ECLI:NL:RBDHA:2026:19437

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/09/701381 / KG ZA 26/273
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opheffing conservatoir beslag na echtscheiding en verkoop woning

De man en vrouw, ex-echtgenoten die in gemeenschap van goederen waren gehuwd, zijn gescheiden en hebben gezamenlijk een woning verkocht. Na aflossing van de hypotheek resteerde een overwaarde die tussen hen werd verdeeld. De vrouw legde conservatoir derdenbeslag op het aandeel van de man in het surplus van de verkoopopbrengst vanwege openstaande vorderingen.

De man vorderde in kort geding opheffing van dit beslag, stellende dat de vorderingen van de vrouw ondeugdelijk zijn en het beslag onnodig en onrechtmatig is. Hij gaf aan het beslag nodig te hebben voor de aankoop van een nieuwe woning en wees op mogelijke negatieve gevolgen zoals een BKR-registratie en druk op zijn integriteit.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de man niet aannemelijk had gemaakt dat de vorderingen van de vrouw ondeugdelijk zijn of dat het beslag onrechtmatig is. Het beslag is verleend voor een begrote vordering die aansluit bij eerdere rechterlijke uitspraken en depotbedragen. De man had ook geen afspraken gemaakt met de vrouw over vrijgave van gelden. De bezwaren van de man werden onvoldoende onderbouwd geacht.

De vordering tot opheffing van het beslag werd daarom afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir beslag op het aandeel van de man in de verkoopopbrengst van de woning wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/701381 / KG ZA 26/273
Vonnis in kort geding van 1 juni 2026
in de zaak van
[de man]te [woonplaats 1],
eiser,
advocaat mr. A.R. Bissessur te Den Haag,
tegen:
[de vrouw]te [woonplaats 2],
gedaagde,
advocaat mr. R. Zantman te Krimpen aan den IJssel.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 maart 2026 met producties 1 tot en met 8;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6 (en daarbij twee videobestanden, waarvan slechts een bestand beeld toonde);
- de op 14 april 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij van de zijde van de man pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Aan het slot van de zitting is bepaald dat de zaak wordt aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen tussen partijen. Ter zitting is ook afgesproken dat mr. Bissessur het beslagverlof zoals dat namens de vrouw aan de man is betekend in het digitale dossier zou uploaden. Het betekeningsexploot met daarbij het beslagverlof en de producties zijn op 15 april 2026 aan het digitale dossier toegevoegd.
1.3.
Partijen hebben de voorzieningenrechter op 28 april 2026 verzocht om vonnis te wijzen. Aan partijen is bericht dat op 1 juni 2026 vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Bij beschikking van [datum] 2022 van de rechtbank Den Haag is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Partijen waren eigenaar van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] (hierna: de woning). Deze woning is uiteindelijk verkocht aan een derde en op 26 februari 2026 heeft de levering daarvan bij notariskantoor [notariskantoor] plaatsgehad. Na aflossing van de hypothecaire geldlening bleef voor partijen een overwaarde over van € 170.000,-, dus € 85.000,- voor elk.
2.2.
Partijen hebben eerder geprocedeerd over de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap. Bij vonnis van 31 maart 2023 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de man onder meer veroordeeld tot ontruiming van de woning, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 25.000,-. Ook is de man veroordeeld om te gedogen dat de vrouw de woning na ontruiming gedurende zes weken ter beschikking zou krijgen om werkzaamheden te laten uitvoeren door [technisch bedrijf] volgens de offerte van 25 januari 2023 waarin werkzaamheden zijn geoffreerd voor een bedrag van € 13.350 exclusief btw. Daarbij is beslist dat de man en de vrouw ieder de helft van de kosten draagt.
2.3.
