ECLI:NL:RBDHA:2026:19416

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37193
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.R. van der Winkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59c VwArt. 106 VwArt. 5.5 VbArt. 5.6 Vb
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring en inspanningsverplichting minister

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, die stelt Italiaans staatsburger te zijn, betwist de rechtmatigheid van de bewaring en voert onder meer aan dat de minister zijn inspanningsverplichting heeft geschonden door tijdens zijn strafrechtelijke detentie geen uitzettingshandelingen te verrichten.

De rechtbank stelt vast dat de minister tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser geen uitzettingshandelingen heeft verricht, terwijl volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij een bekende einddatum van detentie een inspanningsverplichting geldt om de uitzetting zo spoedig mogelijk voor te bereiden. De rechtbank oordeelt dat de minister deze inspanningsverplichting heeft geschonden, maar dat dit niet leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel omdat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt.

De rechtbank bevestigt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring gerechtvaardigd is vanwege het onderduikrisico, gelet op de niet betwiste gronden zoals het niet naleven van vertrekverplichtingen en het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats. Ook is geen lichter middel passend, mede omdat eiser niet traceerbaar is en onvoldoende middelen heeft om zelfstandig te vertrekken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37193

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] . Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [2]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 3 juli 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Italiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1973 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [3]
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen M.M.E. van Vloten-de Haas.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [4] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [5] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [6] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [7]
Heeft de minister zijn inspanningsverplichting geschonden?
4. Eiser voert - samengevat - aan dat de minister zijn inspanningsverplichting heeft geschonden. Gedurende zijn strafrechtelijke detentie voorafgaand aan de vreemdelingrechtelijke inbewaringstelling heeft de minister immers ten onrechte geen uitzettingshandelingen verricht. Eiser had gemakkelijk kunnen worden uitgezet gedurende zijn strafrechtelijke detentie, een persoon met de Italiaanse nationaliteit is immers zo uitzetbaar.
4.1.
De minister stelt zich - samengevat - op het standpunt dat tijdens eisers strafrechtelijke detentie nog niet duidelijk was dat hij op 3 juli 2026 de gevangenis zou verlaten. De proeftijd en voorwaardelijke straf maakten dat de einddatum niet zeker genoeg was om een vlucht te boeken. Eiser heeft namelijk twee maanden gevangenisstraf opgelegd gekregen, waarvan één maand voorwaardelijk. Als de minister de vlucht boekt tijdens de strafrechtelijke detentie en eiser begaat een misstap, dan is het kostbaar om de vlucht te annuleren. Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat eiser hiervan slechts een klein nadeel heeft gehad en dat dit niet opweegt tegen het belang om eiser over te dragen. Het onderduikrisico is ook te groot.
4.2.
Volgens paragraaf A5/6.13 van de Vc [8] rust op de minister een inspanningsverplichting om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie zoveel mogelijk te beperken. Het is echter vaste rechtspraak van de Afdeling [9] dat in het geval de einddatum van de strafrechtelijke detentie nog onbekend is, van de minister niet kan worden gevergd dat hij de voorbereiding van de uitzetting steeds zo inricht, dat de uitzetting aansluitend aan het einde van de detentie plaatsvindt en iedere vreemdelingenbewaring dientengevolge achterwege kan blijven.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de minister geen uitzettingshandelingen heeft verricht gedurende eisers strafrechtelijke detentie. Eiser is op
3 juli 2026 overgenomen uit strafrechtelijke detentie en in vreemdelingenbewaring gesteld, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit de einddatum van zijn strafrechtelijke detentie was. De vraag is of de minister hiermee bekend was. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie dat zich in het dossier bevindt, blijkt dat eiser vanaf 4 juni 2026 zijn gevangenisstraf van twee maanden waarvan één maand voorwaardelijk is ondergaan. Uit de documentatie blijkt dat eiser geen andere strafzaken heeft lopen, waardoor het naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk was dat eiser op 3 juli 2026 in vreemdelingenbewaring zou worden gesteld. Dat de minister door het voorwaardelijke karakter geen zekerheid had over een einddatum, volgt de rechtbank niet. Eiser stelt namelijk terecht dat de minister niet moet uitgaan van hypothetische gebeurtenissen, maar ook bij een voorwaardelijke straf een inspanningsverplichting heeft. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspanningsverplichting is geschonden.
