ECLI:NL:RBDHA:2026:19411

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
NL26.19323 en NL26.19324
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 2 DublinverordeningArt. 4 DublinverordeningArt. 5 DublinverordeningArt. 17 lid 1 DublinverordeningArt. 17 lid 2 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen

Eiser, met Turkse nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, die niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. De rechtbank beoordeelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 30 juni 2026.

De rechtbank oordeelde dat Nederland terecht de asielaanvraag niet in behandeling nam, omdat uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 25 september 2023 al een asielverzoek in Duitsland had ingediend. Nederland had een terugnameverzoek aan Duitsland gestuurd, dat werd geaccepteerd. De rechtbank verwierp de stellingen van eiser over onzorgvuldigheid en ondeugdelijke motivering van het besluit, evenals zijn argumenten over het niet verlenen van uitstel voor het indienen van een zienswijze.

Verder stelde de rechtbank dat verweerder niet verplicht was tijdens het Dublingehoor door te vragen naar de nationaliteit van de kinderen van eiser, en dat de Belgische nationaliteit van de kinderen niet relevant was voor de toepassing van de Dublinverordening. Ook was er geen grond om de asielaanvraag aan zich te trekken of België te verzoeken eiser over te nemen, omdat Duitsland reeds verantwoordelijk was en een besluit had genomen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierdoor kan eiser worden overgedragen aan Duitsland. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.19323 (beroep) en NL26.19324 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Hoppema).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1987. Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat hij Duitsland verantwoordelijk acht voor de aanvraag.
1.1.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. [1] Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV).2 In deze zaak dateren de aanvraag en het bestreden besluit van vóór 12 juni 2026 en heeft verweerder dat besluit dus ook genomen met toepassing van de Dublinverordening. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening.
4.1.
Op grond van de Dublinverordening neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 25 september 2023 een verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft ingediend. Nederland heeft daarom op 22 januari 2026 een terugnameverzoek naar Duitsland verstuurd. De Duitse autoriteiten zijn op 26 januari 2026 hiermee akkoord gegaan. [2] Daarmee is de verantwoordelijkheid van Duitsland vast komen te staan.
Heeft verweerder terecht de verzoeken om uitstel van het indienen van de zienswijze afgewezen?
5. Eiser voert aan dat verweerder de gemachtigde van eiser ten onrechte geen uitstel heeft verleend van het indienen van de zienswijze. Verweerder is immers niet ingegaan op de redenen van eisers gemachtigde om te verzoeken om uitstel. Daarnaast vindt eiser het bevreemdend dat verweerder in het bestreden besluit excuses heeft aangeboden voor het niet reageren op de verzoeken om uitstel. Verweerder heeft immers wel gereageerd op deze verzoeken, alleen niet inhoudelijk. Verweerder heeft de verzoeken afgewezen. Hieruit blijkt dat verweerder het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd.
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling en overweegt hiertoe als volgt. Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde van eiser op 4 maart 2026 om uitstel van de zienswijze heeft verzocht, omdat eiser niet was verschenen op het kantoor van zijn gemachtigde en zijn gemachtigde daardoor het voornemen niet meer op tijd met eiser kon bespreken. Op 10 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser wederom een verzoek om uitstel gedaan zodat zij de zaak met eiser kan bespreken op 11 maart 2026. Verweerder heeft beide verzoeken afgewezen onder verwijzing naar het beleid in paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Daarin zijn de omstandigheden vermeld waarin verweerder uitstel van het indienen van de zienswijze verleent. De rechtbank stelt vast dat de redenen van eiser daarin niet genoemd worden, zodat verweerder de uitstelverzoeken kon afwijzen. