ECLI:NL:RBDHA:2026:19405

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/4039
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 3.1 planregelsArt. 3.2 planregels
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning bouw bedrijfswoning en kas

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een kas, bedrijfsruimte, wateropslagtank, trafo's, silo's, een woning en een in-/uitrit op een perceel te Westland. Verzoekers betwisten de vergunning en vorderen onder meer stillegging van de bouw.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er wel sprake is van spoedeisend belang voor de bouw van de woning, omdat deze nog niet nagenoeg gereed is en verdere bouw onomkeerbare gevolgen kan hebben. De bouw van de kas en bedrijfsruimte is nog niet gestart, zodat daarvoor geen spoedeisend belang bestaat. De verzoeken worden afgewezen, maar het gebruik van de bedrijfswoning wordt verboden zolang het glastuinbouwbedrijf niet is opgericht.

De toetsing aan het bestemmingsplan leidt tot het oordeel dat de bouw van een bestaande bedrijfswoning, ook indien verplaatst, is toegestaan. Verzoekers konden niet aannemelijk maken dat het bouwrecht alleen voor een burgerwoning kan worden gebruikt. Ook de beroepen op vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel slagen niet, mede omdat de relevante brief uit 1997 betrekking had op een inmiddels vervallen bestemmingsplan.

Hoewel het college niet op alle bezwaargronden heeft gereageerd, leidt dit motiveringsgebrek niet tot schorsing van het besluit. De voorlopige voorziening wordt afgewezen, met de beperking dat de woning niet in gebruik mag worden genomen zolang het glastuinbouwbedrijf niet is opgericht.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar de bedrijfswoning mag niet in gebruik worden genomen zolang het glastuinbouwbedrijf niet is opgericht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 26/4039 en SGR 26/4862

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2026 in de zaken tussen

1
. [verzoekers 1, sub 1] B.V. en [verzoekers 1, sub 2], te [plaats], verzoekers 1
(gemachtigde: mr. J. Bouwman-Treffers),
2.
[verzoekers 2, sub 1] en [verzoekers 2, sub 2], te [plaats], verzoekers 2
(gemachtigde: mr. C. Lubben)
hierna ook gezamenlijk te noemen: verzoekers
en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, het college

(gemachtigde: mr. M. Yilmaz-Gündogdu).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[vergunninghoudster] B.V., te [vestigingsplaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. M.R. van Leeuwen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een kas, een bedrijfsruimte, een wateropslagtank, trafo's, silo's, een woning en een in-/uitrit op het perceel [perceel] te [plaats]. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. De bouw van de bedrijfswoning wordt niet stilgelegd, maar deze woning mag niet in gebruik worden genomen zolang het glastuinbouwbedrijf van vergunninghoudster nog niet is opgericht. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft op 30 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor genoemd bouwplan. Verzoeker [verzoekers 1, sub 1] B.V. is gevestigd aan de [adres 1], verzoeker [verzoekers 1, sub 2] woont aan de [adres 2]. Verzoekers 2 wonen aan de [adres 3], naast de voorziene nieuwe woning.
2.1.
Het college heeft met het besluit van 4 november 2024 de omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster. Met de bestreden besluiten van 12 maart 2026 op de bezwaren van verzoekers is het college bij dit besluit gebleven. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Het college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.
Verzoekers 1 hebben een nader stuk overgelegd.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft een schriftelijke vraag gesteld aan het college en vergunninghoudster. Het college heeft deze op 26 juni 2026 beantwoord.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers [verzoekers 1, sub 2] en [verzoekers 2, sub 2], bijgestaan door hun gemachtigden, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [naam 1] en [naam 2].

