ECLI:NL:RBDHA:2026:19379

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
09/239152-25 (dagvaarding I), 09/055917-26 (dagvaarding II, ttz. gev.) en 10/138995-23 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor reeks diefstallen met gebruik van gehengelde sleutels en woninginbraken

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor een reeks van zeventien diefstallen van sleutels uit brievenbussen middels hengelen en twaalf diefstallen uit woningen en een kelderbox, inclusief een poging tot diefstal. De feiten vonden plaats tussen april en augustus 2025 in Den Haag en Eindhoven. De verdachte gebruikte de gestolen sleutels om woningen binnen te dringen en goederen weg te nemen.

Het bewijs bestond uit onder meer camerabeelden, aangetroffen gestolen sleutels en goederen in de woning van de verdachte, en DNA-sporen. De rechtbank hanteerde schakelbewijs vanwege de overeenkomstige modus operandi bij de verschillende incidenten. De verdediging voerde vrijspraak aan wegens gebrek aan bewijs, maar dit werd verworpen.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, het strafblad en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder psychiatrische rapporten die een hoge kans op recidive aangeven. De opgelegde straf is 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden zoals behandeling en reclasseringstoezicht.

Vorderingen van benadeelde partijen werden deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen wegens gebrek aan meerwaarde. Het vonnis werd uitgesproken op 13 juli 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en deels toegewezen schadevergoedingen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/239152-25 (dagvaarding I), 09/055917-26 (dagvaarding II, ttz. gev.) en 10/138995-23 (tul)
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 24 december 2025, 11 maart 2026 (beide alleen ten aanzien van parketnummer 09/239152-25), 11 mei 2026 (alle pro forma) en 29 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Starrenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.T.C. Castermans naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van dagvaarding I
1
hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2025 tot en met 10 september 2025 te 's-Gravenhage en/of Eindhoven, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, sleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
- (2.1) [aangever 1] en/of
- (2.2) [aangever 2] en/of
- (2.3) [aangever 3] en/of
- (2.4) [aangever 4] en/of
- (2.5) [aangever 5] en/of
- (2.6) [aangever 6] en/of
- (2.7) [aangever 7] en/of
- (2.8) [aangever 8] en/of
- (2.9) [aangever 9] en/of
- (2.10) [aangever 10] en/of
- (2.12) [aangever 11] en/of
- (2.13) [aangever 12] en/of
- (2.14) [aangever 13] en/of
- (2.15) [aangever 14] en/of [aangever 15] en/of
- (2.16) [aangever 16] en/of
- (2.17) [aangever 17]
in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij, op één of meer tijstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 april 2025 tot en met 10 september 2025 te 's-Gravenhage en/of Eindhoven, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal in woning(en) op/aan de:
- (2.1) [adres 2] te 's-Gravenhage en/of
- (2.5) [adres 3] te 's-Gravenhage en/of
- (2.8) [adres 4] te 's-Gravenhage en/of
- (2.9) [adres 5] te 's-Gravenhage en/of
- (2.10) [adres 6] te 's-Gravenhage en/of
- (2.12) [adres 7] te 's-Gravenhage en/of
- (2.14) [adres 8] te Eindhoven en/of
- (2.15) [adres 9] te Eindhoven en/of
- (2.16) [adres 10] te ’s-Gravenhage en/of
- (2.17) [adres 11] te ‘s-Gravenhage
de kelderbox behorende bij de woning aan de:
- (2.13) [adres 12] te 's-Gravenhage
alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, meerdere goederen, waaronder:
horloges, LP's, juwelen, sieraden, zonnebrillen, kleding, geld, oude munten, koffer, statieven, telescoop, apparatuur, airsoftwapen, creditcard en een autosleutel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
[aangever 1] , [aangever 5] , [aangever 8] , [aangever 9] , [aangever 10] , [aangever 11] , [aangever 14] , [aangever 15] , [aangever 16] en/of [aangever 17] in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van meerdere gestolen huissleutels waartoe verdachte niet gerechtigd was;
3
hij op of omstreeks 22 april 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning op/aan de [adres 13] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 6] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, immers heeft hij, verdachte,
- de huissleutels van voornoemde woning uit de brievenbus heeft gestolen en/of
- met die gestolen huissleutels de toegang verschaft tot voornoemde woning zonder daartoe gerechtigd te zijn,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van dagvaarding IIhij op of omstreeks 9 juli 2025 te 's-Gravenhage, in een woning op/aan het [adres 14] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, meerdere goederen, waaronder: sieraden, horloges, basgitaar met case, fototoestel, tassen, kleding en zonnebril, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 18] en/of [aangever 19] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door zich de toegang tot de woning te verschaffen middels een sleutel waartoe verdachte niet gerechtigd was.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
De zaak tegen de verdachte is onderdeel van een strafrechtelijk onderzoek genaamd Vigo. Dat onderzoek is gestart naar aanleiding van het navolgende.
