ECLI:NL:RBDHA:2026:19439

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
SGR 24/9194
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D.G. Oomkes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:69a AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.15 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen omgevingsvergunning voor interne aanpassing rijksmonument Dorpskerk

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor interne aanpassingen aan de Dorpskerk, een rijksmonument. De vergunning betreft het plaatsen van beeldschermen, speakers, camera’s, een tweede orgel, een bedieningstafel en bekabeling. Het college had de vergunning verleend na positief advies van de gemeentelijke erfgoedcommissie.

Eisers stelden dat het belang van monumentenzorg zich verzet tegen de vergunning en dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in plaats van de erfgoedcommissie advies had moeten geven. Ook voerden zij aan dat vergunninghoudster geen belanghebbende zou zijn omdat het project niet zou worden uitgevoerd wegens gebrek aan financiële middelen.

De rechtbank oordeelde dat vergunninghoudster terecht als belanghebbende was aangemerkt, omdat het niet evident was dat het project niet zou worden uitgevoerd en er al werkzaamheden waren verricht. Vervolgens werd ambtshalve het relativiteitsvereiste getoetst. De rechtbank concludeerde dat de aangevoerde rechtsnormen niet strekken tot bescherming van de individuele belangen van eisers, omdat de wijzigingen het interieur betreffen en geen impact hebben op het woon- en leefklimaat van eisers.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef het bestreden besluit in stand. Eisers kregen geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak werd gedaan door rechter D.G. Oomkes op 8 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de omgevingsvergunning voor interne aanpassingen aan de Dorpskerk wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9194
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres] B.V., uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. C.A. van Kooten-de Jong),
en
het college van burgemeester en wethouders van Teylingen
(gemachtigde: mr. T. Janssens).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij]uit [plaats] , vergunninghoudster
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster.
1.1. Bij besluit van 6 februari 2024 heeft het college aan vergunninghoudster een vergunning verleend voor het in enig opzicht wijzigen, of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. [1]
1.2. Met het bestreden besluit van 8 oktober 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven.
1.3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. Vergunninghoudster heeft een schriftelijke reactie ingediend.
1.6. De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en de gemachtigden van vergunninghoudster. De gemachtigde van eisers werd vergezeld door dhr. [naam 3] .
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
2. De aangevraagde omgevingsvergunning heeft betrekking op het intern aanpassen van de Dorpskerk aan de [adres] (de Dorpskerk), waaronder het plaatsen van beeldschermen, speakers, camera’s, een tweede orgel, een bedieningstafel en de nodige bekabeling. De Dorpskerk is aangewezen als rijksmonument. In het bestreden besluit heeft het college overwogen dat het belang van monumentenzorg zich niet verzet tegen het verlenen van de omgevingsvergunning. Het college is van mening dat de wijzigingen zoals die zijn aangevraagd niet van ingrijpende aard zijn. Daarom heeft het college advies gevraagd aan de gemeentelijke erfgoedcommissie en niet aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Na enkele wijzigingen in de aanvraag heeft de erfgoedcommissie op 18 januari 2024 onder voorwaarden positief geadviseerd. Het bestreden besluit is daar mede op gebaseerd.
Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning op 10 oktober 2023 is ingediend, is in deze zaak de Wabo met onderliggende regelingen nog van toepassing. [2]
3.1. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van deze uitspraak.
Belanghebbendheid van eisers in bezwaar
4. Door vergunninghoudster is in beroep aan de orde gesteld dat het college eisers in bezwaar ten onrechte als belanghebbenden heeft aangemerkt. In deze niet nader onderbouwde stelling van vergunninghoudster, ziet de rechtbank echter geen aanleiding voor het oordeel dat het college eisers ten onrechte als belanghebbenden bij het besluit van 6 februari 2024 heeft aangemerkt. De rechtbank betrekt hierbij dat eisers woonachtig en gevestigd zijn op geringe afstand van de kerk waarin de vergunde werkzaamheden zijn voorzien.
Was vergunninghoudster belanghebbende bij het besluit op haar aanvraag?