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.
3.1.
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, blijkt dat de bouw van de woning reeds is gestart en in volle gang is. Vergunninghoudster heeft op de zitting aangegeven dat het nog ten minste een jaar duurt voordat met de bouw van de kas en bedrijfsruimte wordt gestart.
3.2.
Anders dan het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Weliswaar bouwt vergunninghoudster de woning voor eigen rekening en risico, maar deze is – anders dan in de door het college genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 26 maart 2026 [1] – niet nagenoeg gereed. In dit geval kan het verder bouwen van de woning leiden tot onomkeerbare gevolgen voor verzoekers gedurende de behandeling van de door hen ingestelde beroepen.
3.3.
Omdat met de bouw van de kas en bedrijfsruimte voorlopig nog niet wordt begonnen, bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter alleen spoedeisend belang voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op de bouw van de woning. Dit betekent dat de verzoeksgronden die geen betrekking hebben op de woning niet worden besproken.
Bestreden besluit
4. In het bestreden besluit is overwogen dat voor de woning sprake is van een bestaand en rechtsgeldig bouwrecht, zodat geen sprake is van de bouw van een nieuwe bedrijfswoning maar van herbouw, waardoor het project niet in strijd is met het bestemmingsplan, aldus het college.
Toetsingskader
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is vóór 1 januari 2024 ingediend, zodat in dit geval de Wabo nog van toepassing is.
5.1.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “[bestemmingsplan 1]”. Het perceel van vergunninghoudster heeft hierin de enkelbestemming “Agrarisch - Glastuinbouw” en de dubbelbestemmingen “Waarde-Archeologie” en “Waterstaat-Waterkering”.
5.2.
Op grond van artikel 3.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Glastuinbouw" (A-GT) aangewezen gronden bestemd voor het wonen in een bij een volwaardig en doelmatig glastuinbouwbedrijf behorende bestaande bedrijfswoning.
5.3.
Op grond van artikel 3.2, aanhef en onder e, van de planregels mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd of uitgevoerd bestaande bedrijfswoningen (uitsluitend de herbouw en het vergroten) met de daarbij behorende bouwwerken.
5.4.
In artikel 3.2.3 van de planregels is bepaald dat voor het bouwen van bedrijfswoningen de algemene regels voor (bedrijfs-)woningen als genoemd in artikel 32 gelden Pro, alsmede dat:
bij een glastuinbouwbedrijf geen nieuwe bedrijfswoning is toegestaan;
herbouw van een bestaande, eerste bedrijfswoning is toegestaan, mits:
 deze zal gaan dienen voor de huisvesting van de ondernemer of diens personeel;
 het bedrijf ter plaatse beschikt over minimaal 20.000 m² aan grond;
 het bedrijf ter plaatse beschikt over minimaal 15.000 m² aan kassen
 indien het bedrijf ter plaatse beschikt over minder dan 15.000 m², maar minimaal 5.000 m² aan kassen, moet worden aangetoond dat er sprake is van een gespecialiseerde teelt die op deze beperkte schaal bedrijfseconomisch verantwoord en levensvatbaar is;
 de woning niet al eerder is gesloopt, verplaatst en herbouwd als woning, met de bestemming "Wonen";
 de woning niet al eerder is gesloopt, verplaatst of herbouwd als bedrijfswoning ten behoeve van een (destijds) nieuw, ander glastuinbouwbedrijf;
 de woning wordt opgericht op de gronden die behoren tot het glastuinbouwbedrijf;
 de woning zodanig gesitueerd is dat hierdoor de glastuinbouw nu en in de toekomst niet wordt belemmerd, dit ter beoordeling van de glastuinbouwdeskundige.
Is de woning in strijd met het bestemmingsplan?
6. Verzoekers voeren aan dat op grond van het geldende bestemmingsplan op deze gronden alleen bestaande bedrijfswoningen mogen worden herbouwd en vergroot. Volgens hen moet het daarbij gaan om bestaande bedrijfswoningen die reeds op deze locatie aanwezig waren.
6.1.
Dit betoog slaagt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet, omdat in de planregels niet staat dat het moet gaan om een bestaande bedrijfswoning die herbouwd wordt op dezelfde locatie. De enige eis die in artikel 3.2, aanhef en onder e, van de planregels wordt gesteld is dat het een bestaande bedrijfswoning moet zijn die herbouwd wordt. De planregels zijn naar voorlopig oordeel duidelijk en moeten daarom letterlijk worden gelezen.
6.2.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat in paragraaf 2.3.2 van de toelichting van het bestemmingsplan is vermeld dat de mogelijkheid om woningen te verplaatsen – die al bestond in het voorheen geldende bestemmingsplan “[bestemmingsplan 2]” – met het bestemmingsplan “[bestemmingsplan 1]” is voortgezet. Dat onderschrijft de letterlijke lezing van de planregel, die een verplaatsing van een te herbouwen bedrijfswoning niet onmogelijk maakt.
7. Daarnaast voeren verzoekers aan dat de woning die momenteel wordt gebouwd niet als bedrijfswoning, maar feitelijk als burgerwoning zal worden gebruikt. Volgens hen kan een bouwrecht/woonrecht niet worden aangewend om een agrarische bedrijfswoning te slopen om vervolgens een agrarische bedrijfswoning elders te bouwen, omdat de bedoeling van een bouwrecht nu juist is het onttrekken van een agrarische woning aan de glastuinbouw en het herbouwen van een burgerwoning. Dit blijkt volgens verzoekers mede expliciet uit de tekst van de koopovereenkomst van het bouwrecht. Daaruit volgt ook dat dit de bedoeling van vergunninghoudster lijkt te zijn, aldus verzoekers.