Op 3 juni 2025 omstreeks 5:00 uur heeft de verdachte op de Diamanthorst te Den Haag als bestuurder van zijn auto een dodelijk verkeersongeval veroorzaakt, waarbij hij de plaats van het ongeval heeft verlaten.
Op dezelfde dag in de avond werd de verdachte geobserveerd waarbij bleek dat hij een zwarte rugtas bij zich droeg. De verdachte werd vervolgens voor voornoemd ongeval op 4 juni 2025 in zijn woning aan de [adres 15] te Dordrecht aangehouden. In die woning is de zwarte rugtas met daarin onder andere zeventien sleutelbossen en tien sleutels in beslag genomen. Na onderzoek bleken de sleutels bij verschillende woningen in appartementencomplexen te behoren. Het vermoeden ontstond dat de verdachte (reserve)sleutels van woningen middels hengelen uit de brievenbussen in de centrale hal had weggenomen. Bij een deel van die woningen werden vermoedelijk de gehengelde sleutels vervolgens gebruikt om de desbetreffende woning te betreden en werden in die woning verschillende goederen weggenomen.
Na nader onderzoek, waaronder de doorzoeking van de woning van de verdachte op 10 september 2025, werden zeventien incidenten aan de verdachte gelinkt.
De verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij zeventienmaal sleutels heeft weggenomen uit brievenbussen middels hengelen (dagvaarding I feit 1), dat hij elfmaal door gebruik te maken van deze weggenomen sleutels diefstallen heeft gepleegd uit de desbetreffende woningen, dan wel kelderbox (dagvaarding I feit 2) en dat hij bij een woning heeft geprobeerd in te breken door gebruik te maken van een weggenomen sleutel (dagvaarding I feit 3). Voorts wordt de verdachte een andere woninginbraak verweten (dagvaarding II).
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van dagvaarding I feit 1 met betrekking tot de incidenten 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.6, 2.16 en 2.17, feit 2 met betrekking tot de incidenten 2.1, 2.5, 2.10, 2.16 en 2.17 en feit 3 wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van de overige incidenten van dagvaarding I feiten 1 en 2 en ten aanzien van dagvaarding II heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de bij dagvaarding I onder 1, 2 en 3 en de bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten wettig en overtuigd zijn bewezen.
De rechtbank stelt allereerst het volgende vast. De verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zeventien diefstallen van sleutels, elf diefstallen uit woningen, dan wel een kelderbox, en een poging tot diefstal uit een woning. Voor elk van die zaken moet dus wettig en overtuigend bewijs bestaan.
Schakelbewijs
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gebruik van bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan andere, soortgelijke feiten, onder omstandigheden is toegelaten als steunbewijs (in de vorm van zogenoemd schakelbewijs). Voor een bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer strafbare feiten betrokken was. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomende manier van werken (modus operandi) kunnen worden betrokken de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen die feiten zich hebben voorgedaan, de omstandigheden waarmee die zijn omgeven en het betreffende handelen van de verdachte, alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Het bewijs in elk van de zaken kan over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Modus operandi en betrokkenheid van de verdachte
De rechtbank stelt vast dat elk van de ten laste gelegde incidenten, met uitzondering van incident 2.10, volgens dezelfde modus operandi is gepleegd. In alle zaken werden in appartementencomplexen de (reserve)sleutels van de aangevers middels ‘hengelen’ uit hun brievenbussen in de centrale hal weggenomen. Een deel van de weggenomen sleutels werd daarna gebruikt om de woningen of de kelderbox van de aangevers wederrechtelijk binnen te dringen, waarna diverse goederen werden weggenomen. In een aantal gevallen blijkt uit de beschikbare camerabeelden van de centrale hal van het appartementencomplex dat de persoon die de sleutel uit de brievenbussen heeft gehengeld eerst in de nachtelijke uren met een camera van een mobiele telefoon diverse brievenbussen naliep of daarin sleutels aanwezig waren, waarna sleutels uit de brievenbussen werden gehengeld. De desbetreffende persoon kwam dan later op de dag weer terug om de diefstallen te plegen. Ook blijkt uit de beschikbare camerabeelden dat in een aantal gevallen eerst werd aangebeld bij de desbetreffende woning om te controleren of de bewoners thuis waren, voordat de woning met de gestolen sleutel werd betreden.