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het feit dat het voor gemachtigde lastig kan zijn om tijdig een zienswijze in te dienen nu zij op een laat moment is gekoppeld aan eiser, maakt die omstandigheid niet dat verweerder een uitzondering op het beleid moest maken. De rechtbank volgt verweerder daarbij in het standpunt dat het feit dat eiser in eerste instantie niet is verschenen op de afgesproken datum op het kantoor van zijn gemachtigde, voor zijn rekening en risico komt. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het in het bestreden besluit aanbieden van excuses voor het niet reageren op de uitstelverzoeken zo moet worden gelezen, dat er niet inhoudelijk op is gereageerd. De rechtbank volgt deze toelichting van verweerder en oordeelt dat dit aan het voorgaande niet afdoet. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder tijdens het Dublingehoor moeten doorvragen op de nationaliteit van eisers kinderen?
6. Eiser voert aan dat hij drie minderjarige kinderen in België heeft met de Belgische nationaliteit. Volgens eiser lag het op de weg van verweerder om in het Dublingehoor naar hun nationaliteit te vragen, gelet op artikel 3, lid 2, en artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Door dit niet te doen heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld. In tegenstelling tot wat verweerder stelt, heeft eiser wel gesproken over zijn kinderen tijdens het gehoor. Bij de correcties en aanvullingen op het Dublingehoor heeft eiser alsnog de nationaliteit van zijn kinderen kenbaar gemaakt en onderbouwd door middel van nationaliteitsbewijzen van zijn kinderen. Verweerder heeft deze ten onrechte niet betrokken in de beoordeling.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser in het Dublingehoor heeft aangegeven dat hij drie kinderen in België heeft. Uit de bepalingen in de Dublinverordening die gaan over het recht op informatie (artikel 4) en het persoonlijk onderhoud (artikel 5) volgt niet dat verweerder gehouden is om tijdens het gehoor door te vragen naar de nationaliteit van de kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen rechtsregel die verweerder daartoe verplicht. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd medegedeeld dat hij ervan uitgaat dat de kinderen Unieburgers zijn, maar dat dit het bestreden besluit niet anders maakt. De rechtbank volgt verweerder in dat standpunt, nu niet is onderbouwd waarom de Belgische nationaliteit van eisers kinderen relevant is voor de toepassing van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder eisers asielaanvraag aan zich moeten trekken of België moeten verzoeken eiser over te nemen?
7. Eiser betwist niet dat Duitsland verantwoordelijk is voor eisers asielaanvraag. Hij voert echter aan dat verweerder aanleiding had moeten zien om eisers asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Daarnaast had verweerder België moeten verzoeken om eiser over te nemen op grond van artikel 17, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft immers drie kinderen met de Belgische nationaliteit, die in België wonen. Verweerder had moeten uitleggen waarom hij niet op grond van artikel 17, tweede lid, van de Dublinverordening aan de Belgische autoriteiten heeft gevraagd om eiser over te nemen.
7.1.
De rechtbank volgt eiser niet. Eiser heeft allereerst onvoldoende onderbouwd welke feiten en omstandigheden volgens eiser moeten leiden tot toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. In de omstandigheid dat eiser kinderen heeft met de Belgische nationaliteit die in België wonen, heeft verweerder geen reden hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken. Eiser is immers nog steeds niet herenigd met zijn kinderen als verweerder ervoor zou kiezen zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting, in aanvulling op het bestreden besluit, aangegeven dat Nederland op grond van artikel 17, tweede lid, van de Dublinverordening een andere lidstaat kan vragen een verzoeker over te nemen, maar wel voordat in eerste aanleg een besluit ten gronde is genomen. Nu de Duitse autoriteiten in juni 2025 al een besluit op zijn asielaanvraag hebben genomen, valt eiser niet onder het bereik van artikel 17, tweede lid van de Dublinverordening en was er voor verweerder geen aanleiding om een overnameverzoek aan België te richten. Artikel 17, tweede lid, van de Dublinverordening ziet niet op situaties van terugname, zoals in het geval van eiser. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Duitsland.
9. Er bestaat daarom ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.
10. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.I. Doesburg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.