ECLI:NL:RBDHA:2026:19427

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36764
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 59 VwArt. 5.6 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 lid 2 Vreemdelingenwet

De zaak betreft een beroep tegen een maatregel van vreemdelingenbewaring die op 2 juli 2026 aan eiser is opgelegd door verweerder op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet. Eiser betwist de rechtmatigheid van de staandehouding en de onderbouwing van de maatregel.

De rechtbank oordeelt dat de staandehouding rechtmatig was, omdat deze noodzakelijk was om de identiteit van eiser vast te stellen, conform artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. De personalia van eiser kwamen overeen met de informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek, waardoor geen sprake was van een onjuiste grondslag.

Verder stelt eiser dat de maatregel niet voldoet aan artikel 5.6, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit, omdat het onderduikrisico niet is onderbouwd. De rechtbank volgt dit niet, omdat artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet geen onderduikrisico vereist voor het opleggen van de maatregel. De maatregel is opgelegd vanwege de openbare orde en het feit dat de noodzakelijke bescheiden voor terugkeer voorhanden zijn of binnen korte tijd zullen zijn.

De rechtbank ziet geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelt eiser niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36764

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 2 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw [1] opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. S.A.M. Fikken als waarnemer van de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
1. Verweerder kan de vreemdeling in vreemdelingenbewaring stellen als de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e, en l, van de Vw. [2] Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
Staandehouding
2. Eiser voert aan dat de staandehouding ten onrechte op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw heeft plaatsgevonden. Eisers identiteit was bekend: hij was geplaatst in een vrijheidsbeperkende locatie en de verbalisanten beschikten over een machtiging tot het binnentreden van eisers kamer. Verweerder had eiser daarom moeten worden staandegehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw.
3. Artikel 50 eerste Pro lid, van de Vw geeft de bevoegdheid om personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, indien naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestaat. Uit het proces-verbaal van staandehouding volgt dat de personalia die eiser opgaf bij het binnentreden van zijn kamer overeenkwamen met de verstrekte informatie uit de infoset van de DT&V. Hieruit blijkt dat de staandehouding noodzakelijk was om vast te stellen dat eiser daadwerkelijk de persoon was waar de door de DT&V verstrekte infoset betrekking op had. Van een onjuiste grondslag van de staandehouding is dan ook geen sprake.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat de voor de terugkeer van eiser noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte tijd voor handen zullen zijn.
5. Eiser voert aan dat de maatregel niet voldoet aan het gestelde in artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. [3] Uit dit artikel volgt dat verweerder ook bij een maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw het onderduikrisico moet onderbouwen met twee gronden. Dat heeft verweerder echter nagelaten.
6. Eiser wordt hierin niet gevolgd. De bewaringsmaatregel is gevorderd conform het bepaalde in artikel 59, tweede lid, van de Vw. Uit artikel 59, tweede lid, van de Vw volgt niet dat een onderduikrisico vereist is voor het opleggen van een maatregel op deze grondslag. Het opleggen van deze maatregel wordt namelijk gevorderd door de openbare orde, omdat de noodzakelijke bescheiden voor eisers terugkeer (binnenkort) voor handen (zullen) zijn. De omstandigheid dat na wijziging van artikel 5.6, eerste lid, van het Vb op 12 juni 2026 nu heel artikel 59 van Pro de Vw daaronder lijkt te vallen, brengt geen verandering in wat volgens artikel 59, tweede lid van de Vw vereist is. Indien aan de vereisten die in dat artikel worden gesteld wordt voldaan, dient het oordeel te zijn dat de bewaringsmaatregel terecht is opgelegd.
Ambtshalve toets
7. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 14 juli 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit volgt uit artikel 59, tweede lid, van de Vw.
3.Vreemdelingenbesluit 2000.