De vrouw heeft een deurwaarder ingeschakeld die op haar verzoek op 20 juni 2023 een proces-verbaal heeft opgemaakt waarin hij de staat van de woning heeft beschreven, ondersteund met foto’s van de woning. Uit de foto’s blijkt dat de woning vol staat met spullen en troep. Ook is zichtbaar dat sommige ruimten van de woning zich in zeer slechte staat bevinden. De vrouw heeft daarna [naam] (haar huidige partner) ingeschakeld om de woning weer in goede staat te brengen. [technisch bedrijf] heeft daarvoor een (aanvullend) bedrag van € 11.495,- in rekening gebracht.
2.4.
Bij vonnis van 4 juli 2024 tussen partijen gewezen heeft de voorzieningenrechter bepaald dat na levering van de woning aan een derde een bedrag van € 16.500,- bij de notaris in depot zal blijven tot dat een rechter bij onherroepelijk vonnis heeft geoordeeld welke kosten de man nog aan de vrouw moet voldoen. Van dit depotbedrag van € 16.500,- zag € 4.250,- op betalingen voor hypotheek, VvE-bijdragen en kosten voor nutsvoorzieningen (waarop de vrouw aanspraak maakte jegens de man), € 11.495,- zag op aanvullende kosten van [technisch bedrijf] voor schadeherstel en een bedrag van € 400,- had betrekking op deurwaarderskosten die de vrouw heeft gemaakt.
Ook is de man veroordeeld om binnen veertien dagen na de datum van het vonnis aan de vrouw een overzicht van facturen voor nutsvoorzieningen te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 10.000,-.
2.5.
De man heeft bij de rechtbank Rotterdam een bodemprocedure aanhangig gemaakt waarin hij onder meer vordert dat de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van € 18.403,544. De man voert aan dat hij een regresvordering heeft van € 18.403,54 in verband met door hem voor de woning betaalde hypothecaire lasten, lasten voor nutsvoorzieningen, VvE-bijdragen, verzekeringsgelden en taxatiekosten. Ook stelt de man € 5.000,- aan vermogensschade te hebben geleden.
2.6.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft de vrouw verlof verleend om conservatoir (derden)beslag te doen leggen onder [notariskantoor], met begroting van haar vordering op de man op een bedrag van € 12.935,13. De vrouw heeft in het verzoekschrift gesteld dat haar vordering op de man € 29.453,13 (€ 22.642,41 vermeerderd met 30% aan rente en kosten) bedraagt, maar dat de man daarnaast nog dwangsommen van € 25.750,- is verschuldigd). Het bedrag van € 22.642,41 ziet op:
  • € 2.858,39 aan deurwaarderskosten;
  • € 495,- aan VvE-bijdragen;
  • € 7.794,02 aan hypotheeklasten;
  • € 11.495,- aan schadeherstel door [technisch bedrijf].
De vrouw heeft bij haar verzoek tot begroting van de vordering van het bedrag van € 29.453,13 het depotbedrag van € 16.500,- in mindering gebracht, zodat het bedrag van € 12.935,13 resteert.
2.7.
De vrouw heeft op 23 februari 2026 conservatoir derdenbeslag gelegd onder [notariskantoor], op het aandeel van de man in het surplus van de verkoopopbrengst per 26 februari 2026 van de woning.
2.8.
Partijen hadden een spaarhypotheek en het spaardeel bedraagt € 51.844,36-.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat het door de vrouw gelegde conservatoir derdenbeslag van 23 februari 2026 onder [notariskantoor], gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2] aan de [adres 2], op het aandeel van de man in het surplus van de verkoopopbrengst per 26 februari 2026 van de gezamenlijke woning aan de [adres 1] te [plaats 1], wordt opgeheven per datum beslaglegging op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat de vrouw daarin nalatig is met een maximum van € 25.000,-;
de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding, inclusief nakosten.
3.2.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan.
Het door de vrouw conservatoir gelegde beslag is onnodig en onrechtmatig. De vrouw stelt ten onrechte dat zij vorderingen op de man heeft. Daarbij tellen de gestelde vorderingen van de vrouw bij lange na niet op tot het bedrag dat nu bij de notaris is beslagen. De man heeft zijn aandeel in de opbrengst hard nodig om een nieuwe woning te kunnen kopen. Hij logeert vanaf mei 2023 bij vrienden omdat hij geen huurwoning kan vinden. Ook kan het beslag nadelige consequenties hebben in de vorm van een BKR-registratie. Verder staat de integriteit van de man op zijn werk onder druk vanwege het beslag.
