ECLI:NL:RBDHA:2026:1941

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
C/09/687041 / HA ZA 25-540
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1683 BWArt. 7A:1686 lid 1 BWArt. 6:248 lid 1 BWArt. 32 lid 1 Wetboek van Koophandel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt over opzegging en vereffening vennootschap onder firma

Partijen waren vennoten in een vennootschap onder firma (vof) die gezamenlijk een garagebedrijf exploiteerden. De vof-overeenkomst was niet schriftelijk vastgelegd en bevatte geen afspraken over opzegging, opzegtermijn of arbeidsongeschiktheid. Na een poging tot zelfdoding van een vennoot en diens opname in een psychiatrische instelling, heeft deze vennoot samen met zijn partner de vof opgezegd en zichzelf een groot bedrag uitgekeerd.

De overige vennoten stelden dat deze opzegging onrechtmatig was en vorderden terugbetaling van het onttrokken bedrag en schadevergoeding. De opzeggende vennoten stelden dat de opzegging rechtsgeldig was en dat het conservatoire beslag onrechtmatig was gelegd.

De rechtbank oordeelde dat de opzegging niet onrechtmatig was, mede gelet op de mentale gezondheid van de opzeggende vennoot en het ontbreken van afspraken over opzegtermijnen. De vof is per datum opzegging ontbonden en moet worden vereffend. De onrechtmatige onttrekking van het bedrag aan zichzelf moet worden terugbetaald met rente. De overige schadevorderingen werden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de opzegging van de vof niet onrechtmatig is, veroordeelt tot terugbetaling van €159.689 en wijst overige schadevorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/687041 / HA ZA 25-540
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van

1.[partij A sub 1] te [plaats] ,2. [partij A sub 2] te [woonplaats 1] ,3. [partij A sub 3] te [woonplaats 1] ,

eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
advocaat: mr. M.P.J. van der Linden,
tegen

