ECLI:NL:RBDHA:2026:19383

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 4001
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 3.92b Wet IB 2001Art. 3.95b Wet IB 2001Art. 7:15 AwbArt. 8:42 Awb
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding bezwaarfase bij onterechte aanslag lucratief belang

Eiser ontving een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2018, gebaseerd op de toepassing van de lucratiefbelangregeling. Na bezwaar werd de aanslag verminderd, maar de integrale proceskostenvergoeding werd afgewezen en slechts een forfaitaire vergoeding toegekend. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing.

De rechtbank onderzocht de feiten rondom de aandelenstructuur van [vennootschap 2] en de kapitaalrondes, waarbij eiser als 'initial investor' aandelen had die gelijkmatig in waarde stegen met de onderneming. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een lucratief belang, zodat de aanslag geen stand kon houden. Verweerder handelde tegen beter weten in door de aanslag op deze grondslag op te leggen en het bezwaar niet adequaat te behandelen.

De rechtbank vond dat dit handelen een bijzondere omstandigheid vormde die rechtvaardigt af te wijken van het forfaitaire kostenbedrag. Voor de bezwaarfase werd een proceskostenvergoeding van €50.000 toegekend. Voor de beroepsfase werd geen bijzondere omstandigheid vastgesteld en bleef de forfaitaire vergoeding van €3.736 van kracht. De rechtbank wees verdere bewijsaanbiedingen af en veroordeelde verweerder tevens tot vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot een proceskostenvergoeding van €50.000 voor de bezwaarfase wegens handelen tegen beter weten in bij een onterechte aanslag lucratief belang.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/4001

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 mei 2025 de aanslag en de rentebeschikking overeenkomstig het bezwaar van eiser verminderd. Daarbij heeft verweerder het verzoek van eiser om een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase afgewezen en een forfaitaire kostenvergoeding toegekend van € 3.235.
Eiser heeft tegen de afwijzing van zijn verzoek om een integrale proceskostenvergoeding bij brief van 11 juni 2025 beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 18 juli 2025 een verweerschrift met stukken ingediend, en op
28 augustus 2025 nadere stukken overgelegd.
Na brieven daarover van eiser van 8 september 2025, 12 november 2025, 14 januari 2026 en 16 februari 2026 heeft verweerder op 5 december 2025 en 10 maart 2026 ter voldoening aan artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verdere stukken overgelegd.
Partijen hebben vóór de zitting hun standpunten nader onderbouwd; verweerder bij brief van 2 april 2026 en eiser met een aanvullend beroepschrift van 11 april 2026.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2026.
Namens eiser zijn verschenen zijn gemachtigde en diens kantoorgenoot mr. [gemachtigde 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [medewerker belastingdienst 1] , mr. [medewerker belastingdienst 2] , mr. [medewerker belastingdienst 3] , mr. [medewerker belastingdienst 4] en [medewerker belastingdienst 5] .
De rechtbank heeft aan het einde van de zitting het onderzoek geschorst voor overleg tussen partijen. Naar aanleiding van het bericht van eiser van 7 mei 2026 heeft de rechtbank partijen op 12 mei 2026 laten weten het onderzoek te sluiten en uitspraak te zullen doen.

Overwegingen

Feiten
Algemeen
1. [vennootschap 1] B.V., na naamswijziging [vennootschap 2] B.V., ( [vennootschap 2] ) is op 29 december 2005 opgericht door [vennootschap 3] B.V. ( [vennootschap 3] ). [vennootschap 3] was op dezelfde dag opgericht door eiser, [mede-oprichter 1] en [mede-oprichter 2] , hierna gezamenlijk: de oprichters. Bij de oprichting van [vennootschap 2] verkreeg [vennootschap 3] alle 18.000 aandelen à € 1 nominaal in [vennootschap 2] . De oprichters verkregen ieder 33,3% van de aandelen in [vennootschap 3] , waartegenover zij ieder € 6.000 aan kapitaal stortten.
2. [vennootschap 2] is, met haar nadien opgerichte dochtervennootschappen, werkzaam op het gebied van [software development] .
3. In november 2006 is [vennootschap 4] B.V. ( [vennootschap 4] ) als aandeelhouder van [vennootschap 2] toegetreden. Daarbij verkreeg [vennootschap 4] 2.572 nieuw uitgegeven gewone aandelen tegenover storting van € 2.572 nominaal kapitaal en € 247.428 niet-gebonden agio. Verder verbond [vennootschap 4] zich aanvullend agio van € 50.000 te storten en een converteerbare lening van € 200.000 aan [vennootschap 2] te verstrekken. Daaraan is op 23 juli 2008 uitvoering gegeven. Het (middellijke) aandelenbezit in [vennootschap 2] van de oprichters verwaterde daardoor tot 29,17% per persoon.
