ECLI:NL:RBDHA:2026:19365

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36364
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106, eerste lid, Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

De minister van Asiel en Migratie heeft aan eiser, die van Marokkaanse nationaliteit is en in 2000 is geboren, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd vanwege het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. De rechtbank heeft het beroep tegen deze maatregel behandeld en direct uitspraak gedaan.

De minister baseerde de maatregel op meerdere gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het niet naleven van een terugkeerbesluit, onvoldoende medewerking aan het vaststellen van identiteit en het verstrekken van onjuiste gegevens. De rechtbank achtte deze gronden voldoende gemotiveerd en aannemelijk om het onderduikrisico te onderbouwen.

Verder oordeelde de rechtbank dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting, onder meer door het voeren van een vertrekgesprek en het aanvragen van een nieuwe laissez passer. Hoewel eiser psychische problemen heeft en het zwaar heeft in detentie, achtte de rechtbank de voortzetting van de bewaring niet onevenredig bezwarend. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.36364

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in

de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 30 juni 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2000, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Akachar als tolk en de gemachtigde van de minister.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

2. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in ieder geval de gronden a, b, c en d heeft kunnen tegenwerpen en dat hij in de maatregel voldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom daaruit volgt dat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Eiser is in 2019 zonder geldig reisdocument naar Nederland gereisd en hij zich gedurende lange tijd aan het toezicht onttrokken. Ook heeft eiser geen gevolg gegeven aan het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 14 augustus 2025, maar is hij in plaats daarvan naar Zwitserland vertrokken om daar een verblijfsaanvraag te doen. Daarbij heeft eiser zich in de loop der jaren bediend van diverse aliassen en heeft hij geen aantoonbare actie ondernomen om zijn werkelijke identiteit en nationaliteit aan te tonen met documenten. Deze vier gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden van de maatregel hoeft daarom niet te worden besproken. De beroepsgrond slaagt niet.
3. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan eisers uitzetting werkt. Op 6 juli 2026, de zevende dag van de inbewaringstelling, heeft de minister een vertrekgesprek gevoerd met eiser en is een vluchtaanvraag gedaan. Ook is om een nieuwe laissez passer verzocht bij de Marokkaanse autoriteiten, omdat de geldigheid van de eerder afgegeven laissez passer was verlopen. Dat acht de rechtbank voldoende voortvarend. Dat niet eerder om een nieuwe laissez passer is verzocht maakt dat niet anders, omdat eiser tot voor kort nog in de asielprocedure zat en hij dus niet kon worden uitgezet. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
4. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat het voortduren van de bewaring niet onevenredig bezwarend moet worden geacht. Dat eiser het zwaar heeft in detentie en psychische problemen heeft is zonder meer vervelend, maar dat maakt niet direct dat de bewaring niet langer kan voortduren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser zich nog niet heeft gemeld bij de medische dienst in het detentiecentrum en dat niet is gebleken dat hij niet kan worden geholpen door die medische dienst. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.