ECLI:NL:RBDHA:2026:19380

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
C/09/697164 / HA ZA 26/39
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:83 BWArt. 6:95 BWArt. 6:96 BWArt. 6:97 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding schade door ondeugdelijke reparatie auto met siliconenkit

Eiser bracht in 2023 zijn auto naar de garage van gedaagde voor reparatie van een olielek. Door het gebruik van een verkeerde siliconenkit ontstond schade aan de motor. De verzekeraar van gedaagde betaalde in 2024 een bedrag van € 6.180,- aan eiser, maar eiser vorderde een hogere vergoeding.

De rechtbank stelde vast dat gedaagde aansprakelijk is voor de schade. Uit deskundigenrapporten bleek dat de motorreparatie noodzakelijk was en herstelkosten tussen € 10.000 en € 13.000 lagen. De rechtbank wees de primaire vordering tot vergoeding van de dagwaarde van de auto af, omdat eiser onvoldoende onderbouwde dat de auto total loss was.

Subsidiair werd een bedrag van € 2.137,80 aan herstelkosten toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast werden stallingskosten van € 1.258,40 en buitengerechtelijke incassokosten van € 562,19 toegewezen. De vorderingen voor vervangend vervoer en waardevermindering werden afgewezen. Ook werden kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid van € 3.364,17 toegewezen. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot gedeeltelijke schadevergoeding en kostenvergoeding, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/697164 / HA ZA 26/39
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats 1],
advocaat: mr. N. Claassen te Rotterdam,
eiser,
tegen
[gedaagde], h.o.d.n. [handelsnaam]te [woonplaats 2],
advocaat: mr. O. Albayrak te Den Haag,
gedaagde.
Partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
[eiser] heeft in 2023 zijn auto naar de garage van [gedaagde] gebracht voor de reparatie van een olielek in de motor. Bij die reparatie is een verkeerde siliconenkit gebruikt, waardoor de auto van [eiser] schade heeft opgelopen. Ter vergoeding van de schade heeft de verzekeraar van [gedaagde] in 2024 een bedrag van € 6.180,- betaald aan [eiser]. Volgens [eiser] is hiermee niet al zijn schade vergoed. De rechtbank komt tot het oordeel dat [eiser] recht heeft op een hogere vergoeding dan al aan hem is betaald en wijst een deel van de door [eiser] gevorderde schade toe.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van [eiser] van 22 december 2025, met producties 1 tot en met 12;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde], zonder producties;
- de akte houdende overlegging producties van [eiser] van 4 mei 2026, met productie 13;
- het rolbericht van [eiser] van 7 mei 2026, met productie 14.
2.2.
Op 8 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de zitting is besproken.
2.3.
Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] exploiteert een autobedrijf/garage in Den Haag onder de naam ‘[handelsnaam]’.
3.2.
[eiser] is eigenaar van een Audi RS3 Sportback 2.5 TFSI Quatro (hierna: ‘de auto’).
3.3.
Op 1 mei 2023 heeft [eiser] de auto naar de garage van [gedaagde] gebracht om een olielek in de motor te verhelpen. Tijdens deze reparatie is een verkeerde siliconenkit gebruikt, waardoor schade aan de motor van de auto is ontstaan.
3.4.
De auto is op initiatief van [gedaagde] eerst onderzocht door Auto District. Vervolgens heeft [gedaagde] de schade gemeld bij zijn bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar De Zeeuwse Verzekeringen (hierna: ‘de verzekeraar’).
3.5.
ZTA Expertise BV (hierna: ‘ZTA’) heeft in opdracht van de verzekeraar de schade aan de auto nader onderzocht. ZTA heeft in haar schade expertiserapport van 13 maart 2024 – kort gezegd – geconcludeerd dat er een causaal verband bestaat tussen de schade aan de motor en de reparatie door [gedaagde]. ZTA heeft verder toegelicht dat de schade kan worden verholpen door de montage van een gebruikte motor van vergelijkbare staat. Omdat [eiser] zou hebben gezegd dat hij een gereviseerde motor wil (de rechtbank begrijpt: reparatie van de defecte motor, waarbij alle (bijna) defecte onderdelen worden vervangen voor nieuwe onderdelen), is ZTA in haar schadevaststelling uitgegaan van een gereviseerde motor. Daarbij heeft ZTA een aftrek in verband met nieuw-voor-oud gehanteerd van 50% van de kosten van de gereviseerde motor. ZTA heeft de schade van [eiser] als volgt berekend:
3.6.