4. In september/oktober 2011 vond een tweede kapitaalronde plaats. In verband daarmee is elk aandeel [vennootschap 2] in honderd aandelen gesplitst, zodat de nominale waarde van een aandeel € 0,01 werd. Bij deze kapitaalronde trad [vennootschap 5] B.V. ( [vennootschap 5] ) toe als aandeelhouder. Zij verkreeg 1.429.541 preferente aandelen A1 (prefs), tegenover storting van € 14.295,41 nominaal aandelenkapitaal en € 7.985.701,93 niet-gebonden agio. [vennootschap 4] nam bij deze ronde 229.749 prefs A2 tegenover storting van € 2.297,49 nominaal aandelenkapitaal en € 1.197.705,95 niet-gebonden agio. Het pref A verschilt alleen daarin van het gewone aandeel, dat zij een preferent recht geeft op de opbrengst bij verkoop van de meerderheid van de aandelen in [vennootschap 2] , bij een fusie met een derde die ten minste 50% verwerft alsmede bij faillissement, ontbinding of liquidatie van de vennootschap, zulks tot een bepaald maximum. Bij een voldoende grote opbrengst heeft de prefentie geen effect, in de zin dat dan de opbrengst gelijkelijk toekomt aan alle aandeelhouders naar rato van het nominale kapitaal.
5. Rond deze kapitaalronde deed zich verder het volgende voor.
- [vennootschap 3] is opgesplitst in drie afzonderlijke vennootschappen, waarmee ieder van de oprichters een persoonlijke houdster verkreeg.
- De door de oprichters (middellijk) gehouden aandelen [vennootschap 2] werden gecertificeerd.
- [vennootschap 2] kocht 214.432 gewone aandelen in van de persoonlijke houdsters van de oprichters, tegen dezelfde prijs per aandeel als waarvoor de prefs A waren uitgegeven.
- Ook zijn door [vennootschap 2] 60.308 gewone aandelen uitgegeven aan de houdsters van [mede-oprichter 1] en 120.616 aan die van [mede-oprichter 2] , eveneens tegen dezelfde prijs per aandeel.
Het belang van eiser in [vennootschap 2] was na deze ronde gedaald tot 12,26%; dat van [mede-oprichter 1] en [mede-oprichter 2] tot 14,65% respectievelijk 17.03%.
6. In januari 2014 vond de derde kapitaalronde plaats. Bij deze ronde trad [vennootschap 6] S.a.r.l. ( [vennootschap 6] ) toe als aandeelhouder, door 474.497 prefs B te nemen tegenover storting van $ 10.875.471,24 aan nominaal kapitaal en niet-gebonden agio. [vennootschap 5] heeft bij deze ronde haar belang uitgebreid door 179.955 prefs B te nemen tegenover storting van $ 4.124.568,80 aan nominaal kapitaal en niet-gebonden agio. Het pref B onderscheidt zich alleen van het pref A, dat zij in preferentie voorgaat op het pref A. De persoonlijke houdster van eiser heeft bij gelegenheid van deze kapitaalronde 65.445 (certificaten van) aandelen verkocht aan [vennootschap 5] en [vennootschap 6] . Het belang van eiser in [vennootschap 2] is daardoor gedaald tot 8,90%; dat van [mede-oprichter 1] en [mede-oprichter 2] tot respectievelijk 10,91% en 12,91%.
7. Bij statutenwijziging van 30 december 2014 is agio omgezet in nominaal aandelenkapitaal en is vervolgens het aandeel gesplitst. Dat had geen verandering in de aandeelhoudersverhoudingen tot gevolg. Wel vond enige verwatering plaats door de in 2015 en 2017 aan de [banknaam] uitgegeven warrants en de opties die waren verstrekt aan werknemers (niet zijnde de oprichters). Daardoor bedroeg het (middellijk) aandelenbezit van eiser in [vennootschap 2] per 1 augustus 2018 nog 8,65%, en dat van [mede-oprichter 1] en [mede-oprichter 2] respectievelijk 10,59% en 12,54%.