De incidenten gebeurden alle in dezelfde periode en, op twee na, in Den Haag.
De omstandigheid dat de modus operandi in de verschillende zaken op essentiële punten hetzelfde is, zoals hierboven uiteengezet, maakt dat bij elk van de aan de orde zijnde ten laste gelegde incidenten het bewijs uit die andere incidenten (ook) kan worden gebruikt (namelijk als steunbewijs). Dat zal de rechtbank ook doen, behalve bij incident 2.10.
Met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij elk van de ten laste gelegde incidenten merkt de rechtbank daarnaast het volgende op.
Ten aanzien van de incidenten 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.5, 2.6, 2.7 en 2.17 zijn de weggenomen sleutels in de woning van de verdachte aangetroffen.
Ten aanzien van de incidenten 2.1, 2.12, 2.13, 2.14, 2.15 en 2.16 is een deel van de weggenomen goederen in de woning van de verdachte aangetroffen. Bij de incidenten 2.1 en 2.12 werden ook foto’s van de weggenomen goederen op de mobiele telefoon van de verdachte aangetroffen. Deze foto’s zijn op de dag van de diefstal of de dag erna gemaakt.
Ten aanzien van de incidenten 2.5, 2.7, 2.8, 2.9 en 2.12 is de verdachte herkend op de beschikbare camerabeelden als de persoon die in de centrale hal van de appartementencomplexen de sleutels uit de brievenbussen heeft gehengeld, dan wel als de persoon die in de centrale hal van de appartementencomplexen aanwezig was ten tijde van de diefstallen, dan wel als de persoon die vlak voor of na de diefstallen in de directe omgeving van de appartementencomplexen te zien was.
Ten aanzien van de incidenten 2.5, 2.13, 2.14 en 2.15 zijn op de mobiele telefoon van de verdachte verschillende video’s aangetroffen. Daarop is te zien dat met de mobiele telefoon in diverse brievenbussen wordt gefilmd. Daarbij zijn onder andere poststukken zichtbaar. De adressen op deze poststukken betreffen adressen die gelinkt kunnen worden aan deze incidenten.
Uit het dossier zijn naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten aanwezig dat iemand anders dan de verdachte bij de ten laste gelegde incidenten betrokken is geweest, zoals door de verdachte is gesteld. Dat de verdachte in de periode van 19 maart 2025 tot en met 18 mei 2025 met ene “ [profielnaam] ” via WhatsApp gesprekken heeft gevoerd over mogelijke diefstallen is onvoldoende als aanwijzing voor betrokkenheid van een derde. Deze chatgesprekken hebben immers betrekking op mogelijke diefstallen door middel van het plaatsen van doorzichtig tape in de deurposten van woningen en niet middels het hengelen van sleutels. Ook kunnen deze chatgesprekken op geen enkele wijze gelinkt worden aan de ten laste gelegde incidenten. Op de camerabeelden (voor zover beschikbaar) is in alle gevallen alleen de verdachte te zien.
Voorts heeft de verdachte slechts summiere en geen verifieerbare en controleerbare gegevens omtrent de mogelijke andere (mede)daders verstrekt. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat een deel van deze diefstallen door anderen is gepleegd en dat hij vervolgens de aangetroffen gestolen sleutels en goederen in zijn woning voor iemand anders moest bewaren dan ook niet aannemelijk.
Ten aanzien van incident 2.5 verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw dat er bij dit incident slechts sprake is van een poging tot diefstal omdat op grond van de beschikbare camerabeelden blijkt dat het niet mogelijk is dat de verdachte na deze diefstal twintig lp’s bij zich had.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de aangever dat er bij de diefstal lp’s, twee horloges en een badlaken zijn weggenomen. Het aantal van twintig lp’s betreft slechts een schatting van de aangever, omdat hij niet precies weet hoeveel lp’s er zijn weggenomen. Voorts kunnen lp’s grote en kleine formaten hebben. De camerabeelden (met daarop een volle tas) sluiten niet uit dat lp’s zijn meegenomen. Ook gelet op de staat van de woning van de aangever na de diefstal, zoals blijkt uit de beschikbare foto’s, acht de rechtbank het aannemelijk dat er daadwerkelijk goederen zijn weggenomen door de verdachte bij de diefstal.