Tegelijk met het onderzoek van ZTA, heeft [eiser] een contra expertise laten uitvoeren door de heer [naam] van Expertisebureau TechX (hierna: ‘TechX’). Op
18 november 2023 heeft TechX haar rapport opgestuurd naar ZTA. Ook TechX komt – kort gezegd – tot de conclusie dat de schade aan de auto ontstaan is door de reparatie van [gedaagde]. Om de auto weer goed te laten functioneren adviseert TechX het plaatsen van een vervangende motor, “gebruikt dan wel gereviseerd”. TechX heeft de schade van [eiser] in haar rapport niet begroot. Wel heeft TechX bij haar rapport een offerte van [bedrijfsnaam] gevoegd voor een totaalbedrag van € 20.608,- exclusief 21% btw. De offerte van [bedrijfsnaam] ziet op een gereviseerde motor.
3.7.
Op 24 mei 2024 heeft de verzekeraar – conform de schadebegroting van ZTA – een bedrag van € 6.180,- betaald aan [eiser].
3.8.
[eiser] en de verzekeraar zijn daarna opnieuw met elkaar in discussie geraakt over de omvang van de schade aan de auto. [eiser] heeft vervolgens DEKRA Automotive (hierna: ‘DEKRA’), ingeschakeld om een schaderapport op laten te stellen en om de waarde van de auto in april 2023 vast te stellen. In het rapport van DEKRA van 6 oktober 2025 staat (onder meer):
“In de huidige markt (2025) worden vergelijkbare voertuigen gemiddeld aangeboden voor€ 31.000,00 (marge). Op basis van dit gegeven hebben wij rekening gehouden met reguliere afschrijving met betrekking tot leeftijd van 10% per jaar. Met terugwerkende kracht naar de waardebepaling april 2023 zien wij een dagwaarde van € 38.000,00 (marge).
(…) Voor een goed en deugdelijk herstel adviseren wij een complete motorrevisie. Tevens dienen de remblokken en remschijven rondom vernieuwd te worden. Wij hebben de kosten hieronder vermeld. (…)
Of er door het te lange stilstaan delen, welke onafgedekt zijn zoals bijv, het aircosysteem, meer schade hebben opgelopen, hebben wij in dit stadium niet kunnen vaststellen.
- Revisiemotor € 7.500 excl. BTW
- Arbeidsuren 24 x € 85,- € 2.040 excl. BTW
- Brembo remschijven voorzijde (excl. montage) € 1.360,94 excl. BTW per set
- Brembo remblokken voorzijde (excl. montage) € 251,93 excl. BTW
- Brembo remschijven achterzijde (excl. montage) € 116,12 excl. BTW per set
- Brembo remblokken achterzijde (excl. montage) € 47,38 excl. BTW
- Pakkingen en vloeistoffen € 1000,= excl. BTW.
Totaal zouden de herstel kosten voor de motor uitkomen op een bedrag van € 12.316,37 excl. BTW.
3.9.
[eiser] heeft de verzekeraar verzocht om aan hem de dagwaarde van de auto per april 2023, de stallingskosten en buitengerechtelijke kosten te betalen. De verzekeraar heeft dit verzoek afgewezen.
3.10.
[eiser] heeft [gedaagde] op 27 oktober 2025 laten weten dat de discussie met de verzekeraar nog liep en heeft [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade.
3.11.