1.[partij B sub 1] te [woonplaats 2] ,2. [partij B sub 2] te [woonplaats 2] ,

gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
advocaat: mr. L. Hennink.
[partij A sub 1] wordt hierna [partij A sub 1] of de vof genoemd. De overige partijen worden individueel aangeduid met hun achternaam. Eisers worden gezamenlijk [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. genoemd en [partij A sub 2] en [partij A sub 3] gezamenlijk [partij A sub 2 en 3] c.s.. Gedaagden worden samen [partij B] c.s. genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 mei 2025 met 7 producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met 10 producties;
- de conclusie van antwoord in reconventie met de producties 8 tot en met 13;
- het tussenvonnis van 27 augustus 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte wijziging eis van [partij A sub 2 en 3] c.s. met de producties 14 tot en met 17;
- de door van [partij B] c.s. overgelegde productie 11;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 december 2025.
1.2.
Op 2 december heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren partijen aanwezig dan wel vertegenwoordigd, bijgestaan door hun advocaat. Mr. Hennink heeft een pleitnota voorgedragen die in het dossier is gevoegd. Na afloop van de mondelinge behandeling is de procedure aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te onderzoeken. Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1. ‘
[partij A sub 1] ’ is een garagebedrijf in [plaats] (hierna: de garage). In eerste instantie is het bedrijf geëxploiteerd door [partij A sub 2] als eenmanszaak. Nadat [partij B sub 1] ongeveer een jaar als (deeltijd) werknemer heeft meegewerkt hebben [partij A sub 2 en 3] c.s. en [partij B] c.s. op 24 februari 2017 de vof opgericht met het oogmerk om de garage samen te exploiteren. [partij A sub 2] en [partij B sub 1] repareerden en onderhielden auto’s en [partij A sub 3] en Pottuit verrichtten administratieve en ondersteunende werkzaamheden.
2.2.
Partijen hebben hun afspraken over de vof (hierna: de vof-overeenkomst) niet schriftelijk vastgelegd. [partij A sub 2] en [partij B sub 1] ontvingen maandelijks een door hen als voorschot op een kapitaaluitkering aangeduide betaling van € 2.750. Daarnaast ontvingen zij jaarlijks in januari een extra uitkering in verband met te betalen belastingen. [partij A sub 3] en [partij B sub 2] kregen voor hun ondersteunende werkzaamheden een bescheiden jaarloon, laatstelijk € 833.
2.3.
Op 7 februari 2024 heeft [partij B sub 1] een poging tot zelfdoding gedaan. Vervolgens is hij, na een ziekenhuisopname, opgenomen geweest in een gesloten psychiatrische instelling. Thans, ten tijde van de mondelinge behandeling, wordt hij ambulant behandeld aan zijn mentale gezondheidsklachten.
2.4.
[partij B sub 1] heeft vanaf 7 februari 2024 niet meer in de garage gewerkt. Op 17 juli 2024, terwijl [partij A sub 2 en 3] c.s. net vertrokken was op vakantie, heeft [partij B] c.s. zich uitgeschreven als vennoten in het Handelsregister, aan zichzelf een uitkering uitbetaald van € 159.689,00 en een bericht hierover aan [partij A sub 2 en 3] c.s. gestuurd waarin die betaling is aangeduid als ‘voorschot op de definitieve afwikkeling’.
2.5.
[partij A sub 2 en 3] c.s. heeft na 17 juli 2024 de garage zelf verder geëxploiteerd. Tussen partijen zijn geen nadere afspraken gemaakt over voortzetting van de garage. De vof is niet vereffend.
2.6.
Op 9 mei 2025 is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [partij B] c.s. Vervolgens is derdenbeslag gelegd onder een bank en beslag op een onroerende zaak.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[partij A sub 1, 2 en 3] c.s. vordert, samengevat en na wijziging van eis, dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat [partij B] c.s. wanprestatie jegens [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. heeft gepleegd en/of onrechtmatig jegens [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. heeft gehandeld;
[partij B] c.s. veroordeelt tot betaling van € 159.689,00 aan [partij A sub 1] ;
[partij B] c.s. of [partij B sub 1] veroordeelt tot betaling van € 13.108,33 aan [partij A sub 1] ;
voor recht verklaart dat [partij B] c.s. de vof-overeenkomst onrechtmatig heeft opgezegd, de vof door die opzegging per 17 juli 2024 gedeeltelijk ontbonden c.q. beëindigd is en de vof per of vanaf die datum vereffend en verdeeld zal worden en voor recht verklaart dat het gerealiseerde resultaat van [partij A sub 1] vanaf 7 februari 2024 tot en met juli 2024 uitsluitend aan [partij A sub 2 en 3] c.s. toekomt;
[partij B] c.s. veroordeelt tot betaling van € 136.342,47 aan schadevergoeding dan wel tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat;
[partij B] c.s. veroordeelt tot betaling van € 4.336,93 aan beslagkosten;
[partij B] c.s. veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[partij A sub 1, 2 en 3] c.s. legt aan die vorderingen kort gezegd ten grondslag dat [partij B] c.s. de vof-overeenkomst niet, althans niet zonder inachtneming van een redelijke opzegtermijn, had mogen beëindigen en bovendien aansprakelijk blijft voor de bij opzegging reeds bestaande verplichtingen van [partij A sub 1] . Daarnaast verwijt [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. [partij B] c.s. dat hij onrechtmatig een bedrag van € 159.689 aan de vof heeft onttrokken. [partij B] c.s. concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A sub 2 en 3] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A sub 2 en 3] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A sub 2 en 3] c.s. in de kosten van deze procedure.
in reconventie
3.3.
[partij B] c.s. vordert, samengevat, dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaart, dat de vof per 17 juli 2024, dan wel 18 juli 2024, is beëindigd en dat per die datum door een deskundige een eindbalans en een overnamebalans dient te worden opgesteld. Daarnaast vordert hij dat de rechtbank bepaalt dat de door [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. gelegde conservatoire beslagen opgeheven dienen te worden met vergoeding van de (rente)schade over de periode van het beslag.
3.4.
[partij B] c.s. beroept zich daarbij op de opzegging van de vof-overeenkomst en stelt dat het conservatoire beslag onrechtmatig is gelegd. [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] c.s. in de kosten van deze procedure.
3.5.
Op de stellingen van partijen in conventie en reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en reconventie