8. Bij Sale and Purchase Agreement van 1 augustus 2018 (de SPA) kocht [vennootschap 7] B.V. ( [vennootschap 7] ) alle aandelen [vennootschap 2] tegen de koopprijs van € [bedrag] (plus/min adjustments). Deze koopsom was zodanig hoog, dat de preferentie van de prefs A en B geen rol heeft gespeeld; de koopsom is gelijkelijk over alle aandelen verdeeld. In de SPA is overeengekomen dat de betaling voor de aandelen van de oprichters deels vertraagd werd uitbetaald (in Instalments A en B) en dat aan hen een voorwaardelijke Retention Amount werd toegekend. Aan de Instalments en de Retention Amount zijn voorwaarden verbonden omtrent de periode waarin de oprichters aan de ondernemingsuitoefening verbonden zouden blijven, alsmede omtrent te behalen omzetten.
Aanslagregeling
9. Eiser deed op 29 februari 2020 aangifte IB/PVV voor het jaar 2018. Daarbij heeft hij een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 151.195 aangegeven, bestaande uit € 189.059 loon van [vennootschap 2] verminderd met € 37.864 aan (negatieve) inkomsten uit eigen woning.
10. Op 8 maart 2021 heeft verweerder naar aanleiding van de aangifte van de persoonlijke houdster van [mede-oprichter 1] de vraag opgeworpen of mogelijk sprake was van een lucratief belang in de zin van artikel 3.92b van de Wet IB 2001, waarbij hij verzocht om alle overeenkomsten met betrekking tot de investeringen in [vennootschap 2] vanaf oprichting tot aan de verkoop aan [vennootschap 7] . Dat deed hij via de belastingadviseur van [mede-oprichter 1] , [belastingadviseur] . Verweerder verzocht daarbij om alle overeenkomsten die er zijn in verband met ontstaan, groei en verkoop van [vennootschap 2] . In zijn reactie van 16 maart 2021 zette [belastingadviseur] uiteen, onder verwijzing naar bij verweerder al bekende stukken, dat geen sprake was van een lucratief belang. Op 26 maart 2021 zond [belastingadviseur] nadere stukken aan verweerder toe, waarbij hij hem verzocht om een Teams-vergadering teneinde inhoudelijk over de zaak te spreken.
11. Bij e-mail van 27 mei 2021 wees verweerder dat verzoek van de hand, met als redengeving dat er bij hem nog te veel onduidelijk was over de feiten, en verzocht hij [belastingadviseur] om een aantal nadere stukken. In de daarop volgende periode van 15 maanden heeft [belastingadviseur] meermaals verzocht om inhoudelijke gedachtewisseling, althans dat verweerder ten minste zou aangeven wat zijn aanleiding was om te denken dat van een lucratief belang sprake zou kunnen zijn. Verweerder is daar niet in meegegaan. In plaats daarvan heeft hij een paar keer om nadere stukken en informatie verzocht, op 27 mei 2021 en 17 januari 2022.
12. De correspondentie tussen [belastingadviseur] en verweerder betrof [mede-oprichter 1] . De aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 was al vóór maart 2021 aan [mede-oprichter 1] opgelegd; verweerder onderzocht of van hem zou moeten worden nagevorderd. In vervolg op het verzoek van de belastingadviseur van eiser om hem in verband met persoonlijke omstandigheden met rust te laten, had verweerder hem niet rechtstreeks in zijn onderzoek betrokken. Dat deed hij voor het eerst bij brief van 1 juli 2022 aan hem.
13. Bij brief van eveneens 1 juli 2022 aan [belastingadviseur] deed verweerder een zeer breed informatieverzoek. Op 20 juli 2022 liet [belastingadviseur] weten dat niet doenlijk was daarop binnen de door verweerder gestelde termijn op te antwoorden en verzocht hij om uitstel.
14. Bij brief van 8 september 2022 liet mr. [naam 1] van het kantoor [advocatenkantoor 1] aan verweerder weten de rol van [belastingadviseur] over te nemen en ook voor eiser op te treden.
15. Bij brief van 26 oktober 2022 aan [advocatenkantoor 1] kondigde verweerder aan van de aangifte IB/PVV 2018 van eiser te zullen afwijken, met een correctie van € 59.617.526 aan resultaat uit overige werkzaamheid, alsmede met een correctie ter zake van de eigen woning van € 3.563. Daarbij gaf hij aan de aanslag met het oog op de verjaringstermijn al in de systemen te hebben ingevoerd.
