ECLI:NL:RBDHA:2026:19366

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35739
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking toezicht

De minister van Asiel en Migratie heeft aan eiser, een Hongaarse vreemdeling, op 27 juni 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd wegens risico op onttrekking aan toezicht en belemmering van uitzettingsprocedure.

Eiser heeft het beroep tegen deze maatregel ingesteld, dat gelijkgesteld wordt met een verzoek om schadevergoeding. Tijdens de zitting op 7 juli 2026 was eiser niet aanwezig, wel de gemachtigde van de minister.

De rechtbank overweegt dat de minister voldoende gronden heeft aangevoerd, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen, eerdere kennisgevingen tot vertrek die niet zijn opgevolgd, het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. Eiser heeft deze gronden niet betwist.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtmatigheid van de maatregel te betwijfelen en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen en eiser krijgt geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.35739

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in

de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Stap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 27 juni 2026 heeft de minister aan eiser, die de Hongaarse nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedag] 1987, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

1. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
1.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet betwist en hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3. De rechtbank ziet in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond voor het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]
4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.