ECLI:NL:RBDHA:2026:19411
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser, met Turkse nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, die niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. De rechtbank beoordeelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 30 juni 2026.
De rechtbank oordeelde dat Nederland terecht de asielaanvraag niet in behandeling nam, omdat uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 25 september 2023 al een asielverzoek in Duitsland had ingediend. Nederland had een terugnameverzoek aan Duitsland gestuurd, dat werd geaccepteerd. De rechtbank verwierp de stellingen van eiser over onzorgvuldigheid en ondeugdelijke motivering van het besluit, evenals zijn argumenten over het niet verlenen van uitstel voor het indienen van een zienswijze.
Verder stelde de rechtbank dat verweerder niet verplicht was tijdens het Dublingehoor door te vragen naar de nationaliteit van de kinderen van eiser, en dat de Belgische nationaliteit van de kinderen niet relevant was voor de toepassing van de Dublinverordening. Ook was er geen grond om de asielaanvraag aan zich te trekken of België te verzoeken eiser over te nemen, omdat Duitsland reeds verantwoordelijk was en een besluit had genomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierdoor kan eiser worden overgedragen aan Duitsland. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.