ECLI:NL:RBDHA:2026:19406

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/3809
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1 planregelsArt. 5.1 OmgevingswetArt. 18.2 OmgevingswetArt. 22.1 OmgevingswetArt. 4.6 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen last onder dwangsom voor illegaal gebruik bedrijfspand als dansschool

De zaak betreft een beroep van eiseres tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop vanwege het gebruik van een bedrijfspand als dansschool, wat volgens het geldende omgevingsplan niet is toegestaan.

Na een controle op 27 juni 2025 constateerde het college dat het pand werd gebruikt als dansschool, wat niet in de Lijst van bedrijfsactiviteiten is opgenomen. Eiseres werd verzocht het gebruik te staken, maar zette de activiteiten voort. Het college legde daarop een last onder dwangsom op, die bij bezwaar werd gehandhaafd. Eiseres stelde dat dansscholen niet expliciet zijn uitgesloten en dat er een omgevingsvergunning zou zijn, maar kon dit niet aannemelijk maken.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de opsomming in het bestemmingsplan limitatief is en dat dansscholen niet zijn toegestaan. Er was geen concreet zicht op legalisatie, geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel en het handhavend optreden was niet onevenredig gezien het algemeen belang, waaronder verkeersveiligheid en overlast. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens het illegaal gebruik van het bedrijfspand als dansschool wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 26/3809 en 26/3810
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiseres], h.o.d.n. [handelsnaam], te [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, het college

