ECLI:NL:RBDHA:2026:19431

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37278
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling ongegrond verklaard

De minister van Asiel en Migratie legde op 18 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Algerijnse vreemdeling. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de rechtmatigheid van de maatregel reeds eerder beoordeeld en richt zich nu op de periode na 20 april 2026.

Eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting bestaat, mede omdat hij geen toegang heeft tot zijn telefoon en daardoor geen documenten kan verkrijgen. Ook stelde hij dat de overheid onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van documenten niet aan eiser kan worden toegerekend en dat verweerder voldoende inspanningen levert, waaronder schriftelijke rappels en vertrekgesprekken.

De rechtbank concludeert dat het voortduren van de maatregel rechtmatig is en dat er wel degelijk zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37278

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 18 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 13 juli 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 2005.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 april 2026 (in de zaak NL26.18674) [1] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 20 april 2026.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting bestaat. Daartoe stelt hij dat hij niet over zijn telefoon beschikt en daarom geen familie of kennissen kan benaderen om hem te helpen bij het verkrijgen van documenten. Het uitblijven van documenten kan hem daarom niet worden tegengeworpen. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, omdat verweerder zich heeft beperkt tot het verzenden van schriftelijke rappels en, gelet op de duur van de bewaring, actiever had moeten optreden.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht uitzetting bestaat. De op 20 maart 2026 voor eiser ingediende lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Algerijnse autoriteiten. Dat eiser ongedocumenteerd is betekent niet dat er voor eiser geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat. De omstandigheid dat eiser niet beschikt over een telefoon en daardoor geen documenten kan verkrijgen, leidt niet tot het oordeel dat het ontbreken van documenten niet aan eiser kan worden toegerekend. Niet is gebleken dat eiser geen andere mogelijkheden heeft om contact met derden te leggen of dat hij verweerder heeft verzocht om hem daarbij te ondersteunen.
6. Verweerder werkt daarnaast voldoende voortvarend aan eisers uitzetting. Zoals eiser zelf stelt, rappelleert verweerder meermaals schriftelijk bij de Algerijnse autoriteiten. Daarnaast plant verweerder ook regelmatig vertrekgesprekken met eiser in. Daar komt bij dat het gegeven dat de bewaring voortduurt en eiser tot op heden nog niet is uitgezet ook voor rekening en risico van eiser komt nu hij vooralsnog geen identiteitsdocumenten heeft overgelegd.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 14 juli 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.