De rechtbank zal ten aanzien van dagvaarding I feiten 1 en 2 de bewezenverklaarde periode inkorten tot en met 18 augustus 2025, aangezien het laatste incident (incident 2.12) op die datum heeft plaatsgevonden.
Ten aanzien van incident 2.10 overweegt de rechtbank dat sprake is van een andere modus operandi dan bij de overige incidenten. Bij dit incident is niet gebruik gemaakt van een sleutel die uit de brievenbus is gehengeld, maar is een persoon op een andere wijze de woning van de aangeefster wederrechtelijk binnengedrongen, waarna een sleutelbos met daaraan onder andere een autosleutel is weggenomen. Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat deze persoon de verdachte is geweest. Rond het tijdstip van de diefstal is de verdachte te zien op camerabeelden van een cannabiswinkel in de directe omgeving van de woning van de aangeefster. Ook komt het DNA-profiel van een aangetroffen spoor op een stolp om een beeld in de woning van de aangeefster overeen met het DNA-profiel van de verdachte.
Aangezien niet kan worden vastgesteld dat de verdachte bij het binnendringen tot de woning bij incident 2.10 gebruik heeft gemaakt van een valse sleutel, acht de rechtbank ten aanzien van het betreffende deel van de tenlastelegging onder feit 2 van dagvaarding I alleen diefstal in een woning wettig en overtuigend bewezen.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank de bij dagvaarding I onder 1, 2 en 3 en de bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
Bewijsmiddelen
De rechtbank heeft ten aanzien van dagvaarding I in de
bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Ten aanzien van dagvaarding II heeft de rechtbank in de
bijlagemet een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft het bewezen verklaarde feit op dagvaarding II namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Ten aanzien van dagvaarding I
1
hij in de periode van 1 april 2025 tot en met
18 augustus2025 te 's-Gravenhage en Eindhoven, meermalen, sleutels, die aan
- [aangever 1] en
- [aangever 2] en
- [aangever 3] en
- [aangever 4] en
- [aangever 5] en
- [aangever 6] en
- [aangever 7] en
- [aangever 8] en- [aangever 9] en
- [aangever 10] en
- [aangever 11] en
- [aangever 12] en
- [aangever 13] en
- [aangever 14] en [aangever 15] en
- [aangever 16] en
- [aangever 17]
toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij in de periode van 1 april 2025 tot en met
18 augustus2025 te 's-Gravenhage en Eindhoven meermalen, in woningen aan de:
- [adres 2] te 's-Gravenhage en
- [adres 3] te 's-Gravenhage en
- [adres 4] te 's-Gravenhage en
- [adres 5] te 's-Gravenhage en
- [adres 7] te 's-Gravenhage en
- [adres 8] te Eindhoven en
- [adres 9] te Eindhoven en
- [adres 10] te ’s-Gravenhage en
- [adres 11] te ‘s-Gravenhage
en de kelderbox behorende bij de woning aan de:
- [adres 12] te ’s-Gravenhage,
alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, meerdere goederen, waaronder:
horloges, LP's, juwelen, sieraden, zonnebrillen, kleding, geld, oude munten, koffer, statieven, telescoop, apparatuur, airsoftwapen, creditcard,
die aan [aangever 1] , [aangever 5] , [aangever 8] , [aangever 9] , [aangever 11] , [aangever 14] , [aangever 15] , [aangever 16] en [aangever 17] toebehoorden,
heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van meerdere gestolen huissleutels waartoe verdachte niet gerechtigd was;
en
hij op 13 augustus 2025 te 's-Gravenhage in woning aan de [adres 6] te ’s-Gravenhage, alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een goed, te weten een autosleutel, die aan [aangever 10] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;3
hij op 22 april 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning aan de [adres 13] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, enig goed, dat aan [aangever 6] toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van een valse sleutel, immers heeft hij, verdachte,
- de huissleutels van voornoemde woning uit de brievenbus heeft gestolen en
- met die gestolen huissleutels de toegang verschaft tot voornoemde woning zonder daartoe gerechtigd te zijn,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van dagvaarding IIhij op 9 juli 2025 te 's-Gravenhage in een woning aan het [adres 14] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, meerdere goederen, waaronder sieraden, horloges, basgitaar met case, fototoestel, tassen, kleding en zonnebril, die aan [aangever 18] en [aangever 19] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel, door zich de toegang tot de woning te verschaffen middels een sleutel waartoe verdachte niet gerechtigd was.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, verplichte opname in een zorginstelling, een ambulante behandelverplichting, meewerken aan middelencontrole en meewerken aan schuldhulpverlening.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht, gelet op artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, aan de verdachte op te leggen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van zijn voorarrest, met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van meer dan vier maanden schuldig gemaakt aan zeventien diefstallen van sleutels uit brievenbussen middels hengelen en twaalf diefstallen uit woningen en een kelderbox en een poging daartoe.