4.4.
Bij het niet voldoen aan de inspanningsverplichting is er ruimte voor een belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat die belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. De rechtbank verwijst daarbij allereerst naar het oordeel hierna in rechtsoverweging 6 en 7.1 over het onderduikrisico. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de belangen die met de bewaring worden gediend, onevenredig zijn geschonden. De rechtbank weegt daarin mee dat het een relatief korte periode betreft waarin de minister handelingen had kunnen verrichten. Dat er veel vluchten per dag plaatsvinden is niet doorslaggevend, omdat niet met iedere vlucht gedwongen uitzettingen kunnen plaatsvinden. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat er afstemming moet plaatsvinden met de Italiaanse autoriteiten, de luchtvaartmaatschappij en de Kmar, waardoor niet met zekerheid kan worden gezegd dat de vlucht véél eerder had kunnen plaatsvinden en de bewaring daarmee had kunnen worden voorkomen. Aangezien er inmiddels op 7 juli 2026 alsnog een vluchtaanvraag is verzonden, is dit naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk laat. De bewaring is niet op deze grond onrechtmatig.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat.
5.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden zijn, in onderlinge samenhang bezien met de daarbij gegeven motivering, naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er sprake is van een onderduikrisico.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
7. Eiser voert - samengevat - aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij heeft aangegeven zelfstandig weg te gaan als de minister hem die kans geeft. Hij beschikt over € 50,- en kan daarmee een busreis bekostigen naar Duitsland of België. De minister heeft dan ook ten onrechte eiser geen mogelijkheid gegeven om zelfstandig te vertrekken en onvoldoende rekening gehouden met het feit dat eiser naar Duitsland wil vertrekken. Bovendien kan eiser, gelet op zijn Italiaanse identiteitskaart, in Duitsland een beroep doen op zijn rechten als Unieburger. De enkele overweging van de minister dat het onwaarschijnlijk is dat eiser door een lichter middel tot vrijwillig vertrek zal worden bewogen, is onvoldoende. Daarbij komt dat de minister niet de bevoegdheid heeft om voor te schrijven naar welke lidstaat eiser dient te vertrekken.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Reden hiervoor is dat aan eiser op 3 april 2026 de beschikking van 21 november 2025 is uitgereikt, waarin staat opgenomen dat eiser Nederland binnen een maand moet verlaten. Eiser had uiterlijk 3 mei 2026 uit Nederland moeten vertrekken en had de mogelijkheid om zelfstandig te vertrekken. Dat eiser hier geen gebruik van heeft gemaakt, komt voor zijn eigen risico. Dat eiser dit niet zou hebben begrepen volgt de rechtbank niet, aangezien de beschikking in persoon is uitgereikt waarbij de strekking van het besluit met behulp van een tolk in een voor eiser begrijpelijke taal (Duits) is meegedeeld. De minister heeft dan ook terecht overwogen dat er sprake is van een onderduikrisico. Dat eiser nu verklaart dat hij naar Duitsland wil reizen, heeft de minister niet van doorslaggevend belang hoeven vinden. Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat eiser niet traceerbaar is, omdat hij niet staat ingeschreven in de BRP [10] en niet beschikt over financiële middelen om zijn terugkeer en het verblijf tot zijn vertrek te bekostigen. Eiser verklaart weliswaar te beschikken over € 50,- maar heeft dat niet in zijn bezit aangezien dit bij een vriend in [plaats] zou liggen. Bovendien is eisers verblijfsrecht juist beëindigd omdat hij betrokken was bij het plegen van vermogensdelicten en een zwervend bestaan leidt, waardoor twijfel is ontstaan of hij voldoende middelen heeft om van te leven. In het daaropvolgende verhoor heeft hij verklaard dat hij leeft van statiegeld en verslaafd is aan crack. Verder is de rechtbank van oordeel dat de uitzetting terecht is gericht op Italië aangezien dat het land van herkomst is en in het besluit van
21 november 2025 ook een afweging is gemaakt van zijn mogelijkheid om in Italië weer een leven op te bouwen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [11]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van
C. Holmond, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
5.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
6.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
7.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
8.Vreemdelingencirculaire 2000 (A).
9.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.Basisregistratie Personen.
11.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.