De auto staat sinds medio 2023 gestald bij [bedrijfsnaam] en is tot op heden nog niet gerepareerd.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – na vermindering van zijn eis (zoals gedaan ter zitting) bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] primair te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een schadebedrag van € 38.000,- te verminderen met het al betaalde bedrag van € 6.180,- en vermeerderd met de wettelijke rente;
II. [gedaagde] subsidiair te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 24.935,68 (uitgaande van de factuur van [bedrijfsnaam]), dan wel € 24.282,28 (uitgaande van de factuur van [bedrijfsnaam] tegen een verlaagd uurtarief), dan wel een bedrag van € 12.317,80 (het schadebedrag volgens ZTA met btw), steeds te verminderen met het al betaalde bedrag van € 6.180,- en vermeerderd met de wettelijke rente;
III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 25.609,80 aan aanvullende schadevergoeding (stallingskosten, vervangend vervoer en waardevermindering), vermeerderd met de wettelijke rente;
IV. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 1.024,36 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 1.621,77 aan kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade, vermeerderd met de wettelijke rente;
V. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.
4.2.
[eiser] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. De schade aan de auto is veroorzaakt door ondeugdelijk uitgevoerde werkzaamheden door [gedaagde]. [gedaagde] is hiervoor aansprakelijk. Uit de expertiserapporten blijkt dat de schade alleen kan worden verholpen door middel van volledige revisering van de motor of door het plaatsen van een vervangende gebruikte motor. [eiser] heeft recht op volledige vergoeding van zijn schade. De schade bestaat volgens [eiser] primair uit de dagwaarde van de auto (per april 2023) en subsidiair uit de kosten die gemoeid zijn met het herstel van de defecte motor. Daarnaast moet [gedaagde] ook nog andere schadeposten van [eiser] als gevolg van de wanprestatie vergoeden, vindt [eiser]. Dit zijn de waardevermindering van de auto, de kosten voor vervangend vervoer en de stallingskosten van de auto.
4.3.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
4.4.
[gedaagde] betwist niet dat er sprake is van een causaal verband tussen de schade aan de motor en de ondeugdelijke werkzaamheden die zijn uitgevoerd door zijn bedrijf. [gedaagde] betwist ook niet dat hij aansprakelijk is voor de schade van [eiser]. [gedaagde] betwist wel de hoogte van de door [eiser] gestelde schade. Volgens [gedaagde] is de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de verkeerd uitgevoerde reparatie met de betaling van € 6.180,- al volledig vergoed. De andere schadeposten die door [eiser] worden gevorderd, komen niet voor vergoeding door [gedaagde] in aanmerking. Deze schadeposten zijn volgens [gedaagde] namelijk niet het gevolg van de verkeerd uitgevoerde reparatie en kunnen niet aan hem worden toegerekend. Daarbij is [gedaagde] van mening dat [eiser] zijn schade had moeten beperken, wat hij niet heeft gedaan.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Partijen zijn het erover eens dat door werkzaamheden van [gedaagde] schade aan de auto van [eiser] is ontstaan en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor deze schade op grond van artikel 6:74 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’). De rechtbank moet beoordelen of [eiser] recht heeft op een hogere vergoeding dan het bedrag dat al door de verzekeraar aan hem is uitgekeerd (€ 6.180,-). Bij de begroting van de schade van [eiser] geldt het volgende juridisch kader.
5.2.
De schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, kan bestaan uit vermogensschade en ander nadeel. Vermogensschade kan zowel geleden verlies als gederfde winst zijn. De rechter begroot de schade op de manier die het meest past bij de aard van de schade. Het uitgangspunt voor deze begroting is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de situatie wordt gebracht waarin hij zou hebben gezeten zonder de schadeveroorzakende gebeurtenis. Bij het berekenen van de schade moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het concrete geval. Dit betekent dat de hoogte van de schade wordt bepaald door de werkelijke situatie van de benadeelde te vergelijken met de situatie waarin hij (vermoedelijk) zou hebben gezeten zonder de schadeveroorzakende gebeurtenis. Als de hoogte van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dan kan de rechter de hoogte van de schade schatten (volgens de artikelen 6:95, 6:96 en 6:97 BW).
5.3.
Partijen zijn het erover eens dat ZTA, TechX en DEKRA deskundig zijn op het gebied van schadevaststelling bij auto’s. De rechtbank zal hierna daarom in beginsel uitgaan van de juistheid van de conclusies in de rapporten van ZTA, TechX en DEKRA over de wijze waarop de schade aan de auto kan worden hersteld en over de kosten daarvan zoals door ZTA en DEKRA begroot.