(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door het college aan eiseres opgelegde last onder dwangsom vanwege het in strijd met het omgevingsplan gebruiken van het bedrijfspand op het adres [adres] in [plaats] als dansschool. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom op juiste gronden heeft opgelegd
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Op 27 juni 2025 heeft een toezichthouder van het college een controle uitgevoerd op het adres [adres] in [plaats]. Tijdens deze controle is geconstateerd dat het bedrijfspand gebruikt wordt als dansschool, hetgeen niet in overeenstemming is met de regels van het geldende omgevingsplan.
2.1.
Met de brief van 3 juli 2025 is eiseres geïnformeerd over de geconstateerde overtreding en verzocht om de overtreding uiterlijk binnen zes weken te beëindigen.
2.2.
Op 29 augustus 2025 heeft een hercontrole plaatsgevonden en heeft een toezichthouder vastgesteld dat de bedrijfsactiviteiten worden voortgezet.
2.3.
Met de brief van 7 oktober 2025 is aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om een last onder dwangsom op te leggen vanwege het strijdige gebruik. Met het e-mailbericht van 15 oktober 2025 heeft eiseres haar zienswijze daaromtrent kenbaar gemaakt.
2.4.
Met het besluit van 23 oktober 2025 heeft het college eiseres gelast om zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 30 augustus 2026, het strijdige gebruik van het bedrijfspand op het adres [adres] in [plaats] als dansschool te staken en gestaakt te houden. Indien eiseres daaraan niet voldoet moet zij een dwangsom van € 1.500,- per week betalen met een maximum van € 15.000,-.
2.5.
Met het bestreden besluit van 30 maart 2026 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (zaak SGR 26/3810) en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (zaak SGR 26/3809).
2.6.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
Eiseres heeft naar aanleiding hiervan een schriftelijke reactie ingediend.
2.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
2.8.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
3. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
3.1.
Een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow wordt in de bijlage bij die wet gedefinieerd als:
a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan;
b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
3.2.
Ter plaatse geldt het omgevingsplan gemeente Nieuwkoop (het omgevingsplan).
3.3.
Uit artikel 22.1 van de Ow, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, volgt dat het tijdelijke deel van het omgevingsplan onder meer bestaat uit het ter plaatse voorheen geldende bestemmingsplan. Dat is het bestemmingsplan “[bestemmingsplan 1]”. Op het perceel rust de bestemming “Bedrijventerrein”.
3.4.
Op grond van artikel 3,1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor “Bedrijventerrein” aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 3.2” op de verbeelding, bestemd voor een bedrijf en/of het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 3.2 zoals genoemd in de Lijst van bedrijfsactiviteiten, opgenomen als bijlage 1 bij deze regels.
Bestreden besluit
4. Het college heeft in het bestreden besluit overwogen dat het gebruik van het bedrijfspand als dansschool niet is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, omdat een dansschool niet wordt genoemd in de daarbij behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten
Het college is niet bereid om af te wijken van de regels, omdat (1) publieksaantrekkende functies, zoals een dansschool, op het bedrijventerrein zeer ongewenst zijn vanwege verkeersveiligheid en andere veiligheidsaspecten, maar ook gelet op de parkeervoorzieningen en mogelijke overlastklachten, en (2) het college bedrijfspanden op het bedrijventerrein beschikbaar wil houden voor wel toegestane bedrijven.
Is sprake van een overtreding?
5. Eiseres betoogt dat haar bedrijfsactiviteit past binnen de toegestane Lijst
van bedrijfsactiviteiten. De in artikel 3.1, onder a, van de planregels gebruikte bewoording “zoals genoemd” duidt op een illustratieve opsomming en niet op een limitatieve opsomming. Het ontbreken van SBI-code 85521 (dansscholen) betekent volgens eiseres niet dat dansscholen expliciet zijn uitgesloten. Het ontbreken van de SBI-code is blijkens paragraaf 5.2.2 van de toelichting van het bestemmingsplan een gevolg van de gehanteerde clustering, waarbij subgroepen uitsluitend worden vermeld indien de milieuaspecten onderling verschillen.
5.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter duidt de in artikel 3.1, onder a, van het bestemmingsplan gebruikte term “zoals genoemd” op een limitatieve opsomming. Alleen de bedrijven en bedrijfsactiviteiten genoemd in de Lijst van bedrijfsactiviteiten zijn ter plaatse toegestaan. In de Lijst van bedrijfsactiviteiten is een dansschool niet genoemd. Een dansschool is dan ook niet toegestaan, zodat het gebruik van het pand als dansschool in strijd is met artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels.
5.2.
Uit de planregels volgt dus voldoende duidelijk dat de bedrijfsactiviteiten van eiseres niet als zodanig zijn bestemd. Aan paragraaf 5.2.2 van de toelichting van het bestemmingsplan, waarop eiseres een beroep heeft gedaan, komt de voorzieningenrechter daarom niet toe. Aan de (niet bindende) toelichting komt immers pas betekenis toe als de bestemming en de bijbehorende planregels op zichzelf noch in samenhang duidelijk zijn.
5.3.
Eiseres betoogt verder dat met de op 18 juni 2021 verleende omgevingsvergunning voor de bouw van het pand een dansschool is toegestaan. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat eiseres die omgevingsvergunning niet heeft overgelegd. In het verweerschrift is toegelicht dat die omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een bedrijfsverzamelgebouw aan de [straatnaam] en dat de ingevulde gebruiksfuncties industrie en kantoor zijn en niet onderwijs of dansschool. De voorzieningenrechter komt daarom tot het voorlopig oordeel dat daarmee voor de dansschool geen omgevingsvergunning is verleend.
5.4.
Voor zover eiseres wijst op een raadsbesluit uit 2013, overweegt de voorzieningenrechter dat de raad daarmee naar aanleiding van een ingediende zienswijze van een balletschool een dansschool heeft toegevoegd aan de Lijst van bedrijfsactiviteiten bij het vast te stellen bestemmingsplan “[bestemmingsplan 2]”. Dit betreft dus een ander bestemmingsplan. De gemeenteraad heeft een dergelijk besluit niet genomen voor het ter plaatse geldende bestemmingsplan “[bestemmingsplan 1]”. Eiseres kan aan dit raadsbesluit dus niet het vertrouwen ontlenen dat zij in het bedrijfspand een dansschool mocht vestigen.
5.5.
Nu eiseres niet beschikt over een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het met het tijdelijke deel van het omgevingsplan strijdige gebruik, heeft het college terecht aangenomen dat sprake is van een overtreding van artikel 5.1, aanhef en onder a, van de Ow. Het college was op grond van artikel 18.2, tweede lid, van de Ow bevoegd om hiertegen handhavend op te treden.
Beginselplicht tot handhaving
6. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [2]
Concreet zicht op legalisatie?
7. Voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat, volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is om een omgevingsvergunning voor afwijking van het omgevingsplan te verlenen. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken, namelijk indien op voorhand duidelijk is dat het besluit om niet tot legalisatie over te gaan rechtens onhoudbaar is. De rechter toetst de weigering om geen planologische medewerking te verlenen slechts zeer terughoudend. [3]
7.1.
Van concreet zicht op legalisatie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake, alleen al omdat eiseres ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen aanvraag om een legaliserende omgevingsvergunning heeft ingediend. Daarnaast heeft het college onder meer in het bestreden besluit toegelicht dat hij daar geen medewerking aan wil verlenen. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat op voorhand duidelijk is dat het niet meewerken aan legalisatie van de strijdige situatie onhoudbaar is.
Is handhavend optreden in strijd met het gelijkheidsbeginsel?
8. Eiseres voert aan dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat op het aangrenzende bedrijventerrein “[bedrijventerrein 1]” op grond van het daar geldende bestemmingsplan wel een dansschool is toegestaan. Een dansschool is volgens haar daarom ook toegestaan op het bedrijventerrein “[bedrijventerrein 2]”.
8.1.
Aangezien op het aangrenzende bedrijventerrein “[bedrijventerrein 1]” een ander bestemmingsplan geldt - te weten het bestemmingsplan “[bestemmingsplan 3]”, op grond waarvan een dansschool inderdaad expliciet is toegestaan - is naar het oordeel van de voorzieningenrechter reeds hierom geen sprake van gelijke gevallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Is handhavend optreden onevenredig?
9. Eiseres stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het college van handhavend optreden had moeten afzien en dat het bestreden besluit daarom in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Een verhuizing leidt namelijk tot een kapitaalvernietiging van € 135.000,- vanwege een doorlopende huurverplichting en gedane investeringen. Bovendien is geen andere geschikte locatie beschikbaar.
9.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de overtreding, gelet op het hoge bezoekersaantal van de dansschool - circa 350 per week -, niet aan te merken is als van zodanige geringe ernst dat handhavend optreden onevenredig is. Daarnaast weegt het algemeen belang, waaronder de verkeersveiligheid van met name jonge kinderen, in dit geval zwaarder dan het belang van eiseres bij het kunnen voortzetten van het strijdig gebruik. Bovendien valt niet in te zien dat het voor eiseres niet mogelijk is om elders in de gemeente Nieuwkoop of in een van de buurgemeenten haar activiteiten voort te zetten.
9.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een overtreding van geringe aard en ernst en mocht het college een zwaarder gewicht toekennen aan het algemeen belang dat gediend is met handhaving van het planologisch kader dan aan het belang van eiseres bij het voortzetten van het illegale gebruik van het bedrijfspand. Dat eiseres zal worden getroffen in haar financiële belangen, is een risico dat voor haar rekening dient te komen, aangezien zij het pand zonder de vereiste omgevingsvergunning in gebruik heeft genomen als dansschool.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college de last onder dwangsom op juiste gronden heeft opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.
3.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4363, r.o. 4.1.