De handelingen van de verdachte geven blijk van minachting voor de slachtoffers en hun eigendommen. Dergelijke feiten hebben een forse impact op de slachtoffers die, naast de financiële schade, doorgaans nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan te lijden (kunnen) hebben. De verdachte heeft slechts oog gehad voor zijn eigen geldelijk gewin zonder dat hij zich rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Bovendien veroorzaakt en versterkt deze vorm van criminaliteit gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.
Het strafblad van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 april 2026.
Hieruit blijkt dat de verdachte eerder veroordeeld is geweest terzake misdrijven, laatstelijk op 12 februari 2026 wegens een dodelijk verkeersongeval van 3 juni 2025. De rechtbank zal, gelet op artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht, rekening houden met deze veroordeling. Tijdens de bewezen verklaarde feiten liep de verdachte in een proeftijd terzake van een andere veroordeling. Daar komt bij dat de verdachte een deel van de feiten heeft gepleegd in de tijd dat zijn voorlopige hechtenis in het onderzoek naar het dodelijk verkeersongeval voorwaardelijk was geschorst. Deze schorsing van de voorlopige hechtenis, de eerdere veroordelingen en de proeftijd hadden voor de verdachte een signaal moeten zijn dat hij zijn gedrag diende aan te passen, maar de verdachte deed het tegendeel en vervolgde het criminele pad.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de psychiater O.M. Guddat van 27
januari 2026 en het rapport van de GZ-psycholoog R. de Vries van 22 januari 2026. Beide rapporten zijn uitgebracht naar aanleiding van de strafzaak waarvoor de verdachte op 12 februari 2026 door de rechtbank is veroordeeld (parketnummer 09/170020-25), alsmede dagvaarding I.
Beide deskundigen concluderen dat bij de verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum-of andere psychotische stoornis, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis.
De psychiater en de psycholoog adviseren om de ten laste gelegde feiten volledig aan de verdachte toe te rekenen
De psychiater schat het algemeen recidiverisico hoog in, en ook de psycholoog verwacht dat de verdachte op enigerlei wijze zal recidiveren.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 3
februari 2026, eveneens uitgebracht in het kader van de hiervoor genoemde strafzaak, alsook dagvaarding I. Het risico op recidive en letselschade wordt ingeschat als hoog. Uit het advies volgt dat de reclassering problemen ziet in het middelengebruik, financiën, partnerrelatie, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte. Om de kans op recidive en letselschade te verminderen is volgens de reclassering een reclasseringstoezicht geïndiceerd. Dit toezicht moet starten met een klinische behandeling. Aansluitend op de detentie van de verdachte geeft dit de meeste borging voor een goed verloop van het begeleidingstraject. Voorts kwamen eerder ingezette ambulante behandeltrajecten niet van de grond.
De reclassering adviseert dan ook bij veroordeling van de verdachte aan hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, meewerken aan middelencontrole en meewerken aan schuldhulpverlening.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst en de hoeveelheid van de bewezenverklaarde feiten, het justitiële verleden van de verdachte en het feit dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven en geen volledige verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van lange duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het onvoorwaardelijke deel van de straf is lager dan door de officier van justitie geëist omdat de rechtbank in hogere mate rekening heeft gehouden met de persoonlijke problematiek van de verdachte en de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de straf een proeftijd van drie jaren en de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. De rechtbank acht in dit verband ook een klinische behandeling geïndiceerd. Alleen een ambulante behandeling heeft geen kans op slagen, aangezien eerdere ambulante hulpverleningstrajecten telkens niet van de grond zijn gekomen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de verdachte, nadat dit door de rechter is bevolen, zich moet laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 1]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 7.419,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 6]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 207,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 11]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 1.651,91 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 16]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 9.814,22 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 9.464,22 aan materiële schade en € 350,- aan immateriële schade.