4.1.
De rechtbank stelt voorop dat partijen ter zitting hebben bevestigd dat zij de vof-overeenkomst niet op schrift hebben gezet en dat zij schriftelijk noch mondeling afspraken hebben gemaakt over opzegging van de vof, een te hanteren opzegtermijn, de mogelijkheid (en voorwaarden) van voortzetting van de vof, het recht op ‘winst’ bij arbeidsongeschiktheid en dergelijke. Dat maakt dat de vof-overeenkomst veel leemtes bevat. Daarmee hebben partijen bewust een wederzijds risico genomen dat zich thans verwezenlijkt. Ook hebben partijen ter zitting bevestigd dat zij bewust geen arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben afgesloten in verband met de daarmee gemoeide kosten. Ook daarmee hebben zij beiden een risico genomen.
4.2.
De rechtbank stelt verder voorop dat een vennootschap onder firma die voor onbepaalde tijd is aangegaan, zoals in dit geval, in beginsel door een (of meer) van de vennoten kan worden opgezegd (art. 7A:1683 sub 3 BW). Is die opzegging in strijd met de redelijkheid en billijkheid, dan is zij vernietigbaar (art. 7A:1686 lid 1 BW). Het gevolg van opzegging is, behoudens een voortzettingsbeding waar in dit geval geen sprake van is, dat de vennootschap door de vennoten moet worden vereffend (art. 32 lid 1 Wetboek Pro van Koophandel) in overeenstemming met titel 3.7 BW. De vennootschap onder firma die is opgezegd houdt niet direct na de opzegging op met bestaan, maar blijft voortbestaan voor zover dit voor de vereffening van het vennootschappelijk vermogen nodig is. De vennoten, waaronder de opzeggende vennoot (ook bij eventuele voortzetting door de overblijvende vennoten), blijven op bestaande voet jegens derden verbonden voor schulden die zijn aangegaan gedurende de tijd dat de onderneming nog door de vennootschap werd geëxploiteerd.
Opzegging van de vof en de gevolgen daarvan
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [partij B] c.s. de vof per 17 juli 2024 heeft opgezegd. Bij gebreke van een voortzettingsbeding is de vof daarom per die datum ontbonden. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om, na afloop van de mondelinge behandeling, alsnog te trachten om tot afspraken inzake voortzetting door [partij A sub 2] (c.s.) te komen, maar daar zijn partijen niet in geslaagd. Bij die stand van zaken kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de vennoten alsnog over zullen moeten gaan tot vereffening.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de opzegging door [partij B] c.s. niet onrechtmatig of in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Zoals hiervoor overwogen is het uitgangspunt dat een vennootschap onder firma die voor onbepaalde tijd is aangegaan in beginsel kan worden opgezegd. Weliswaar volgt uit eerdere rechtspraak dat de opzeggende vennoot zich daarbij rekenschap moet geven van de belangen van zijn medevennoten, maar [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. hebben niet voldoende onderbouwd dat [partij B] c.s. dat, in de gegeven omstandigheden van het geval, onvoldoende heeft gedaan. [partij B] c.s. heeft immers gemotiveerd gesteld, en [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. heeft onvoldoende weersproken, dat [partij B sub 1] ten tijde van de opzegging was opgenomen op een gesloten psychiatrische afdeling, welke opname is voorafgegaan door een poging tot zelfdoding, en dat zijn mentale gezondheid in de weg stond aan voortzetting van de (ondernemingsactiviteiten van de) vof. De rechtbank gaat daarbij, in het licht van die omstandigheden, voorbij aan het betoog van [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. dat [partij B] c.s. een opzegtermijn van 3-4 maanden had moeten hanteren en dat door dat niet te doen sprake is van een onregelmatige opzegging. Uit hetgeen [partij B sub 1] over zijn (mentale) gezondheidstoestand ten tijde van de opzegging naar voren heeft gebracht volgt immers dat redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat [partij B sub 1] , als wel een opzegtermijn in acht was genomen, gedurende die tijd enige activiteiten voor de vof zou hebben verricht (gelijk hij in de maanden voor de opzegging ook al niet heeft gedaan).