16. Op 31 oktober 2022 reageerde [advocatenkantoor 1] op de vragenbrief van verweerder van 1 juli 2022. Op 1 november 2022 zond hij daar de door verweerder verzochte stukken achteraan (236 in getal met een totale omvang van ongeveer 1,5 gigabyte). Op 18 november 2022 liet verweerder aan [advocatenkantoor 1] weten niet te kunnen antwoorden op de door hem gestelde vraag of met die stukken was voldaan aan diens verzoek, en voorts dat er enige tijd gemoeid zou zijn met de bestudering ervan.
17. Met dagtekening van 1 december 2022 is de op 26 oktober 2022 aangekondigde aanslag aan eiser opgelegd, tot een te betalen bedrag van € 35.041.639. Daarvan is € 4.068.570 belastingrente.
Bezwaar
18. Bij e-mail van 29 november 2022 heeft mr. W. Vunderink aan verweerder laten weten dat zijn kantoor [advocatenkantoor 2] , de zaak van [advocatenkantoor 1] had overgenomen. Tussen
6 december 2022 en 19 december 2022 was er correspondentie tussen [advocatenkantoor 2] en verweerder en was er ook, op 15 december 2022, een bespreking.
19. Op 22 december 2022 diende [advocatenkantoor 2] namens eiser een pro forma bezwaarschrift tegen de aanslag in. Vervolgens:
- legde de bezwaarbehandelaar bij brief van 10 januari 2023 vast de uitspraaktermijn met instemming van [advocatenkantoor 2] te verlengen tot 1 juli 2023;
- motiveerde [advocatenkantoor 2] bij brief van 24 februari 2023 het bezwaar, waarbij hij het verzoek deed om vergoeding van de integrale kosten van rechtsbijstand;
- waren er op 16 februari en 11 april 2023 besprekingen tussen [advocatenkantoor 2] en verweerder; en
- vroeg verweerder bij e-mail van 12 april 2023 om een nadere verduidelijking, die [advocatenkantoor 2] bij e-mail van 18 april 2023 verstrekte.
20. Op 19 april 2023 liet de bezwaarbehandelaar telefonisch aan [advocatenkantoor 2] weten dat naar zijn oordeel geen sprake was van een lucratief belang en dat hij derhalve aan het bezwaar tegemoet zou komen. Dit bevestigde hij bij brief van 26 mei 2023. In die brief liet hij voorts weten het verzoek om integrale vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
21. Met de beoordeling op het bezwaar van eiser was tevens het eventueel opleggen van een navorderingaanslag aan [mede-oprichter 1] van de baan.
22. Bij e-mail van 23 september 2024 zond [advocatenkantoor 2] ter nadere motivering van het verzoek om integrale proceskostverweerder een notitie van 320 pagina’s aan verweerder toe, alsmede een notitie van 21 pagina’s van de hand van de strafrechtadvocaat mr. [naam 2] (de strafnotitie).
23. Op 7 november 2024 vond het hoorgesprek plaats. Met dagtekening van 1 mei 2025 deed verweerder uitspraak op bezwaar. Daarbij heeft hij de aanslag verminderd met een bedrag van € 59.617.526 ter zake van het eerder gestelde resultaat uit overige werkzaamheid, alsmede met € 3.563 ter zake van inkomsten uit eigen woning. Voorts heeft hij een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase toegekend naar het forfait van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit), van € 3.235.
Geschil
24. In geschil is of eiser recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding voor zowel de bezwaar- als de beroepsfase.
25. Eiser stelt dat moet worden afgeweken van de forfaitaire kostenvergoeding wegens bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit omdat – kort samengevat – verweerder met oneigenlijke bedoelingen en ook overigens verregaand onzorgvuldig een onhoudbare aanslag heeft opgelegd. Eiser verzoekt om een kostenvergoeding van in totaal € 2.243.815,86.
26. Verweerder betwist verregaand onzorgvuldig en/of tegen beter weten in te hebben gehandeld en stelt dat moet worden volstaan met het forfait.