De offerte van [bedrijfsnaam] waar [eiser] zich (zowel primair als subsidiair) op beroept laat de rechtbank bij het begroten van de schade, mede gelet op de betwisting van die offerte door [gedaagde], buiten beschouwing. Zoals ook door [gedaagde] is aangevoerd is dit namelijk een offerte die zonder verdere toelichting bij het rapport van TechX is gevoegd, en betreft dit geen schadebegroting door een schade-expert. Bovendien is het bedrag van de offerte van [bedrijfsnaam] veel hoger dan de bedragen die volgens ZTA en DEKRA nodig zijn om de schade te herstellen.
Heeft [eiser] recht op vergoeding van de dagwaarde van zijn auto?
5.4.
[eiser] stelt primair dat hij recht heeft op vergoeding van de dagwaarde van zijn auto op de datum waarop hij zijn auto bij de garage van [gedaagde] heeft afgeleverd. Uit het rapport van DEKRA blijkt dat de dagwaarde van de auto in april 2023 € 38.000,- was. De voorlopige herstelkosten worden door DEKRA geschat op een bedrag van € 12.316,37 (exclusief btw). Deze post ziet alleen op het herstel van de motor. Door het lange stilstaan van de auto is er volgens [eiser] ook nog andere schade ontstaan. Zo is de lak van de auto beschadigd, werken het dak en de airconditioning naar verwachting niet meer en zullen ook de rubbers van de deuren vervangen moeten worden. Daarmee komen de herstelkosten op een veel hoger bedrag uit dan eerst werd begroot. De auto is daarom
total loss, meent [eiser]
.[eiser] wil de auto vanwege deze mankementen ook niet meer terug en vindt dat de dagwaarde van de auto van april 2023 aan hem moet worden vergoed.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat de auto daadwerkelijk
total lossis. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat een auto economisch
total losswordt verklaard als de schade hoger is dan 70% van de dagwaarde. Dit heeft [eiser] niet betwist, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan. Voor de dagwaarde moet worden gekeken naar de waarde van de auto vóór het moment van het ontstaan van de schade door de verkeerd uitgevoerde reparatie; in dit geval dus april 2023. DEKRA heeft de dagwaarde van de auto per april 2023 vastgesteld op een bedrag van € 38.000,-. [gedaagde] heeft dat bedrag niet betwist, zodat de rechtbank van deze dagwaarde uitgaat. De auto zou dus
total losszijn als de schade meer dan (€ 38.000,- x 70% = ) € 26.600,- zou zijn.
5.6.
Uit de rapportages van ZTA en DEKRA blijkt dat de schade aan de motor voor een bedrag tussen de € 10.000,00 en € 13.000,00 kan worden hersteld. Deze bedragen zijn door [eiser] niet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van deze bedragen. [eiser] heeft niet toegelicht wat reparatie van de andere door hem genoemde schade (aan de lak, het dak, airconditioning en rubbers) zou kosten. [eiser] heeft ook niet toegelicht en onderbouwd hoe deze gestelde schade is ontstaan. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat dit inderdaad schade is die [eiser] heeft geleden door de tekortkoming van [gedaagde]. Zij kan daardoor ook niet vaststellen dat de auto - vanwege die schadeposten, opgeteld bij de herstelkosten van de motor -
total lossis, zodat de dagwaarde van de auto vergoed zou moeten worden. Dat [eiser] de auto niet meer terug wil, is hiervoor in elk geval niet voldoende.
5.7.
Dit betekent dat de primaire vordering (I) van [eiser] zal worden afgewezen.
Heeft [eiser] recht op een hoger bedrag aan herstelkosten?
5.8.
Subsidiair vordert [eiser] vergoeding van de schade die te maken heeft met het herstel van de motor. Op basis van de offerte van [bedrijfsnaam] stelt [eiser] dat deze schade (primair) € 24.935,68 is, inclusief 21% btw, of (subsidiair) € 24.282,28 als wordt uitgegaan van een lager arbeidskostentarief, of (meer subsidiair) € 12.317,80 conform de begroting van ZTA. Bij dat laatste bedrag is [eiser] uitgegaan van het in de begroting van ZTA opgenomen schadebedrag van € 10.180,- plus 21% btw. Van alle bedragen moet volgens [eiser] steeds het al betaalde bedrag van € 6.180,- worden afgetrokken.