4.5.
Gezien de onderlinge verhoudingen tussen de vennoten, waarbij in feite [partij A sub 2] en [partij B sub 1] de twee ondernemers waren en hun echtgenoten in de onderneming een ondergeschikte rol speelden, kon niet alleen [partij B sub 1] , maar ook [partij B sub 2] de vof opzeggen in verband met de gezondheidstoestand van [partij B sub 1] .
4.6.
Het voorgaande leidt ertoe dat [partij B] c.s. niet onrechtmatig heeft gehandeld door de vof-overeenkomst op te zeggen. Hij heeft evenmin onrechtmatig gehandeld doordat hij in de periode tussen de poging tot zelfdoding en de opzegging geen arbeid meer heeft geleverd. Op zichzelf zou kunnen worden gezegd dat hij in die periode niet aan zijn verplichtingen uit de vof-overeenkomst heeft voldaan door geen arbeid in te brengen, maar in het licht van de daaraan ten grondslag liggende feiten, het gegeven dat partijen er bewust voor hebben gekozen om géén arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten en zij in de vof-overeenkomst geen afspraken over (de gevolgen van) arbeidsongeschiktheid hebben gemaakt is de rechtbank van oordeel dat in dat kader geen sprake is van een
toerekenbaretekortkoming door [partij B] c.s. maar van de verwezenlijking van een zakelijk risico dat beide partijen hebben genomen.
Is [partij B] c.s. schadeplichtig?
4.7.
Nu [partij B] c.s. niet onrechtmatig heeft gehandeld en evenmin toerekenbaar tekort is geschoten ontbreekt het aan een wettelijke basis voor de door [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. gevorderde (voorschot op een) schadevergoeding. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat een deel van de als schadevergoeding gevorderde posten in feite toekomstige verplichtingen van de vof betreffen, met name ten aanzien van de nog lopende huurovereenkomst. Zoals hiervoor onder 4.2 overwogen blijft de opzeggende vennoot op bestaande voet jegens derden verbonden voor schulden die zijn aangegaan gedurende de tijd dat de onderneming nog door de vennootschap werd geëxploiteerd. Ook bevat de schadeopstelling een post ten aanzien van (volgens [partij A sub 1, 2 en 3] c.s.) teveel door [partij B] ontvangen winst. Dit betreft een post die bij de vereffening moet worden meegenomen. Verder is schadevergoeding gevorderd voor extra door [partij A sub 2 en 3] c.s. geleverde arbeid en verlies van omzet in de periode tussen het uitvallen van [partij B sub 1] en de opzegging van de vof. Bij gebreke van een contractuele regeling heeft [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. onvoldoende onderbouwd dat [partij B] c.s. uit hoofde van de vof-overeenkomst gehouden zou zijn deze kostenposten voor zijn rekening te nemen en van onrechtmatig handelen c.q. toerekenbaar tekortschieten is, als hiervoor overwogen, geen sprake.
4.8.
[partij A sub 2] heeft nog aangevoerd dat hij, door de garage verder te exploiteren, schade voor alle partijen voorkomt. Hij heeft aangevoerd dat hij liever in dienst zou treden bij een ander garagebedrijf, maar dat hij wil voorkomen dat partijen een forse schadevergoeding zouden moeten betalen in verband met het niet-nakomen van de huurverplichting van de vof, die nog tot mei 2029 doorloopt. Het mag zo zijn dat [partij A sub 2] daarmee voorkomt dat de vennoten, waaronder hijzelf, schadeplichtig worden jegens de verhuurder, maar dat is op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat [partij B] c.s. jegens hem schadeplichtig is of gehouden is [partij A sub 2] hiervoor te vergoeden. Daaraan doet niet af dat [partij B] c.s. wellicht profiteert van het feit dat [partij A sub 2] de garage is blijven exploiteren (waarbij op dit moment onduidelijk is op welke grond, want de vof is niet (formeel) voortgezet en evenmin is de garage na vereffening aan [partij A sub 2] toebedeeld).