Beoordeling van het geschil
Kader
27. Kosten in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep komen bij uitsluiting op de voet van de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding wordt genormeerd in het op die bepalingen berustende Besluit. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit wordt het bedrag van de te vergoeden proceskosten forfaitair vastgesteld overeenkomstig de in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarieven. Het derde lid van dit artikel 2 geeft Pro de mogelijkheid om bij bijzondere omstandigheden af te wijken van het eerste lid, en daarmee van het forfait. De uitzondering wegens bijzondere omstandigheden wordt terughoudend toegepast. [1]
28. Van bijzondere omstandigheden die grond geven voor een hogere proceskostenvergoeding dan het forfait is sprake als het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking geeft of een uitspraak op bezwaar doet, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (‘procederen tegen beter weten in’) of als het – anderszins – verregaand onzorgvuldig heeft gehandeld. [2]
29. Of sprake is van bijzondere omstandigheden in de hier bedoelde zin moet per fase van het geding worden beoordeeld. Voor wat betreft de door eiser gevorderde proceskosten ter zake van de bezwaarfase gaat het dus om de aanslag en de wijze waarop het bezwaar is behandeld. Voor wat betreft de gevorderde proceskostenvergoeding in beroep gaat het om een andere beschikking dan die in de bezwaarfase centraal stond, namelijk niet de aanslag maar de afwijzing van het verzoek om vergoeding in afwijking van het forfait, en komt het erop aan of die afwijzing tegen beter weten in was en de wijze waarop verweerder zich in beroep heeft opgesteld.
30. Tot de door eiser verzochte vergoeding behoren ook kosten die hij in de fase van de aanslagregeling heeft gemaakt. Dat zijn uit de aard van de zaak geen kosten die zijn gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar, zodat zij niet op de voet van de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.
De lucratiefbelangregeling
31. Met de lucratiefbelangregeling van artikel 3.92b van de Wet IB 2001 stond de wetgever voor ogen om beloningsbestanddelen die zijn verpakt als potentiële opbrengsten van participaties als resultaat uit een werkzaamheid in box 1 te belasten. Bij de parlementaire behandeling is deze strekking als volgt toegelicht: [3]
“Het bereik van de voorgestelde wetgeving is beperkt tot vermogensbestanddelen, waaronder aandelen, waaraan als beloning voor werkzaamheden van degene aan wie de vermogensbestanddelen worden verstrekt, bepaalde bijzondere condities of voorwaarden zijn verbonden. Kenmerkend daarbij is dat rendementen kunnen worden behaald die in geen verhouding staan tot het geïnvesteerde kapitaal en/of het feitelijk op de investering gelopen risico; veelal zijn «hefboommechanismen» ingebouwd, waardoor zeer hoge rendementen kunnen worden behaald. Aandelenpakketten (en andere vermogensbestanddelen) waaraan dergelijke bijzondere condities niet zijn verbonden, worden niet door het wetsvoorstel bestreken. Daarenboven vallen alleen die vermogensbestanddelen onder het voorgestelde regime, waarvoor geldt dat het rendement dat daarmee wordt behaald, gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het vermogensbestanddeel is verkregen, naar moet worden aangenomen mede beoogt een beloning te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige (of een met de belastingplichtige verbonden persoon).”
32. De regeling van artikel 3.92b van de Wet IB 2001 wordt in de literatuur algemeen als complex beoordeeld. De complexiteit is terug te voeren op de wijze waarop de wetgever de gevallen heeft afgebakend die die hij wel of niet onder de regeling heeft willen brengen. Dat heeft hij gedaan middels het vereiste van een beloningsoogmerk en een aantal kwantitatieve toetsen die zodanig zijn vormgegeven dat zij in hun toepassing niet steeds duidelijk zijn en in voorkomend geval verregaande analyse van de feiten vergen.
33. Artikel 3.95b, tweede lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat als een vermogensbestanddeel dat als lucratief belang kwalificeert middellijk wordt gehouden, het resultaat niet later in box 1 in aanmerking wordt genomen dan als het onmiddellijk zou zijn gehouden. Als van dat resultaat in het kalenderjaar waarin het wordt gerealiseerd ten minste 95% door de vennootschap wordt uitgedeeld, en de belastingplichtige daarvoor kiest, dan wordt op grond van het vijfde lid van dit artikel 3.95b de opbrengst niet als resultaat uit een werkzaamheid naar het tarief van box 1 belast, maar als inkomsten uit aanmerkelijk belang naar het tarief van box 2. Als niet een zodanige uitdeling plaatsvindt, ontstaat een dubbele heffing – zowel in box 1 op grond van het tweede lid van artikel 3.95b van de Wet IB 2001 als in box 2 bij vervreemding –, namelijk doordat het als resultaat uit werkzaamheid in aanmerking genomen bedrag niet het opgeofferd bedrag verhoogt. De wetgever heeft dit onder ogen gehad maar heeft daarvoor geen voorziening getroffen.
