ECLI:NL:RBDHA:2026:19428

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36847
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.6 VbzArt. 6:162 BWRichtlijn 2004/38/EGArrest C-719/19 Hof van Justitie EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico ongegrond verklaard

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat de beschikking tot beëindiging van zijn verblijfsrecht niet op begrijpelijke wijze was bekendgemaakt en dat hij een asielaanvraag had ingediend, waardoor de maatregel niet gerechtvaardigd zou zijn.

De rechtbank stelde vast dat de beschikking van 9 februari 2026 en het uitreikingsblad inmiddels in het dossier aanwezig zijn en dat eiser met behulp van een Poolse tolk is geïnformeerd over de inhoud. Eiser was na de vertrektermijn naar Polen vertrokken, maar keerde binnen korte tijd terug zonder zijn verblijf daadwerkelijk te hebben beëindigd, waardoor het vertrek niet als effectief kon worden beschouwd. De maatregel van vreemdelingenbewaring is daarom gerechtvaardigd omdat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en een onderduikrisico bestaat.

Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom geen minder dwingende maatregel volstaat en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding en proceskostenvergoeding werd eveneens afgewezen. De maatregel is niet onrechtmatig of onevenredig bevonden.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36847

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 2 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 6 juli 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 13 juli 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 14 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb [2] zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Eiser stelt dat de beschikking waarbij zijn verblijfsrecht is beëindigd niet op begrijpelijke wijze aan hem bekend is gemaakt. Het is hem niet duidelijk meegedeeld dat hij Nederland dient te verlaten. Verder stelt eiser vast dat de beschikking van 9 februari 2026 en de akte van uitreiking daarvan ontbreken in het dossier. Daardoor kan niet worden beoordeeld of het besluit kenbaar is gemaakt aan eiser. Ook stelt eiser dat hij inmiddels een asielaanvraag heeft ingediend. De stukken hieromtrent ontbreken ook, waardoor onduidelijk is wanneer hij deze aanvraag heeft ingediend en of verweerder de grondslag van de maatregel van vreemdelingenbewaring diende om te zetten.
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. De maatregel is gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4. Het Hof [3] heeft in het arrest FS [4] geoordeeld dat, om opnieuw in aanmerking te komen voor een verblijfsrecht op hetzelfde grondgebied krachtens artikel 6, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn [5] , de burger van de Unie ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen, het grondgebied van het gastland niet alleen fysiek moet hebben verlaten, maar ook zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief moet hebben beëindigd, zodat bij zijn terugkeer naar dat grondgebied niet kan worden aangenomen dat zijn verblijf in werkelijkheid een voortzetting is van zijn eerdere verblijf op dat grondgebied.
5. De rechtbank stelt vast dat het digitale dossier inmiddels compleet is gemaakt met de beschikking van 9 februari 2026 en het daarbij behorende uitreikingsblad. Hem is door middel van een tolk Pools uitgelegd wat de beschikking inhoudt en eiser heeft hiervoor getekend. Het besluit is dan ook op rechtsgeldige wijze bekendgemaakt aan eiser. Bij dit besluit van 9 februari 2026, uitgereikt aan eiser op 15 februari 2026, heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht en dat hij het grondgebied binnen een maand moet verlaten. De rechtbank stelt vast dat uit eisers verklaring volgt dat hij rond Pasen is vertrokken naar Polen. Dit is na de vertrektermijn. Vervolgens is hij ongeveer een week voordat hij in vreemdelingenbewaring is gesteld weer teruggekeerd. Niet is gebleken dat eiser zijn verblijf daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd; hij heeft geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat hij in Polen heeft geprobeerd een leven op te bouwen. De terugkeer van eiser is daarmee een voortzetting van zijn eerdere verblijf in Nederland. Dit betekent dan ook dat geen nieuwe vrije termijn is gaan lopen en het besluit van 9 februari 2026 nog steeds werking heeft. Nu vaststaat dat op eiser een vertrekplicht rust en hij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, is verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring.
6. Voor zover eiser stelt dat verweerder de grondslag van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet tijdig heeft omgezet naar aanleiding van de door hem ingediende asielaanvraag, geldt dat verweerder in het verweerschrift voldoende heeft gemotiveerd waarom een dergelijke omzetting niet vereist was. Eiser heeft geen recht om zijn asielaanvraag in Nederland af te wachten.
7. De rechtbank stelt verder vast dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet zijn betwist door eiser. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Dit maakt dat een risico op onderduiken gegeven is.
Lichter middel
8. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een minder dwingende maatregel kon worden volstaan. Dit ook omdat hem onduidelijk was onder welke voorwaarden hij naar Nederland kon terugkeren. Hij is teruggekomen met de bedoeling om werk te zoeken. Verder is hij bereid om vrijwillig mee te werken aan een terugkeer naar Polen. Hij beschikt over €200,- waarmee hij zijn bus ticket kan bekostigen.
9. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het onderduikrisico te ondervangen. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat eiser niet binnen de vertrektermijn is vertrokken naar Polen. De enkele stelling dat hij bereid is om zelfstandig te vertrekken doet niet af aan het risico op onderduiken. Daarnaast is niet aangetoond dat eiser daadwerkelijk beschikt over het geld. Tot slot is ook niet gebleken van feiten en omstandigheden die de maatregel onevenredig bezwarend maken voor eiser.
Ambtshalve toets
10. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 14 juli 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Het Hof van Justitie van de Europese Unie.
4.Arrest van 22 juni 2021, zaak C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506.
5.Richtlijn 2004/38/EG.