[aangever 17]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 245,50 gevorderd, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 18]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 62.111,16 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 32.111,16 aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot:
- gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 1] , [aangever 6] , [aangever 11] en [aangever 17] , telkens vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 16] tot een bedrag van € 1.254,10, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige;
- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 18] tot een bedrag van € 32.111,16, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht, gelet op de bepleitte vrijspraak, de benadeelde partijen [aangever 1] , [aangever 6] , [aangever 16] , [aangever 17] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.
Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] ten aanzien van de posten Rolex horloge, Walter Bach horloge en contant geld onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 6] heeft de raadsvrouw subsidiair zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 16] heeft de raadsvrouw subsidiair aangevoerd dat de vordering toegewezen kan worden voor wat betreft de posten contant geld tot een bedrag van € 1.000,- en kosten slotenmaker. Voor het overige moet de vordering afgewezen worden, dan wel moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 17] heeft de raadsvrouw subsidiair aangevoerd dat de vordering toegewezen kan worden, met uitzondering van de kosten van de tag van € 20,-.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 11] en [aangever 18] heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, nu de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
7.3.1.
De vordering van [aangever 1]
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door de bij dagvaarding I onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank is verder van oordeel dat de schade gevorderd onder de posten Rolex horloge, Sternglas horloge, Lilienthal horloge en Vervangen cilinderslot toewijsbaar is. Met betrekking tot de post Rolex horloge zal de rechtbank het volledig gevorderde bedrag van € 9.500,- toewijzen, gelet op het taxatierapport van de verzekering. Ten aanzien van de posten Sternglas horloge en Lilienthal horloge zal de rechtbank, rekening houdend met de aanschafdatum en de afschrijving, de vordering deels toewijzen tot een bedrag van respectievelijk € 180,- en € 100,-. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
Uit de vordering blijkt dat de benadeelde partij reeds een bedrag van € 8.000,- ten aanzien van de weggenomen sieraden en horloges van de verzekering vergoed heeft gekregen.
De rechtbank zal dan ook ten aanzien van de posten Rolex horloge, Sternglas horloge en Lilienthal horloge een bedrag van € 9.500,- plus € 180,- plus € 100,- minus € 8.000,- = € 1.780,- toewijzen.
Ten aanzien van de post Vervangen cilinderslot zal de rechtbank het gevorderde bedrag van € 308,- volledig toewijzen. Deze post is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd middels een factuur.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post 300 euro contant geld, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu deze schade reeds door de verzekering is vergoed.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de overige posten, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit de aangifte, dan wel op een andere wijze niet of onvoldoende blijkt dat deze goederen tijdens de diefstal zijn weggenomen. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering deels toewijzen tot een bedrag van in totaal € 2.088,-, bestaande uit materiële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen ten aanzien van een bedrag van € 1.780,- met ingang van 2 mei 2025, omdat vast is komen te staan dat deze schade vanaf die datum is ontstaan.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van een bedrag van € 380,- toewijzen met ingang van 13 mei 2025, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bij dagvaarding I onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.088,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2025 over een bedrag van € 1.780,- en vanaf 13 mei 2025 over een bedrag van € 308,- tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] .
7.3.2.
De vordering van [aangever 6]
Materiële schade
De vordering is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bij dagvaarding I onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag (€ 207,-).
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 24 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bij dagvaarding I onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 207,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 6] .
7.3.3.
De vordering van [aangever 11]
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bij dagvaarding I onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank is verder van oordeel dat de schade gevorderd onder de posten Nieuw slot en sleutel en Contant geld toewijsbaar is.
Met betrekking tot de post Nieuw slot en sleutel van € 300,91 zal de rechtbank het gevorderde bedrag toewijzen. Deze post is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd middels een bankoverschrijvingsbewijs.
Ten aanzien van de post Contant geld zal de rechtbank de vordering deels toewijzen tot een bedrag van € 1.335,-, nu dit bedrag in de aangifte is genoemd als het weggenomen geldbedrag. Voor het overige ten aanzien van deze post zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de overige posten, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij heeft ook niet aangegeven hoeveel de schade is met betrekking tot deze posten. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering deels toewijzen tot een bedrag van € 1.635,91, bestaande uit materiële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen ten aanzien van een bedrag van € 1.335,- met ingang van 18 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat deze schade vanaf die datum is ontstaan.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van een bedrag van € 300,91 toewijzen met ingang van 24 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bij dagvaarding I onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.635,91, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2025 over een bedrag van € 1.335,- en vanaf 24 september 2025 over een bedrag van € 300,91 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 11] .