Bijzondere omstandigheden - bezwaarfase
34. In de kern genomen zijn voor de toepassing van de lucratiefbelangregeling de relevante feiten als volgt.
[vennootschap 2] is eind december 2005 opgericht met een startkapitaal van 3 x € 6.000.
Eind november 2006 trad een investeerder toe, [vennootschap 4] . Zij nam gewone aandelen tegenover een kapitaalbijdrage van € 300.000, vrijwel geheel de vorm van agio dat zich over alle aandelen uitspreidde.
In september 2011 trad een tweede investeerder toe, [vennootschap 5] , die tegenover een kapitaalstorting van € 7.999.997,34 prefs A verwierf. Bij deze gelegenheid breidde [vennootschap 4] haar belang uit, door tegenover een kapitaalstoring van € 1.200.003,44 prefs A te verwerven.
  • De kapitaalstortingen bestonden opnieuw vrijwel geheel uit niet-gebonden agio;
  • de prefs A verschillen alleen daarin van gewone aandelen, dat zij tot een bepaald bedrag voorrang geven bij liquidatie of verkoop van [vennootschap 2] .
Begin 2014 vond een derde kapitaalronde plaats. Daarbij trad [vennootschap 6] toe als aandeelhouder door 474.497 prefs B te nemen tegenover storting van $ 10.875.471,24, en breidde [vennootschap 5] haar belang uit door 179.955 prefs B te nemen tegenover storting van $ 4.124.568,80.
  • Ook deze kapitaalstortingen bestonden vrijwel geheel uit niet-gebonden agio;
  • ook de prefs B verschillen alleen daarin van gewone aandelen dat zij tot een bepaald bedrag voorrang geven bij liquidatie of verkoop.
Bij SPA van 1 augustus 2018 kocht [vennootschap 7] alle aandelen in [vennootschap 2] . De overeengekomen koopsom was voor ieder aandeel gelijk en kwam de aandeelhouders gelijkelijk toe naar rato van ieders nominale aandelenkapitaal.
35. Bij het opleggen van de aanslag waren de hiervoor samengevatte feiten bij verweerder bekend en voor hem verifieerbaar. Dat volgt uit de brief van 26 oktober 2022 waarmee verweerder aankondigde van de aangifte te zullen afwijken. Het eerste onderdeel daarvan bevat een compleet overzicht van de feiten – in aanzienlijk groter detail dan in de weergave van de punten 1 t/m 8 hiervoor –, met bij nagenoeg iedere feitelijkheid verwijzing naar de stukken die verweerder in de voorgaande periode had ontvangen.
36. De onder 34 samengevatte casus van het onderhavige geval komt nagenoeg een-op-een overeen met die van het voorbeeld dat bij de parlementaire behandeling aan de orde is geweest, en waarbij tot uitdrukking is gebracht dat de aandelen van de zogenoemde ‘initial investors’ niet als lucratief belang worden aangemerkt. [4] Eiser heeft als ‘initial investor’ de waarde van zijn aandelen gelijk-op zien groeien met de waarde van de onderliggende onderneming. Dat hij (aanzienlijk) minder voor zijn aandelen heeft betaald dan [vennootschap 4] , [vennootschap 5] en [vennootschap 6] is niet op iets anders terug te voeren dan dat deze als aandeelhouder zijn toegetreden gaandeweg de groei van de waarde van de onderneming. Beoordeeld naar de bedoeling van de wetgever is dat niet een situatie waarop de lucratiefbelangregeling ziet. Dat is zij evenmin bij de beoordeling aan de hand van de toepassingscriteria van artikel 3.92b van de Wet IB 2001. Dat aan die criteria niet wordt voldaan, volgt reeds daaruit dat eiser nooit andere dan (certificaten van) gewone aandelen heeft gehad terwijl de prefs A en B alleen een voorrang maar niet een beperking in de winstgerechtigdheid kenden. Dat volgt bovendien ook al daaruit, dat bij de verkoop aan [vennootschap 7] alle aandelen (zowel gewone als prefs) gelijkelijk in de opbrengst deelden. Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank buiten twijfel dat in casu geen sprake was van een lucratief belang, zodat ten tijde van het opleggen van de aanslag duidelijk was dat zij geen stand zou kunnen houden.
