ECLI:NL:RBDHA:2026:19371
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid voorzieningenrechter bij verzoek onderwijs minderjarige wegens ontbreken aanvraag
Verzoekers, ouders van een minderjarige zoon die geen onderwijs volgt, hebben een beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om onderwijs te realiseren.
De voorzieningenrechter beoordeelt dat het verzoek niet kwalificeert als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, omdat het geen verzoek betreft om een besluit te nemen op basis van een publiekrechtelijke bevoegdheid van verweerder. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, beschikt niet over de bevoegdheid om onderwijs te regelen voor de zoon van verzoekers.
Daarom is er geen sprake van een besluit of een met een besluit gelijk te stellen handeling waarop het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening kunnen worden gericht. De voorzieningenrechter verklaart zich dan ook onbevoegd kennis te nemen van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening.
Verzoekers worden geadviseerd zich te richten tot het SPOHH voor zaken omtrent toelaatbaarheid tot speciaal onderwijs. De rechtbank draagt de griffier op het betaalde griffierecht terug te storten aan verzoekers.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar op 15 juli 2026 door voorzieningenrechter A.M. de Wit.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening wegens ontbreken van een aanvraag in de zin van de Awb.