ECLI:NL:RBDHA:2026:19382

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
09-279595-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m SrArt. 77n Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk teweegbrengen ontploffing met gevaar voor goederen

Op 30 maart 2024 bracht de verdachte een explosief tot ontploffing bij de deur van een woning in Den Haag, waarbij schade aan de woning en het portiek ontstond. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het explosief heeft laten afgaan, mede op basis van een DNA-profiel en vingerafdruk op een afgebrande lucifer en luciferdoosje die bij de plaats delict werden aangetroffen.

De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was en dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel niet kon worden bewezen. De rechtbank verwierp deze verweren en sprak de verdachte vrij van het onderdeel levensgevaar, omdat er geen personen aanwezig waren die daardoor gevaar liepen.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het strafblad. Gezien de leeftijd van de verdachte en de aard van het delict legde de rechtbank een taakstraf van 60 uur op, waarvan 30 uur voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Tevens werd de tenuitvoerlegging bevolen van een eerder opgelegde voorwaardelijke werkstraf wegens niet-naleving van voorwaarden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur, waarvan 30 uur voorwaardelijk, en vrijgesproken van levensgevaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-279595-24 en 09-284523-22 (tul)
Datum uitspraak: 6 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres 1], [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 22 juni 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. D.F.R. de Vrught en de raadsman van de verdachte is mr. A.G. de Jong te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 30 maart 2024 te 's-Gravenhage, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door op/bij de deur van de woning aan de [adres 2] een
explosief/explosieven af te laten gaan, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor deze en/of de belendende woningen en de daarin aanwezige goederen en/of het portiek waarin voornoemde woningen zich bevinden en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de aanwezigen in deze en/of in de belendende woningen en/of het portiek waarin voornoemde woningen zich bevinden, te duchten was.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte - op in de schriftelijke pleitnota weergegeven gronden - primair vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde bestanddeel te duchten levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Op specifieke (bewijs)verweren wordt hierna - voor zover relevant - ingegaan.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.4
Bewijsoverwegingen
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Hij meent dat de bewijswaarde van het aangetroffen DNA-profiel van de verdachte op de afgebrande lucifer en de bewijswaarde van de aangetroffen vingerafdruk van de verdachte op het luciferdoosje met de nodige terughoudendheid dient te worden bezien, omdat het niet bewijst wanneer, waar en in welk verband de verdachte deze voorwerpen heeft aangeraakt. Daarnaast zijn er op de vuurwerkrestanten geen DNA of vingerafdrukken van de verdachte aangetroffen. Ook heeft het telecomonderzoek geen locatiebewijs opgeleverd omdat het telefoontoestel niet actief was op de pleegdatum, waardoor niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich ten tijde van het feit op de plaats delict bevond. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de getuigenverklaring geen enkel specifiek gegeven bevat dat de beschreven persoon koppelt aan de verdachte.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat van de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.
Het oordeel van de rechtbank
Anders dan door de raadsman is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 30 maart 2024 is een explosief (zeer waarschijnlijk een cobra) tot ontploffing gebracht bij de portiekwoning gelegen aan de [adres 2] in Den Haag. Als gevolg hiervan zijn ramen in het trappenhuis gebarsten, is de voordeur van de woning beschadigd en is de deurmat van de woning zwartgeblakerd. Agenten ter plaatse troffen op de eerste trap in het portiek een blauw plastic dopje, een luciferdoosje en een afgebrande lucifer aan. Op de trap van de eerste naar de tweede verdieping werden daarnaast snippers van een verpakking aangetroffen, die vermoedelijk afkomstig waren van het gebruikte explosief.
Op basis van de bevindingen van het onderzoek ter plaatse gaat de rechtbank ervan uit dat de aangetroffen afgebrande lucifer en het luciferdoosje zijn gebruikt bij het laten afgaan van een explosief bij de deur van de woning aan de [adres 2], waardoor de ontploffing teweeg is gebracht.