37. Verweerder stelt dat ten tijde van het opleggen van de aanslag nog niet alle feiten bekend waren, waarbij hij wijst op het ten tijde van het opleggen van de aanslag nog niet beantwoorde informatieverzoek van 1 juli 2022. Ter zitting daarnaar gevraagd heeft verweerder bevestigd dat – bij de gegeven feiten – niet te bedenken is bij welke aanvullende feiten niettemin sprake zou kunnen zijn van een lucratief belang. Het verweer dat niet alle feiten bekend waren, faalt derhalve.
38. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het verwijt treft te hebben gehandeld tegen beter weten in. Dat is hem te meer aan te rekenen nu pas op 15 december 2022 – ruim een jaar en tien maanden na het begin van het dispuut – voor het eerst een inhoudelijk gesprek plaatsvond. Gezien de aandrang daartoe van de zijde van [belastingadviseur] en de buitensporige belastingdruk van bijna 100% bij een lucratief belang had dat naar het oordeel van de rechtbank veel eerder moeten gebeuren. Daarmee is sprake van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit die aanleiding geeft om voor wat betreft de kosten van rechtsbijstand van het forfait af te wijken.
Bijzondere omstandigheid - beroepsfase
39. Dat verweerder de vordering van eiser tot vergoeding van de integrale proceskosten betwist, is naar het oordeel van de rechtbank niet een handelen tegen beter weten in.
40. In de beroepsfase heeft verweerder aanvankelijk niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend (zie onder Procesverloop). Mede gezien de omvang van het dossier en omdat verweerder dat na de signalen daarover van eiser heeft hersteld, is dat naar het oordeel van de rechtbank niet een onzorgvuldigheid die afwijking van het forfait rechtvaardigt.
41. Van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit is daarmee voor wat betreft de beroepsfase geen sprake.
De gevorderde kosten
42. Van het totaal van de door eiser gevorderde kostenvergoeding van € 2.243.815,86, heeft € 161.091 betrekking op de aanslagregelende fase en € 444.943,24 op de beroepsfase. Deze kosten komen, zoals hiervoor onder 30 en 39 t/m 41 overwogen, niet in aanmerking voor vergoeding op de voet van de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb.
43. De gestelde kosten ter zake van de bezwaarfase, van € 1.637.781,62, betreffen de declaraties van [advocatenkantoor 2] . Daartoe behoren ook de door hem door-gedeclareerde kosten van de strafnotitie. [advocatenkantoor 2] heeft zijn declaraties steeds voor de helft bij eiser en voor de helft bij [mede-oprichter 1] ingediend. Eiser stelt dat, nu geen navorderingsaanslag aan [mede-oprichter 1] is opgelegd en daardoor voor [mede-oprichter 1] geen bestuursrechtelijke rechtsingang heeft opengestaan waarin hij om vergoeding van de door hem belopen kosten had kunnen verzoeken, de redelijkheid gebiedt dat de rechtbank verweerder ook in die kosten veroordeelt. Daartoe biedt deze procedure evenwel geen mogelijkheid. Van een rechtstekort is ook geen sprake aangezien [mede-oprichter 1] – nu voor hem geen sprake is van kosten van bezwaar – ter zake een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.
44. Voor vergoeding komen in aanmerking de proceskosten die in redelijkheid voor de behandeling van bezwaar zijn gemaakt. Het gestelde, als aan eiser gedeclareerde bedrag van € 818.890,81 gaat naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van het redelijke ver te buiten. Bovendien heeft eiser geen declaraties overgelegd (maar alleen een overzicht daarvan), geen specificatie van de bestede tijd gegeven, terwijl ook betaalbewijzen ontbreken. Eiser heeft ter zitting aangeboden hier alsnog in te voorzien. Aan dit bewijsaanbod gaat de rechtbank voorbij, als tardief en ook met het oog op het navolgende.
45. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser significante kosten heeft gemaakt voor de rechtsbijstand door [advocatenkantoor 2] . Gelet op de stellingname daaromtrent gaat de rechtbank verder ervan uit dat die kosten uitgaan boven wat als redelijk kan gelden. Gelet daarop zal zij het voor vergoeding in aanmerking komende bedrag in goede justitie bepalen.
46. Gezien de aard van de materie en de omvang van het dossier zal [advocatenkantoor 2] een significant aantal uren hebben gedeclareerd voor de bestudering van de zaak. Die tijd wordt opgeroepen door wisseling van gemachtigde. Voor eiser dreigde een dubbele heffing, waarmee – als ook de belastingrente in aanmerking wordt genomen – min of meer zijn gehele vermogen zou worden wegbelast (zie onder 33). Gedurende de aanslagfase, die bijna twee jaar duurde, heeft de gemachtigde van dat moment geen voet aan de grond gekregen (zie onder 11). Bij deze omstandigheden acht de rechtbank begrijpelijk, en ook niet onredelijk, dat eiser ervoor koos een andere gemachtigde in de arm te nemen.