7.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat het bouwrecht alleen kan worden aangewend om een burgerwoning te bouwen. Zij hebben immers niet verwezen naar een of meerdere stukken waaruit dat blijkt. Dit staat bovendien los van de bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan, die het toetsingskader vormen voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Verder heeft [naam 1] namens vergunninghoudster op de zitting toegelicht dat hij in eerste instantie wel van plan was om een burgerwoning te bouwen, maar dat dat plan is gewijzigd naar een bedrijfswoning toen het college te kennen had gegeven dat het bestemmingsplan ter plaatse geen burgerwoning toestaat. Daarom ziet de aanvraag op een bedrijfswoning. Aan dat voorgenomen gebruik, dat vergunninghoudster blijkens zijn verklaring op de zitting nog steeds heeft, heeft het college de aanvraag getoetst.
Deze grond slaagt daarom niet.
8. De stelling van verzoekers dat ten onrechte is getoetst aan artikel 3.2.3, onder b, van de planregels, omdat het geen eerste bedrijfswoning is, slaagt naar voorlopig oordeel evenmin. Vergunninghoudster heeft op de zitting namelijk toegelicht dat ter plaatse een nieuw glastuinbouwbedrijf gevestigd wordt, waarvan vergunninghoudster de eigenaar is.
De andere twee door verzoekers genoemde bedrijfswoningen behoren bij het bestaande glastuinbouwbedrijf [bedrijfsnaam].
Vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel
9. Verzoekers hebben een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Zij wijzen daarbij op de brief van het college van de voormalige [gemeente] van 12 november 1997 aan [naam 3]. In deze brief is vermeld dat op de betreffende locatie geen bedrijfswoning mag worden gebouwd. Toen verzoeker [verzoekers 1, sub 2] daar een bedrijfswoning wilde bouwen, kreeg hij van het college – met een verwijzing naar deze brief – te horen dat dit niet mogelijk is.
9.1.
In de brief is het volgende vermeld:
“Verder willen wij van deze gelegenheid gebruik maken om u op de hoogte te stellen van de besmettingsbepalingen in het bestemmingsplan "[bestemmingsplan 3]".
Artikel 11, lid 16 van het bestemmingsplan "[bestemmingsplan 3]" bepaalt dat geen vrijstelling voor de bouw van een (tweede) agrarisch bedrijfswoning wordt verleend, indien bij het agrarische bedrijf ten behoeve waarvan de vrijstelling wordt gevraagd, gronden behoren die ooit hebben toebehoord aan een agrarisch bedrijf, dat de beschikking heeft of heeft gehad over een agrarische bedrijfswoning, tenzij is komen vast te staan dat deze agrarische bedrijfswoning als zodanig in gebruik is en zal blijven voldoen. Door deze bepaling zijn de gronden van het bedrijf waar de woning [adres 3] bij heeft behoort "besmet".
Dit is voor u of eventuele kopers van het tuinbouwbedrijf van belang. Indien er namelijk een aanvraag voor een nieuwe bedrijfswoning wordt ingediend, tellen de gronden van het bedrijf, waar de woning [adres 3] bij heeft gehoord, niet mee in de beoordeling of het bedrijf van de aanvrager beschikt over voldoende grond en glas om een nieuwe bedrijfswoning te bouwen.”
9.2.
Voor zover verzoekers aanvoeren dat het gestelde in deze brief het vertrouwen heeft gewekt dat ter plaatse geen bedrijfswoning zal worden vergund, overweegt de voorzieningenrechter dat de brief gaat over een specifieke planregel - artikel 11, zestiende lid, van de regels van het bestemmingsplan "[bestemmingsplan 3]" - die destijds gold, maar inmiddels niet meer. Het bestemmingsplan dat gold ten tijde van het bestreden besluit kent geen gelijkluidende bepaling meer. Deze brief kan daarom niet het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat ten tijde van het bestreden besluit ter plaatse geen bedrijfswoning kon worden vergund.
9.3.
Voor zover verzoeker [verzoekers 1, sub 2] een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, overweegt de voorzieningenrechter dat hij niet aan de hand van stukken heeft onderbouwd dat hij een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor een bedrijfswoning op deze locatie die door het college met een beroep op de brief van 12 november 1997 is geweigerd. Bovendien is ter zitting gebleken dat zijn wens om daar een bedrijfswoning te bouwen dateert van vóór de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “[bestemmingsplan 1]”, waardoor van een gelijk geval in juridische zin geen sprake is.
9.4.
De beroepen op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel slagen naar voorlopig oordeel dus niet.
Is het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd?
10. Verzoekers voeren verder aan dat sprake is van schending van het motiveringsbeginsel, omdat het college niet heeft gereageerd op de brief van 12 november 1997 waarop het door verzoekers gedane beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel is gebaseerd.
10.1.
Het college heeft op de zitting erkend dat niet op alle bezwaargronden is gereageerd.
10.2.
Naar voorlopig oordeel is het bestreden besluit op dit punt inderdaad niet deugdelijk gemotiveerd. De voorzieningenrechter ziet daarin echter geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen, omdat dit motiveringsgebrek – gelet op het voorgaande – naar verwachting met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan worden gepasseerd.

Conclusie en gevolgen

11. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter de verzoeken af. Dat betekent dat de bouw van de bedrijfswoning niet wordt stilgelegd. Wel wijst de voorzieningenrechter er op dat, gelet op artikel 3.1, aanhef en onder f, van de planregels, er niet in de bedrijfswoning mag worden gewoond tot het moment waarop het glastuinbouwbedrijf van vergunninghoudster is opgericht.
12. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.