7.3.4.
De vordering van [aangever 16]
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door de bij dagvaarding I onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank is van oordeel dat de schade gevorderd onder de posten Kosten slotenmaker en Contact geldbedrag toewijsbaar is.
Ten aanzien van de post Kosten slotenmaker zal de rechtbank het gevorderde bedrag van € 254,10 volledig toewijzen. Deze post is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd middels een factuur.
Ten aanzien van de post Contant geldbedrag zal de rechtbank de vordering deels toewijzen tot een bedrag van € 1.000,-, nu dit bedrag in de aangifte is genoemd als het weggenomen geldbedrag. Ook tegen de ter plaatse gekomen verbalisanten heeft de benadeelde partij aangegeven dat er een geldbedrag van € 1.000,- is weggenomen. Voor het overige ten aanzien van deze post zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de overige posten ten aanzien van de materiële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Voor wat betreft de post Hotelkosten kan niet worden vastgesteld dat dit rechtstreekse schade als gevolg van de diefstal betreft. In het dossier zijn geen aanwijzingen aanwezig dat de benadeelde partij na de inbraak op advies van de politie vanwege een forensisch onderzoek in de woning tijdelijk in een hotel moest gaan verblijven. Dit is door de benadeelde partij ook onvoldoende onderbouwd. Voor wat betreft alle overige posten, is de rechtbank van oordeel dat deze schade door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit de aangifte, dan wel op een andere wijze niet of onvoldoende blijkt dat deze goederen tijdens de diefstal zijn weggenomen. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van het hierin genoemde deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat de aard en de ernst van de normschending, te weten een woninginbraak, en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij niet zonder meer met zich brengen dat bij de benadeelde partij sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Daarvoor moet de benadeelde partij dit met concrete gegevens onderbouwen, waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarin is de benadeelde partij (nog) niet geslaagd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.254,10, bestaande uit materiële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen ten aanzien van een bedrag van € 1.000,- met ingang van 23 april 2025, omdat vast is komen te staan dat deze schade vanaf die datum is ontstaan.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van een bedrag van € 254,10 toewijzen met ingang van 24 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bij dagvaarding I onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.254,10, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 april 2025 over een bedrag van € 1.000,- en vanaf 24 april 2025 over een bedrag van € 254,10 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 16] .
7.3.5.
De vordering van [aangever 17]
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten Kosten voor deactiveren nieuwe tag van € 155,50 en Kosten nieuwe sleutels van € 70,-, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bij dagvaarding I onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het bedrag van € 225,50.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post Kosten nieuwe tag, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 225,50, bestaande uit materiële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 6 augustus 2025 over een bedrag van € 70,-, omdat vast is komen te staan dat deze schade vanaf die datum is ontstaan.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 oktober 2025 over een bedrag van € 155,50, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bij dagvaarding I onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 225,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2025 over een bedrag van € 70,- en vanaf 28 oktober 2025 over een bedrag van € 155,50 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 17] .
7.3.6.
De vordering van [aangever 18]
Materiële schade
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende (namelijk aan de hand van een kennelijk zelf gemaakt overzicht, waarbij telkens wordt uitgegaan van de vervangingswaarde) onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat de aard en de ernst van de normschending, te weten een woninginbraak, en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij niet zonder meer met zich brengen dat bij de benadeelde partij sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Daarvoor moet de benadeelde partij dit met concrete gegevens onderbouwen, waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarin is de benadeelde partij niet geslaagd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Proceskosten
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genoemde voorwerp zal worden teruggegeven aan de verdachte.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft teruggave aan de verdachte verzocht van het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genoemde voorwerp.
Voorts heeft de raadsvrouw teruggave van de inbeslaggenomen Stone Island vest, een (neppe) Louis Vuitton tas en de biljetten zoals genoemd onder A.8.14 in het beslagdossier verzocht.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten een geldbedrag van € 255,-, verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en dit voorwerp geheel of grotendeels door middel van de bij dagvaarding I onder 2 en/of 3 bewezenverklaarde strafbare feiten is verkregen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit geldbedrag van diefstal afkomstig is, dan wel dat dit geldbedrag, dat van diefstal afkomstig is, inmiddels is vermengd met de legale inkomsten van de verdachte.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de mededeling van de officier van justitie dat alle inbeslaggenomen goederen reeds zijn teruggegeven aan de verdachte, waaronder een Stone Island vest, een (neppe) Louis Vuitton tas en de biljetten zoals genoemd onder A.8.14 in het beslagdossier. Een beslissing van de rechtbank hierover is dan ook niet meer mogelijk.