De aangetroffen lucifer, het luciferdoosje en de vuurwerkrestanten zijn forensisch onderzocht. Uit de bemonstering van de afgebrande lucifer is een enkelvoudig DNA-profiel van de verdachte aangetroffen, waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. Dat wil zeggen dat de kans dat een willekeurig, niet verwant persoon dat DNA-profiel heeft, kleiner is dan één op één miljard. De bewijskracht van deze DNA-match is dus zeer groot. Het betreft een enkelvoudig DNA-profiel, wat de grootste bewijswaarde vertegenwoordigt. Daarnaast is op het luciferdoosje een dactyloscopisch spoor (vingerafdruk) aangetroffen. De vingerafdruk blijkt afkomstig te zijn van de linker duim van de verdachte. Op de lucifer en het luciferdoosje zijn geen DNA of vingerafdrukken van een ander persoon aangetroffen.
Gelet hierop staat vast dat de verdachte de lucifer en het luciferdoosje, die zijn gebruikt bij het afsteken van het explosief, op enig moment heeft vastgehouden. De rechtbank is van oordeel dat de afgebrande lucifer en het daarop aan getroffen (enkelvoudig) DNA-profiel zijn aan te merken als daderspoor. Het DNA van de verdachte op de afgebrande lucifer is naar het oordeel van rechtbank een directe link met het daadwerkelijk afsteken van het explosief.
De verdachte ontkent dat hij bij de explosie betrokken was en betwist dat het aantreffen van zijn DNA en vingerafdruk verband houdt met het gepleegde strafbare feit. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij het luciferdoosje zelf heeft aangeschaft en dat het mogelijk door een ander is overgenomen. Ter zitting heeft hij verklaard dat de lucifer en het luciferdoosje mogelijk door hem op een ander moment in het portiek zijn achtergelaten, omdat hij vaak in portieken ging roken met vrienden. Volgens de verdachte zou hij de luciferdoosjes na het roken telkens in het portiek achterlaten.
De rechtbank schuift de verklaringen van de verdachte als ongeloofwaardig en onaannemelijk terzijde. De rechtbank overweegt dat verdachte wisselend heeft verklaard over de aanwezigheid van het luciferdoosje en de afgebrande lucifer met zijn DNA op de trap voor de woning waar het explosief is afgegaan. Het scenario van de verdachte dat hij de lucifers heeft aangeschaft en mogelijk aan een ander heeft overgegeven, verklaart niet de aanwezigheid van een afgebrande lucifer met zijn DNA op het plaats delict. Bovendien zijn
op het luciferdoosje geen DNA of vingerafdrukken van een ander persoon aangetroffen.
Het scenario van de verdachte dat hij de lucifer en het luciferdoosje op een ander moment in het portiek heeft achtergelaten omdat hij vaak in portieken rookte met vrienden, waaronder ook in dit portiek, wordt weersproken door het feit dat deze woning zich in een afgesloten portiek bevindt en niet vrij toegankelijk is. Daar komt bij dat in het trappenhuis verder niet meerdere afgebrande lucifers en peuken zijn aangetroffen, zoals mag worden verwacht als er door een groepje jongens in het trappenhuis wordt gerookt. Daarnaast was het aangetroffen luciferdoosje een nieuw doosje en acht de rechtbank het niet geloofwaardig dat de verdachte na het roken telkens opnieuw een luciferdoosje in een portiek zou achterlaten.
De rechtbank wordt verder gesterkt in haar overtuiging dat de verdachte het explosief heeft laten afgaan, door het door de getuige opgegeven signalement. Hoewel het signalement niet voldoende onderscheidend is, sluit het de verdachte ook niet uit.
Op basis van al het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte degene is geweest die het explosief bij de deur van de woning aan de [adres 2] af heeft laten gaan en de ontploffing teweeg heeft gebracht.
Geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank zal de verdachte, zoals door de verdediging betoogd, vrijspreken van het onderdeel levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, omdat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te komen tot het oordeel dat er als gevolg van de ontploffing levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten viel. De bewoner van de woning aan de [adres 2] was ten tijde van de ontploffing niet thuis, zodat hij niet (dodelijk) gewond had kunnen raken. Daarnaast blijkt uit het dossier niet dat ten tijde van het afgaan van het explosief personen in de directe nabijheid van het explosief aanwezig waren. Dat de getuige heeft verklaard dat hij een enorme druk voelde over zijn lijf is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is geweest van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel .
