
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[naam 1];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van tien (10) dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de Staat heeft betaald, dat deel van de schadevergoedingsmaatregel niet meer aan de Staat hoeft te betalen;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Tsjapanova, voorzitter,
mr. S.M. Krans, rechter,
mr. G. Kuijper, rechter,
in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 juli 2026.