3.3.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Op grond van artikel 705 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een gelegd conservatoir beslag onder meer opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Volgens vaste rechtspraak ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert om, met inachtneming van de beperkingen van een kort geding, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet summierlijk gebleken is van de ondeugdelijkheid van de vorderingen waarvoor het beslagverlof is verleend. De vrouw heeft verlof gekregen voor het leggen van conservatoir beslag onder de notaris ten laste van de man voor een begrote vordering van € 12.935,13. De vorderingen van de vrouw zijn in het verzoekschrift onder 7. beschreven. Het verzoekschrift maakt duidelijk dat het beslag wordt gelegd in aanvulling op het depot van € 16.500 dat de notaris ten laste van het aandeel in de overwaarde van de man onder zich houdt, krachtens het kortgedingvonnis 24 juli 2024. Het beslag is niet gelegd voor andere (eventuele) vorderingen van de vrouw op de man, omdat die eventuele vorderingen niet zijn opgenomen op de door de voorzieningenrechter in het beslagverlof begrote vordering.
4.3.
De man heeft een punt waar hij stelt dat het door de vrouw gelegde beslag ertoe leidt dat de notaris nu veel meer onder zich houdt (dient te houden) dan dat waar de vrouw gezien het in het beslagrekest genoemde bedrag aanspraak maakt: € 29.435,13. De man vordert in dit kort geding opheffing van het beslag, maar daarvoor ziet de voorzieningenrechter geen grond. De man heeft niet de summierlijk de ondeugdelijkheid van de door de vrouw in paragaaf 7 van het beslagrekest genoemde vorderingen aangetoond. Waarom tegen die achtergrond het beslag onrechtmatig is en opgeheven zou moeten worden heeft de man niet duidelijk gemaakt. Denkbaar zou zijn dat de man van de vrouw medewerking verlangt aan de vrijgave van een deel van de beslagen gelden, als beslaglegger en als (voorwaardelijk) gerechtigde tot het aangehouden depot. Nu de man dat niet heeft gedaan en ook niet – althans voor de voorzieningenrechter voldoende duidelijk – houvast heeft geboden voor een dergelijke veroordeling, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het treffen van een voorziening. Het zou voor de hand hebben gelegen dat partijen daar afspraken over hadden gemaakt in de periode waarin het kort geding is aangehouden.
4.4.
Dat het beslag verstrekkende consequenties voor de man heeft in de vorm van een BKR-registratie, heeft de man verder niet nader onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Hierin wordt dan ook geen grond voor opheffing van het beslag gevonden. Ook de omstandigheid dat het beslag ervoor zorgt dat de integriteit van de man op zijn werk onder druk zou staan, biedt – daargelaten of daar sprake van is – geen grond voor opheffing van het beslag.
4.5.
Partijen hebben ter zitting gedebatteerd over het aandeel van de man in het spaardeel van de (spaar-) hypotheek. De man heeft hiervoor geen vordering geformuleerd, dus is het niet aan de voorzieningenrechter hierover een oordeel te geven. Volstaan wordt hier met de vermelding dat de vrouw onbetwist heeft aangevoerd dat zij de man een uitbetalingsformulier heeft toegezonden op basis waarvan de man uitkering van zijn spaardeel van € 25.992,18 (50% van € 51.844,36) tegemoet kan zien. Ter zitting heeft de man echter gesteld dat hij inmiddels niet tot afkoop van de spaarpolis over wil gaan omdat hij van zijn makelaar heeft begrepen dat hij in dat geval een bedrag van € 5.000,- verschuldigd is als hij weer een huis zou kopen. Dat brengt de discussie tussen partijen niet verder.
4.6.
Het gevorderde wordt afgewezen.
4.7.
In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
weigert de gevorderde voorziening;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.
ddg