ECLI:NL:RBDHA:2026:19427
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 lid 2 Vreemdelingenwet
De zaak betreft een beroep tegen een maatregel van vreemdelingenbewaring die op 2 juli 2026 aan eiser is opgelegd door verweerder op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet. Eiser betwist de rechtmatigheid van de staandehouding en de onderbouwing van de maatregel.
De rechtbank oordeelt dat de staandehouding rechtmatig was, omdat deze noodzakelijk was om de identiteit van eiser vast te stellen, conform artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. De personalia van eiser kwamen overeen met de informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek, waardoor geen sprake was van een onjuiste grondslag.
Verder stelt eiser dat de maatregel niet voldoet aan artikel 5.6, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit, omdat het onderduikrisico niet is onderbouwd. De rechtbank volgt dit niet, omdat artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet geen onderduikrisico vereist voor het opleggen van de maatregel. De maatregel is opgelegd vanwege de openbare orde en het feit dat de noodzakelijke bescheiden voor terugkeer voorhanden zijn of binnen korte tijd zullen zijn.
De rechtbank ziet geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelt eiser niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.