De gevraagde verklaringen voor recht
4.9.
Nu partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen ten aanzien van een voortzetting moeten de vennoten, als hiervoor overwogen, de vof vereffenen. Zij hebben in dat kader beiden gevorderd dat de rechtbank daarover iets voor recht verklaart. [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. heeft gevraagd voor recht te verklaren dat het resultaat dat tussen 7 februari 2024 (de dag waarop [partij B sub 1] is uitgevallen) en 17 juli 2024 (de opzegging door [partij B sub 1] ) alleen aan [partij A sub 2 en 3] c.s. toekomt, omdat [partij B sub 1] in die periode geen arbeid heeft geleverd. [partij B] c.s. heeft betwist dat de vof-overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat in geval van arbeidsongeschiktheid geen enkele aanspraak op het bedrijfsresultaat (en daarmee op de levensvoorziening van de betreffende vennoot) kan worden gemaakt. In het licht van die betwisting heeft [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. onvoldoende onderbouwd dat partijen dit hebben afgesproken. Dit brengt met zich dat het er voor moet worden gehouden dat partijen op dit punt niks hebben afgesproken, zodat de rechtbank die leemte in de vof-overeenkomst zal moeten aanvullen (art. 6:248 lid 1 BW Pro). Op grond van de tussen partijen geldende eisen van redelijkheid en billijkheid, acht de rechtbank een regeling waarbij bij arbeidsongeschiktheid meteen geen enkele aanspraak op het resultaat van de winst bestaat, terwijl kan worden verondersteld dat die winst mede het gevolg is van de gezamenlijke inspanningen om de onderneming op te bouwen en in stand te houden, niet aannemelijk. [1] De door [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. gevorderde verklaring voor recht is (in zoverre) daarom niet toewijsbaar.
4.9.1.
[partij B] c.s. heeft gevraagd voor recht te verklaren dat per de datum van opzegging door een deskundige een eindbalans en een overnamebalans dient te worden opgemaakt. Ook die verklaring voor recht is (in zoverre) niet toewijsbaar. Zoals hiervoor overwogen dienen de vennoten de vof te vereffenen. Of daarbij door een deskundige een eindbalans moet worden opgemaakt valt nu niet zonder meer te zeggen. Een overnamebalans lijkt evenmin noodzakelijk, reeds omdat het partijen niet is gelukt overeenstemming te verkrijgen over voortzetting van de vof.
Onttrekkingen en betaalde voorschotten
4.10.
[partij B] c.s. is op de vereffening vooruitgelopen door zonder overleg al het door hem berekende ‘aandeel’ in de winst aan zichzelf uit te betalen. Ter zitting is door beide partijen toegelicht dat de afspraak tussen partijen inhield dat zij maandelijks een voorschot kregen (zie hiervoor onder 2.2) en daarnaast in januari een nader voorschot in verband met te betalen belastingen. De rest van de winst bleef in de onderneming. Deze afspraak bracht met zich dat [partij B] (c.s.) niet zonder overeenstemming met de andere vennoten een extra winstuitkering aan zichzelf kon doen. Daaraan doet niet af dat hij de vof had opgezegd. Immers moet om die reden worden vereffend en daarna verdeeld. [partij B sub 1] heeft de betaling aan zichzelf daarom zonder recht en titel gedaan en [partij A sub 1] heeft onverschuldigd aan [partij B sub 1] betaald. Daarom zal [partij B] c.s. het bedrag, met rente [2] , moeten terugbetalen.
4.11.
Het voorgaande geldt niet voor de door [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. teruggevorderde voorschotten over de periode tussen het uitvallen van [partij B] en de opzegging van de vof-overeenkomst. Partijen hebben immers eensluidend toegelicht dat deze maandelijkse betalingen automatisch, bij wege van