5.9.
Zoals hiervoor al is overwogen, laat de rechtbank de offerte van [bedrijfsnaam] bij het begroten van de herstelkosten buiten beschouwing. De rechtbank stelt vast dat ZTA, TechX en DEKRA het erover eens zijn dat de motor moet worden vervangen vanwege de geconstateerde schade daaraan. Volgens ZTA kan de motor worden vervangen door een gebruikte motor van vergelijkbare staat. Omdat [eiser] dat wilde, heeft ZTA een gereviseerde motor in haar schadebegroting opgenomen, waarvan de kosten worden begroot op € 8.000,- exclusief bijkomende materialen, kosten en btw. ZTA heeft daarbij opgemerkt dat een gereviseerde motor een duidelijke verbetering en een meerwaarde betekent voor de auto. ZTA heeft daarom een nieuw-voor-oud aftrek van 50% in haar schadebegroting opgenomen. Volgens TechX kan de motor worden vervangen door een gebruikte of door een gereviseerde motor. TechX heeft zich niet uitgelaten over de kosten daarvan. DEKRA adviseert voor een goed herstel “een complete motorrevisie” (de rechtbank begrijpt: de motor vervangen voor een gereviseerde motor) en begroot de kosten daarvan op € 7.500,- exclusief bijkomende kosten en btw. Omdat in alle drie de rapporten wordt uitgegaan van een gereviseerde motor, zal de rechtbank dit ook als uitgangspunt nemen in haar schadebegroting.
5.10.
De rechtbank sluit voor de begroting van de herstelkosten aan bij het schaderapport van ZTA, nu dit subsidiair door [eiser] is verzocht en ook [gedaagde] zich op dit rapport beroept. Uit het schaderapport van ZTA volgt dat de herstelkosten van de motor in totaal
€ 10.180,- exclusief btw zijn. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] als consument btw moet betalen als hij zijn schade laat herstellen en dat het bedrag dat aan [eiser] moet worden vergoed dus inclusief 21% btw moet zijn. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de totale herstelkosten € 12.317,80 inclusief btw zijn.
5.11.
[gedaagde] heeft - onder verwijzing naar het rapport van ZTA - voldoende onderbouwd dat een gereviseerde motor leidt tot een waardevermeerdering van de auto. Dit is door [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarom zal de rechtbank bij de berekening van de hoogte van de schade uitgaan van de door ZTA voorgestelde nieuw voor oud aftrek van 50% van de gereviseerde motor. Op grond van artikel 6:100 BW Pro moet een dergelijk voordeel voor de schuldeiser immers in mindering worden gebracht op de aan hem te vergoeden schade. Na aftrek van het voordeel dat een gereviseerde motor [eiser] oplevert, blijft een schadebedrag van € 8.317,80 over.
5.12.
Omdat de verzekeraar al een bedrag van € 6.180,- aan [eiser] heeft betaald, moet [gedaagde] nog € 2.137,80 aan [eiser] betalen.
5.13.
Het voorgaande wordt schematisch weergegeven in onderstaande berekening:
gereviseerde motor
8.000,00
bijkomende materialen
500,00
arbeid (24 uur voor € 70,- per uur)
1.680,00
Totaal (exclusief btw)
10.180,00
Totaal herstelkosten (inclusief 21% btw)
12.317,80
- /- aftrek nieuw voor oud (50% van € 8.000,-)
- 4.000,00
Totaal na voordeeltoerekening
8.317,80
-/- reeds uitgekeerd bedrag
- 6.180,00
Totaal nog te voldoen
2.137,80
5.14.
Het te vergoeden bedrag van € 2.137,80 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2025. Dat is de datum waarop [eiser] [gedaagde] aansprakelijk heeft gesteld voor de door hem geleden schade. Dit is ook de dag waarop het verzuim is ingetreden (artikel 6:83 sub b BW Pro).
5.15.