De rechtbank betreurt het echter dat, ondanks herhaalde verzoeken van de raadsvrouw, niet een recent beslaglijst aan het dossier is gevoegd.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging

9.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 20 november 2025 gevorderd dat de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van 13 september 2023 van de politierechter te Rotterdam in de zaak met parketnummer 10/138995-23, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging verzocht.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie af, nu zij deze niet meer opportuun acht, mede gelet op de op te leggen straf en de daarbij behorende bijzondere voorwaarden. Een tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf heeft naar het oordeel van de rechtbank geen meerwaarde meer.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I (parketnummer 09/239152-25) onder 1, 2 en 3 en bij dagvaarding II (parketnummer 09/055917-26) ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I feit 1:
diefstal, meermalen gepleegd;
ten aanzien van dagvaarding I feit 2:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;
en
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
ten aanzien van dagvaarding I feit 3:
poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;
ten aanzien van dagvaarding II:
diefstal in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
30 (DERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
10 (TIEN) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de hierbij op
3 (DRIE) JARENvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor, [adres 16] , op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich - indien de reclassering dit nodig acht en nadat dit door een rechter is bevolen - gedurende de proeftijd, een jaar of zoveel korter als zijn behandelaar en de reclassering nodig achten, laat opnemen in zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, waarbij de verdachte zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door het Ambulant Centrum van Fivoor, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen te bepalen door de reclassering, waarbij de verdachte zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan hieronder vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan begeleiding vanuit de Materiële Juridische Dienstverlening (MJD) van Fivoor bij het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controle van het gebruik van cannabis door middel van aan urine- en ademonderzoek (blaastest). De reclassering bepaalt hoe vaak de controle plaatsvindt;
geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
vordering van de benadeelde partij [aangever 1] (parketnummer 09/239152-25, feiten 1 en 2)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.088,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2025 over een bedrag van € 1.780,- en vanaf 13 mei 2025 over een bedrag van € 308,- tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan
[aangever 1];
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.088,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2025 over een bedrag van € 1.780,- en vanaf 13 mei 2025 over een bedrag van € 308,- tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[aangever 1];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
vordering van de benadeelde partij [aangever 6] (parketnummer 09/239152-25, feiten 1 en 3)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 207,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan
[aangever 6];
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 207,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[aangever 6];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
vordering van de benadeelde partij [aangever 11] (parketnummer 09/239152-25, feiten 1 en 2)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.635,91 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2025 over een bedrag van € 1.335,- en vanaf 24 september 2025 over een bedrag van € 300,91 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan
[aangever 11];
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.635,91, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2025 over een bedrag van € 1.335,- en vanaf 24 september 2025 over een bedrag van € 300,91 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[aangever 11];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 16 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
vordering van de benadeelde partij [aangever 16] (parketnummer 09/239152-25, feiten 1 en 2)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.254,10 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 april 2025 over een bedrag van € 1.000,- en vanaf 24 april 2025 over een bedrag van € 254,10 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan
[aangever 16];
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.254,10, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 april 2025 over een bedrag van € 1.000,- en vanaf 24 april 2025 over een bedrag van € 254,10 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[aangever 16];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 12 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
vordering van de benadeelde partij [aangever 17] (parketnummer 09/239152-25, feiten 1 en 2)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 225,50 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2025 over een bedrag van € 70,- en vanaf 28 oktober 2025 over een bedrag van € 155,50 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan
[aangever 17];
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 225,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2025 over een bedrag van € 70,- en vanaf 28 oktober 2025 over een bedrag van € 155,50 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[aangever 17];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
vordering van de benadeelde partij [aangever 18] (parketnummer 09/055917-26)
bepaalt dat de benadeelde partij
[aangever 18]niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;
beslag (parketnummer 09/239152-25)
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten een bedrag van € 255,-;
vordering tot tenuitvoerlegging
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met het parketnummer 10/138995-23.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Kuijper, voorzitter,
mr. S.M. Krans, rechter,
mr. A. Tsjapanova, rechter,
in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 juli 2026.