ECLI:NL:RBDHA:2026:19398

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/09/703680 / JE RK 26-659
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BWArt. 1:265j lid 3 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen

De rechtbank Den Haag behandelde op 11 juni 2026 het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen, geboren in 2013, 2015 en 2018. De minderjarigen verblijven in verschillende jeugdhulpvoorzieningen en een gezinsgerichte voorziening. De ouders, die het ouderlijk gezag behouden, wonen in dezelfde woonplaats en werden bijgestaan door een advocaat.

De gecertificeerde instelling vroeg om verlenging van de maatregelen voor een jaar, met een aangepaste machtiging voor verblijf passend bij de feitelijke woonsituatie van de kinderen. De ouders stemden in met verlenging voor twee van de kinderen, maar verzochten een kortere termijn van zes maanden voor de oudste.

De rechtbank oordeelde dat de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtigingen tot uithuisplaatsing voor een korte periode van één maand passend is, zodat de huidige situatie gehandhaafd blijft terwijl de rechtbank een definitief oordeel voorbereidt over de uithuisplaatsing in het licht van de opvoedvisie van de gecertificeerde instelling. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en verdere beslissingen worden aangehouden tot schriftelijke uitspraak op 3 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtigingen tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen voor één maand tot 14 juli 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/703680 / JE RK 26-659
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Gouda ,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over de minderjarigen
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2018 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen de vader,
hierna samen te noemen de ouders,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.S. Kerkhof-Pöttger uit Zoetermeer.
De rechtbank merkt als informanten aan:
[informant 1],
en
[informant 2],
hierna te noemen de gezinshuisouders van [minderjarige 3] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Op 17 april 2026 heeft de rechtbank het verzoekschrift met bijlagen ontvangen.
1.2.
Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming [1] is nagezonden en door de rechtbank ontvangen op 22 mei 2026.
1.3.
Op 5 juni 2026 heeft de rechtbank het verweerschrift van de ouders met acht producties ontvangen.
1.4.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
  • de ouders met hun advocaat.
1.5.
De gezinshuisouders van [minderjarige 3] zijn niet verschenen.
1.6.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een dag voor de zitting, op 10 juni 2026, apart van elkaar gesproken met de kinderrechter, tevens voorzitter van de meervoudige kamer. Tijdens de zitting heeft de voorzitter, met goedvinden van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , samengevat wat zij tijdens het gesprek hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. De gezinshuisouders van [minderjarige 3] hebben [minderjarige 3] afgemeld voor het gesprek met de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn gedurende het huwelijk van de ouders geboren.
2.3.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen in (verschillende) accommodaties van jeugdhulpaanbieders.
2.5.
[minderjarige 3] woont in een gezinsgerichte voorziening, bij de gezinshuisouders voornoemd.
2.6.
Bij beschikking van 3 juni 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd tot 14 juni 2026.
2.7.
Bij beschikking van 15 januari 2026 zijn de machtigingen tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in gezinsgerichte voorzieningen verlengd tot 14 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en voor diezelfde duur de machtigingen tot uithuisplaatsing te verlengen. Wat betreft de machtigingen tot uithuisplaatsing is het verzoek ter zitting gewijzigd, in die zin dat voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt verzocht een machtiging te verlenen voor hun verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en voor [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening. De categorisering sluit aan bij de feitelijke woonsituaties, omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn verhuisd. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft gevraagd om de opvoedvisie, zoals door de gecertificeerde instelling geformuleerd in twee bij het verzoek gevoegde bijlagen, te betrekken bij de beslissing over de uithuisplaatsing. De visie van de gecertificeerde instelling is dat het opvoedperspectief van de kinderen niet bij de ouders ligt.

4.De standpunten

4.1.
De ouders voeren geen verweer tegen verlenging van de ondertoezichtstelling en velenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zoals verzocht. Ten aanzien van [minderjarige 1] verzoeken zij de rechtbank de machtiging voor een kortere duur te verlengen, namelijk maximaal zes maanden.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog is voldaan aan de vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtigingen tot uithuisplaatsing. [2] De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen voor een korte periode moeten worden verlengd. De reden daarvan is dat de opvoedsituatie van de kinderen dan blijft zoals die nu is, in afwachting van het oordeel van de rechtbank over de uithuisplaatsingen in het licht van de opvoedvisie van de gecertificeerde instelling. Verlenging van de maatregelen voor een korte periode biedt de rechtbank de gelegenheid om de belangen zorgvuldig tegen elkaar af te wegen en schriftelijk gemotiveerd uitspraak te doen, zonder dat de maatregelen tussentijds verlopen. De rechtbank constateert dat de belanghebbenden geen bezwaar hebben tegen deze (tussen)beslissing.
5.2.
De rechtbank zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengen voor de duur van één maand en voor diezelfde duur de machtigingen tot uithuisplaatsing verlen(g)en. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden, waarbij de rechtbank op een latere datum schriftelijk uitspraak zal doen over de rest van het verzoek.
5.3.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.4.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 14 juli 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 14 juli 2026;
6.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening tot 14 juli 2026;
6.4.
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
houdt iedere verdere beslissing voor het overige aan;
6.6.
deelt mede dat de verdere beslissing schriftelijk zal worden gegeven op
3 juli 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door
mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, mr. K.A.M. van der Zon en mr. H.J.M. Bellekom, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.
De beslissing is schriftelijk vastgesteld op 13 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikelen 1:260 en 1:265c BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.