Conclusie
De rechtbank is op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 30 maart 2024 te 's-Gravenhage, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door bij de deur van de woning aan de [adres 2] een explosief af te laten gaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor deze woning en de daarin aanwezige goederen en het portiek waarin voornoemde woning zich
bevindtte duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van één jaar. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een eventuele veroordeling aan de verdachte een straf op te leggen die past bij het jeugdstrafrecht en de leeftijd van de verdachte ten tijde van het strafbare feit. De oplegging van een (on)voorwaardelijke jeugddetentie is volgens de verdediging in dit geval niet passend.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feitDe verdachte heeft zich op vijftienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing door het af laten gaan van een explosief bij een woning in Den Haag. De ontploffing had een harde knal en schade aan de woning en het portiek tot gevolg.
De ontploffing van een explosief bij een woning is een zeer indringende en intimiderende gebeurtenis voor de bewoners en omwonenden en kan tot zeer gevaarlijke situaties leiden. De verdachte heeft eraan bijgedragen dat de bewoners zich angstig en onveilig voelen op de plek waar zij zich juist het meest veilig dienen te voelen. Het tot ontploffing brengen van explosieven en vuurwerkbommen doet zich op verschillende plaatsen in Nederland steeds vaker voor, wat zorgt voor grote onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij niet heeft nagedacht over de gevolgen van zijn handelen voor anderen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 mei 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Wel liep hij in een proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee.
Persoon van de verdachte
Uit de brief van 16 juni 2026 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) blijkt dat het niet meer is gelukt om een onderzoek uit te voeren om te komen tot een strafadvies. Uit de brief blijkt voorts dat de Raad vorig jaar een strafonderzoek heeft uitgevoerd betreffende een andere verdenking van de verdachte. Dit rapport van 25 juni 2025 is als bijlage aan de brief toegevoegd. In dit rapport adviseert de Raad om aan de verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen en de voorwaardelijk opgelegde werkstraf ten uitvoer te leggen.
De deskundige van de Raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij geen aanleiding ziet om van voormeld advies af te wijken. Het lijkt erop dat de verdachte de stijgende lijn heeft vast weten te houden sinds hij bij zijn vader woont. Daarnaast is het positief dat hij door kan stromen naar MBO 4.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn met één maand overschreden. De rechtbank volstaat met deze constatering, en past geen strafvermindering toe, omdat er slechts sprake is van een korte overschrijding van de redelijke termijn.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt voor brandstichting met aanzienlijke schade voor goederen een taakstraf van 60 uur dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie opgenomen.
De rechtbank neemt bij de strafoplegging in aanmerking dat het bewezenverklaarde feit relatief lang geleden heeft plaatsgevonden en dat de verdachte sindsdien niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie. De verdachte heeft zijn leven op de rit en hij lijkt op dit moment op de goede weg te zijn.
Alles afwegend vindt de rechtbank oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, passend en geboden. Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank een proeftijd van één jaar verbinden. Met de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel hoopt de rechtbank de verdachte te motiveren om de positieve ontwikkelingen vast te blijven houden.
Nu de verdachte wordt vrijgesproken voor het onderdeel levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel ziet de rechtbank, anders dan door de officier van justitie gevorderd, geen aanleiding voor de oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie.

7.De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 09-284523-22 door de kinderrechter van de rechtbank Den Haag op 20 januari 2023 voorwaardelijke opgelegde werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen jeugddetentie, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarde.
De officier van justitie persisteert bij de vordering.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de vordering af te wijzen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 20 januari 2023. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
60 (ZESTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
30 (DERTIG) DAGEN;
bepaalt dat een gedeelte van deze taakstraf van
30 (DERTIG) UREN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
1 (ÉÉN) jaarvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
de vordering tenuitvoerlegging
gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen jeugddetentie, opgelegd bij voormeld vonnis van 20 januari 2023 in de zaak met parketnummer 09-284523-22.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, voorzitter,
mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter,
en mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 juli 2026.