47. Met de behandeling van het geschilpunt over de aanwezigheid van een lucratief belang waren, samengevat, de navolgende werkzaamheden van [advocatenkantoor 2] gemoeid.
  • [advocatenkantoor 2] heeft van 6 tot 15 december 2022 inleidend met verweerder gecorrespondeerd en op 15 december 2022 een bespreking met hem gehad.
  • Op 31 januari 2023 zond [advocatenkantoor 2] een inhoudelijke analyse met rekenmodellen toe aan verweerder. Mede op basis van dat stuk vond op 16 februari 2023 een bespreking plaats.
  • Bij brief van 24 februari 2023 heeft verweerder het bezwaar nader gemotiveerd met een stuk van 62 pagina’s.
  • [advocatenkantoor 2] heeft op 13 maart 2023 aan verweerder een door hem opgestelde ‘feitenmatrix’ overgelegd.
  • Op 11 april 2023 vond opnieuw een bespreking met verweerder plaats.
  • Bij e-mail van 18 april 2023 heeft [advocatenkantoor 2] een door hem op verzoek van verweerder opgesteld overzicht van de zogenoemde captables aan verweerder verstrekt.
48. De dag na laatstgenoemde e-mail, op 19 april 2023, liet verweerder telefonisch weten het bezwaar te zullen toewijzen. De verrichtingen van [advocatenkantoor 2] van nadien hebben betrekking op het verzoek om vergoeding van de kosten in afwijking van het forfait. De daarmee gemoeide kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, om dezelfde reden als hierboven is gegeven ten aanzien van de kosten in de beroepsfase; te weten dat omtrent dat verzoek niet van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit is gebleken.
49. Gezien de aard van de materie, het voor eiser gemoeide belang en de manier waarop de aanslagregelende fase is verlopen acht de rechtbank de onder 48 weergegeven verrichtingen als zodanig niet buitensporig. Zij schat de declaratiewaarde van de met bestudering van het dossier en die verrichtingen op € 100.000. Daarvan is overeenkomstig de stelling van eiser over de verdeling van de kosten tussen hem en [mede-oprichter 1] de helft aan eiser toe te rekenen.
Aangeboden bewijs
50. Eiser heeft bewijs aangeboden omtrent de wijze waarop [advocatenkantoor 2] te werk is gegaan in de casus van de door verweerder aangehaalde uitspraak van rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2023. [5] Ook heeft hij aangeboden alle in zijn notitie van 23 september 2024 genoemde stukken over te leggen. Voorts heeft hij een getuigenaanbod gedaan omtrent hetgeen de door hem genoemde personen op 16 februari 2023 uit het dossier hadden opgemaakt.
51. De rechtbank gaat aan deze bewijsaanbiedingen voorbij om reden dat zij niet redelijkerwijs kunnen bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Niet is in te zien hoe de werkwijze van [advocatenkantoor 2] in het door verweerder genoemde geval licht kan werpen op de onderhavige zaak. Voor de uitkomst van het geschil maakt de notitie van 23 september 2024 geen verschil. Wat de door eiser genoemde getuigen kunnen verklaren over wat zij op 16 februari 2023 wisten, kan evenmin de uitkomst anders maken.
Slotsom
52. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep gegrond verklaart en dat verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding aan eiser van € 50.000 ter zake van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase. De door verweerder bij de uitspraak op bezwaar toegekende forfaitaire vergoeding strekt, indien al voldaan, in aftrek op dat bedrag.
53. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. De te vergoeden kosten in beroep stelt de rechtbank op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.736 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 2 (zwaar)).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover zij de kostenvergoeding voor de bezwaarfase betreft;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in bezwaar tot een bedrag van € 50.000;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van in totaal € 3.736;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, voorzitter, en mr. K.G. Scholten en
mr. A.J.M. Arends, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127.
2.Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802 en Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:BP2975.
3.Vgl. Kamerstukken II 2007/08, 31 459, nr. 6, p. 20 (Nota naar aanleiding van het Verslag).
4.Vgl. Kamerstukken II 2007/08, 31 459, nr. 6, p. 23 (Nota naar aanleiding van het Verslag) en Kamerstukken II 2007/08, 31 459, C, p. 12 (Memorie van Antwoord).