Dit alles betekent dat de subsidiaire vordering (II) van [eiser] gedeeltelijk zal worden toegewezen.
Heeft [eiser] recht op aanvullende schadevergoeding?
5.16.
[eiser] vordert daarnaast ook aanvullende schadevergoeding van [gedaagde], bestaande uit de volgende posten:
  • stallingskosten van € 4.452,80;
  • kosten van vervangend vervoer van € 14.157,-;
  • waardevermindering van de auto van € 7.000,-.
5.17.
Over de door [eiser] gevorderde stallingskosten overweegt de rechtbank als volgt. Uit de factuur van [bedrijfsnaam] die [eiser] heeft overgelegd ter onderbouwing van de stallingskosten (productie 12) blijkt dat op die factuur een bedrag van € 1.742,40 inclusief btw staat voor kosten die [bedrijfsnaam] heeft gemaakt voor de verschillende schade-expertises (te weten kosten voor ‘motor loshalen’ en ‘4x expertise’). Die kosten moeten naar het oordeel van de rechtbank worden gekwalificeerd als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, en zullen hierna (onder 5.22. en verder) worden besproken.
Het resterende deel (van € 2.710,40) van de factuur zijn stallingskosten voor een periode van 28 maanden. De rechtbank is van oordeel dat de stallingskosten voor de periode van mei 2023 tot en met mei 2024 (dertien maanden) kunnen worden aangemerkt als schade van [eiser] die aan [gedaagde] moet worden toegerekend. In die periode moest immers nog worden vastgesteld wat de oorzaak van de schade aan de motor was, waardoor [eiser] geen gebruik van de auto kon maken. In mei 2024 stond vast dat de schade aan de motor het gevolg was van de tekortkoming van [gedaagde] en heeft de verzekeraar het bedrag van € 6.180,- uitgekeerd. Daarna was [eiser] – zoals [gedaagde] ook heeft aangevoerd - ook vanwege het tijdsverloop verplicht om zijn schade te beperken, door reparatie van de auto of door verkoop van zijn auto. Omdat [eiser] dit niet heeft gedaan, moeten de stallingskosten die na mei 2024 zijn gemaakt voor rekening van [eiser] blijven. In totaal komen de stallingskosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op (13 x € 80,- + 21% =) € 1.258,40 inclusief btw. Dit bedrag wordt nog vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2025.
5.18.
De gevorderde kosten voor vervangend vervoer van [eiser] worden afgewezen. [eiser] heeft deze vordering onvoldoende onderbouwd, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van deze kosten door [gedaagde]. [eiser] heeft gesteld dat hij vervangend vervoer heeft moeten regelen omdat hij anders niet op zijn werk kon komen en heeft een factuur overgelegd van 4 december 2023 van [eiser] Projecten B.V. van € 14.157,-. Dit is een factuur voor de verhuur van een bedrijfswagen (Ford Transit) met grijs kenteken over de maanden april 2023 tot en met december 2023. [eiser] heeft niet toegelicht waarom hij als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] een bedrijfswagen heeft moeten huren en waarom dat al vanaf april 2023 moest, terwijl de auto pas op 1 mei 2023 bij [gedaagde] werd gestald voor de reparatie. De door [eiser] overgelegde factuur is bovendien een factuur gericht aan ‘Start & Go Infra Techniek’ en niet aan [eiser] zelf. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat [eiser] deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat dit het directe gevolg was van de tekortkoming van [gedaagde]. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
5.19.
Ten slotte wijst de rechtbank ook de vordering voor de waardevermindering van de auto af. Volgens [eiser] is de auto € 7.000,- minder waard geworden. Hij vordert dit bedrag als aanvullende schadevergoeding en heeft ter onderbouwing van deze vordering verwezen naar het rapport van DEKRA van 6 oktober 2025. Hieruit blijkt volgens [eiser] dat de auto in april 2023 een waarde had van € 38.000,- en dat deze nu nog maar € 31.000,- zou opleveren. Zoals ook ter zitting is besproken, blijkt uit het rapport van DEKRA echter dat de auto hoe dan ook in waarde zou zijn gedaald door tijdsverloop, en dat de € 7.000,- waardevermindering sinds 2023 wordt verklaard door de reguliere afschrijving van 10% per jaar. Tijdens de zitting heeft [eiser] nog aangevoerd dat deze waardevermindering in dit geval als schade kwalificeert, omdat [eiser] al die tijd geen gebruik van de auto heeft kunnen maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende toegelicht waarom voor het gederfde gebruiksgenot zou moeten worden aangesloten bij de waardevermindering van de auto. Dit deel van de vordering wordt daarom ook afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten?