voorschot, werden gedaan. Zoals hiervoor al in het kader van de door [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. gevraagde verklaring voor recht is overwogen, acht de rechtbank een regeling waarbij bij arbeidsongeschiktheid meteen
geen enkeleaanspraak op het resultaat van de winst bestaat niet aannemelijk (zie hiervoor onder 4.9). Daarom kan niet op voorhand, in afwachting van de vereffening, worden geoordeeld dat de voorschotten onverschuldigd zijn betaald. Dat de vof-overeenkomst inhoudt dat bij arbeidsongeschiktheid geen voorschot wordt betaald is gesteld noch gebleken.
De vorderingen in conventie en reconventie
4.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende oordelen over de door partijen over en weer ingestelde vorderingen.
4.13.
De gevraagde verklaring voor recht dat [partij B] c.s. wanprestatie heeft gepleegd onder de vof-overeenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld (vordering a. in conventie) wordt afgewezen (zie hiervoor onder 4.6). De in conventie (vordering d.) en reconventie gevraagde verklaring voor recht dat de vof per 17 juli 2024 is ontbonden wordt in zoverre toegewezen. De aanvullende delen van deze gevraagde verklaringen voor recht worden afgewezen (zie hiervoor onder 4.9 en 4.9.1).
4.14.
[partij B] c.s. zal worden veroordeeld tot terugbetaling aan [partij A sub 1] van het onttrokken bedrag van € 159.689 (vordering b. in conventie) en tot vergoeding van de door die onttrekking veroorzaakte schade, de wettelijke rente. Voor het overige wordt de door [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. gevorderde schadevergoeding (vordering b. in conventie) afgewezen (zie hiervoor onder 4.7). Dat geldt ook voor de gevorderde terugbetaling van de voorschotten over de periode tussen het uitvallen van [partij B sub 1] en de opzegging (vordering c. in conventie, zie hiervoor onder 4.11).
4.15.
Omdat [partij B sub 1] ten onrechte het bedrag van € 159.689 aan de vof heeft onttrokken, heeft [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. met recht beslag gelegd (zie hiervoor onder 2.6). De door [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. gevorderde beslagkosten (vordering f. in conventie) zullen daarom worden toegewezen. De beslagkosten bestaan uit € 714 aan griffierecht, € 713,41 aan exploten en € 1.929 aan salaris advocaat (1 punt tarief V, peilmoment 9 mei 2025, datum beslagbeschikking), aldus in totaal € 3.356,41. De in reconventie gevorderde opheffing van het beslag wordt in het licht van het voorgaande afgewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde schadevergoeding (wettelijke rente) in verband met het beslag.
4.16.
Omdat beide partijen zowel in conventie als in reconventie gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen in conventie en in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat de vennootschap onder firma [partij A sub 1] per 17 juli 2024 door opzegging is ontbonden en vereffend en verdeeld moet worden,
5.2.
veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk tot betaling van € 159.689,00 aan [partij A sub 1] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2024,
5.3.
veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk tot betaling van de beslagkosten van € 3.356,41 aan [partij A sub 1, 2 en 3] c.s.,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.6.
verklaart de hiervoor onder 5.2 en 5.3 opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.7.
verklaart voor recht dat de vennootschap onder firma [partij A sub 1] per 17 juli 2024 door opzegging is ontbonden,
5.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.

Voetnoten

1.Vgl. arbitraal vonnis 28 december 1972, ECLI:NL:XX:1972:AE3009.
2.Door [partij A sub 1, 2 en 3] c.s. als onderdeel van de schade gevorderd, zie punt 30 van de dagvaarding.