ECLI:NL:RBDHA:2026:19387

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37250
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.6 VbArt. 5.5 VbVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 3 juli 2026. De maatregel werd opgelegd op grond van het risico dat eiser zou onderduiken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken of belemmeren.

Eiser betwistte de gronden van de maatregel niet, maar stelde dat verweerder niet voortvarend had gehandeld bij de uitzetting en dat een lichter middel, zoals een meldplicht, had moeten worden toegepast. Verweerder toonde aan dat er op 3 en 8 juli 2026 pogingen waren gedaan om een vertrekgesprek te voeren en dat overleg over uitzetting naar Nigeria binnen enkele dagen zou plaatsvinden.

De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld en dat geen minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend was om het onderduikrisico te ondervangen. Er waren geen feiten die de bewaring onevenredig bezwarend maakten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37250

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Willems).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 3 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [2] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
Voortvarend handelen
4. Eiser stelt dat uit het dossier niet blijkt dat verweerder voortvarend heeft gewerkt aan zijn uitzetting.
5. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat op 3 juli en 8 juli 2026 is getracht een vertrekgesprek met eiser te voeren. Eiser heeft echter niet gereageerd op de vragen en daarom is geen verslag opgemaakt van deze gesprekken. Verder heeft verweerder meegedeeld dat binnen één of twee dagen overleg zou plaatsvinden over eisers uitzetting naar Nigeria. Daarna zal een vlucht geboekt worden voor hem. Er zijn geen beletselen bekend die een vertrek naar Nigeria in de weg staan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Lichter middel
6. Eiser is van mening dat een lichter middel, zoals een meldplicht, toegepast had moeten worden. Verweerder heeft direct het zwaarste middel toegepast.
7. Voor zover eiser aanvoert dat een lichter middel had moeten worden toepast, wordt hij daarin niet gevolgd. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast om het risico op onderduiken te ondervangen. Bij de beoordeling heeft verweerder alle door eiser naar voren gebrachte omstandigheden betrokken. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
Ambtshalve toets
8. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 juli 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.