5.20.
[eiser] vordert vergoeding van een bedrag van € 1.024,36 aan buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank constateert dat de hoofdvordering van [eiser] niet valt onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de door [eiser] gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dit soort vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.
5.21.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft toegelicht dat hij (althans zijn advocaat) uitvoerig met de verzekeraar van [gedaagde] heeft gecorrespondeerd in een poging om zijn schade vergoed te krijgen. Dit heeft [gedaagde] ook niet betwist. De rechtbank is het met [eiser] eens dat deze werkzaamheden kwalificeren als buitengerechtelijke werkzaamheden op grond waarvan [eiser] aanspraak heeft op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Dat [gedaagde] door de verzekeraar niet op de hoogte is gehouden van het overleg met de verzekeraar, zoals door hem aangevoerd, doet hier niet aan af.
Het bedrag dat [eiser] vordert is echter hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief en [eiser] heeft niet uitgelegd dat en waarom zijn werkelijke kosten hoger zijn dan dit bedrag. De buitengerechtelijke incassokosten worden berekend op basis van het totaal van de toegewezen hoofdsom, te weten (€ 2.137,80 + € 1.258,40 =) € 3.396,20. De buitenrechtelijke incassokosten worden daarom toegewezen tot het wettelijke tarief, te weten € 562,19 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke rente, rekenend vanaf de dag van de dagvaarding, conform 6:119 BW.
Kosten ter vaststelling van schade
5.22.
[eiser] vordert ook vergoeding van door hem gemaakte kosten voor het vaststellen van de schade en aansprakelijkheid op grond van artikel 6:96 BW Pro. Hij vordert (€ 263,78 +
€ 840,95 = ) € 1.104,73 voor het onderzoek door DEKRA, (€ 78,41 + € 121,- = ) € 199,41 voor het verrichtte onderzoek door TechX, € 317,63 voor het stellen van een diagnose door Auto District en € 1.742,40 voor de kosten gemaakt door [bedrijfsnaam] (waar de auto is gestald) ten behoeve van expertises die bij [bedrijfsnaam] zijn verricht.
5.23.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het uitgangspunt van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro is dat kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, waaronder expertisekosten en kosten voor het verzamelen van bewijs, als vermogensschade voor rekening van de aansprakelijke partij kunnen worden gebracht, als voldaan is aan de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets. Die toets houdt in dat buitengerechtelijke werkzaamheden alleen voor vergoeding in aanmerking komen als het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs noodzakelijk was deze te verrichten én als de gevorderde kosten naar hun aard en omvang redelijk zijn.
5.24.
Dat [eiser] verschillende experts heeft ingeschakeld om de aansprakelijkheid van [gedaagde] en de schade aan de auto vast te laten stellen, vindt de rechtbank – mede gelet op het feit dat de verzekeraar daarom vroeg – redelijk. De hoogte van de door [eiser] gevorderde kosten en de redelijkheid daarvan heeft [gedaagde] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. In totaal komen deze kosten neer op € 3.364,17. De rechtbank komt tot de conclusie dat deze kosten redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat deze kosten naar hun aard en omvang redelijk zijn. [gedaagde] zal dan ook worden veroordeeld om deze kosten te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding.
Proceskosten
5.25.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,71
- griffierecht
1.414,00
- salaris gemachtigde
1.108,00
(2 punten x tarief I van € 554,-)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.860,71

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.137,80 aan herstelkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 27 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.258,40 aan stallingskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 27 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 562,19 aan buitengerechtelijke incassokostenkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro vanaf 22 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
6.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.364,17 aan kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 22 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
6.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] van € 2.860,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Amperse en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.