ECLI:NL:RBDHA:2026:19385

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37244
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 59c VwArt. 5.6 VbArt. 5.7 VbArt. 28 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico en identiteitsvaststelling

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 3 juli 2026. De maatregel is gebaseerd op artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 en is gericht op het vaststellen van de identiteit en nationaliteit van eiser en het verkrijgen van gegevens voor de beoordeling van zijn asielaanvraag.

Eiser voerde aan dat het gehoor voorafgaand aan de bewaring niet zorgvuldig was en dat hij onvoldoende was geïnformeerd over zijn mogelijkheid om bijzondere persoonlijke omstandigheden aan te voeren. De rechtbank oordeelde echter dat het gehoor zorgvuldig was en dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om zijn belangen te presenteren.

De rechtbank stelde vast dat eiser niet beschikte over geldige identificatiedocumenten en zich aan toezicht had onttrokken, wat een risico op onderduiken oplevert. De gronden voor de bewaring zijn volgens de rechtbank juist en voldoende gemotiveerd. Minder dwingende maatregelen waren niet toereikend om het onderduikrisico te mitigeren.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd eiser geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37244

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Willems).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 3 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw [1] opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
1. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. [2] Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb [3] zich voordoen. [4] Dit geldt ook als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. [5] Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
2. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt verweerder de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. [6]
Gehoor voorafgaand aan de maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Eiser stelt dat het gehoor voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring niet zorgvuldig en volledig is geweest. Het is hem niet voldoende duidelijk gemaakt dat het aan hem is om eventueel bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot het oordeel kunnen leiden dat in zijn geval met toepassing van een lichter middel moet worden volstaan. Verweerder heeft een zorgplicht om eiser dit duidelijk te maken maar heeft daartoe geen concrete vragen gesteld. Eiser meent dat het schenden van de hoorplicht leidt tot schending van het verdedigingsbeginsel, waardoor hij in zijn belangen is geschaad.
4. Uit pagina 2 van het proces-verbaal van het gehoor blijkt dat eiser bij aanvang van het gehoor is meegedeeld dat het nu aan hem is om met betrekking tot diens persoonlijke belangen bijzondere feiten of omstandigheden aan te voeren die tot toepassing van een lichter middel zouden moeten leiden. Vervolgens is op pagina 3 te lezen dat aan eiser is gevraagd of er bijzondere omstandigheden zijn waar rekening mee gehouden dient te worden voordat de vreemdelingenbewaring wordt toegepast. Eiser wordt niet gevolgd in de stelling dat het gehoor onzorgvuldig heeft plaatsgevonden.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;u. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
6. Eiser betwist alle aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, behalve de grond s. Ten aanzien van grond a stelt eiser dat hij ten tijde van zijn inreis in de veronderstelling was dat hij een geldige Franse verblijfsvergunning had. Verder kan hem niet worden tegengeworpen dat hij zich niet aan de verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden omdat hij de Nederlandse taal niet spreekt en niemand kent in Nederland. Ook de grond r kan hem niet worden tegengeworpen omdat hij enkel op bezoek was bij een vriend en daarna zou terugkeren naar Frankrijk. Hij heeft daarom ook geen arbeid verricht in Nederland. Daarnaast is er volgens eiser geen risico op onderduiken omdat hij van plan was om terug te keren naar Frankrijk en alleen voor een toeristenreis in Nederland was.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gronden a en p terecht aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag heeft gelegd. Deze gronden zijn juist en voldoende toegelicht in de maatregel. Eiser beschikte bij zijn inreis niet over geldige identificerende documenten, alleen een foto van een Marokkaans paspoort en een verlopen Franse verblijfsvergunning. Het is aan zelf eiser om de geldigheid van zijn verblijfsdocument te controleren. Het komt dan ook voor zijn eigen rekening en risico wanneer deze verlopen is. Verder heeft eiser zijn illegale verblijf in Nederland niet gemeld en heeft hij zich daarmee aan het toezicht onttrokken. De grond p heeft eiser niet inhoudelijk betwist. De enkele stelling dat hij geen Nederlands spreekt en niemand kent maakt niet dat deze grond hem niet kan worden tegengeworpen. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat. Wat eiser heeft aangevoerd over de andere gronden behoeft daarom geen bespreking. Daarnaast blijkt uit eisers eigen verklaringen dat hij sinds september 2023 in Nederland is om te werken. Ook was hij op zoek naar een huis. Dit is dan ook tegenstrijdig met de stelling dat geen sprake is van een risico op onderduiken omdat hij enkel voor een toeristenreis in Nederland was en van plan was om terug te keren naar Frankrijk.
Lichter middel
8. Eiser stelt dat een meldplicht een gepastere maatregel zou zijn geweest.
9. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast om het risico op onderduiken te ondervangen. Dat eiser geen justitiële documentatie heeft, maakt dat niet anders. Bij de beoordeling heeft verweerder alle door eiser naar voren gebrachte omstandigheden betrokken. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.

Ambtshalve toets

10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 juli 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
3.Vreemdelingenbesluit 2000.
4.Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb.
5.Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
6.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.