5. Eisers betogen dat het college vergunninghoudster ten onrechte als belanghebbende bij het besluit op haar aanvraag heeft aangemerkt. Het project waarvoor een vergunning is aangevraagd zal volgens eisers nooit worden uitgevoerd, omdat vergunninghoudster geen geld heeft om de vergunde aanpassingen uit te voeren.
5.1. Als hoofdregel geldt dat een aanvrager om een vergunning in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op zijn verzoek. In de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is op deze regel een uitzondering gemaakt voor situaties waarbij op voorhand duidelijk is dat de voorgenomen activiteit niet kan worden verwezenlijkt. [3] Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij een evidente privaatrechtelijke belemmering. [4] Van zo’n uitzonderingsgeval is in deze zaak geen sprake. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was niet evident dat het aangevraagde project niet zou kunnen worden uitgevoerd vanwege het ontbreken van financiële middelen. Bovendien is ter zitting gebleken dat vergunninghoudster inmiddels een deel van de vergunde wijzigingen heeft doorgevoerd. Het college heeft vergunninghoudster daarom terecht aangemerkt als belanghebbende en haar aanvraag om een omgevingsvergunning terecht in behandeling genomen.
5.2. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Inhoudelijke beroepsgronden
6. Eisers betogen dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden. Zij voeren daartoe allereerst aan dat het belang van monumentenzorg zich daartegen verzet. De vergunde wijzigingen doen afbreuk aan de monumentale, religieuze inrichting en sfeer in de kerk. Daarnaast voeren zij aan dat in dit geval niet de gemeentelijke erfgoedcommissie, maar de RCE advies had moeten geven. Het gaat immers wel degelijk om wijzigingen van ingrijpende aard. Het advies van de erfgoedcommissie kon het college in ieder geval niet aan de beoordeling ten grondslag leggen, omdat dat advies onzorgvuldig tot stand is gekomen.
Wordt voldaan aan het relativiteitsvereiste?
6.1. Voordat de rechtbank toekomt aan de bespreking van de inhoudelijke beroepsgronden van eisers, moet ambtshalve worden beoordeeld of het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb aan eisers moet worden tegengeworpen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin een eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. [5] De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van eisers.
6.2. Het vereiste van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo bij het wijzigen van een beschermd monument, strekt tot bescherming van de monumentale waarden van als beschermd monument aangewezen panden. Dit vloeit voort uit artikel 2.15 van de Wabo, waarin is bepaald dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. [6]
6.3. [eiseres] B.V. komt in deze procedure op voor haar bedrijfsbelang. Zij wenst dat de inrichting van de Dorpskerk in de oude staat blijft behouden, omdat het aanbrengen van de vergunde wijzigingen volgens haar ten koste zal gaan van de religieuze sfeer en daarmee ten koste van de uitvaartceremonies die door haar worden georganiseerd. De rechtsnormen waar de uitvaartonderneming zich in dit kader op beroept, beogen echter niet haar individuele bedrijfsbelang te beschermen. Zoals hierboven is overwogen strekt artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo immers tot bescherming van de monumentale waarden van een als beschermd monument aangewezen pand.
6.4. Voor eiser [eiser] geldt het volgende. Regels die strekken tot bescherming van het algemeen belang van behoud van cultuurhistorische waarden strekken niet tot bescherming van de belangen van een individuele eiser, tenzij de gevreesde aantasting van de cultuurhistorische waarden plaatsvindt in een gebied dat kan worden aangemerkt als de directe woon- en leefomgeving van deze eiser. In een dergelijk geval bestaat een zo nauwe verwevenheid tussen het belang van de individuele eiser bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn directe woon- en leefomgeving en het algemene belang dat aan de orde is bij de bescherming van cultuurhistorische waarden, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belang. Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid in deze zin kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de afstand tussen de woning van eiser en het plangebied, respectievelijk de daarin aanwezige monumentale bebouwing, met hetgeen zich in het tussenliggende gebied bevindt, en met het al dan niet bestaande, geheel of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning van eiser op de monumentale bebouwing. [7]
6.4.1. Eiser [eiser] woont weliswaar in de directe omgeving van de Dorpskerk, maar de vergunde activiteit ziet louter op de aanpassing van het interieur van de kerk. De buitenkant van de Dorpskerk blijft ongewijzigd. De aanpassingen van het monument vinden dus niet plaats in het zicht vanuit de woning van eiser en hebben ook anderszins geen impact op het woon- en leefklimaat van eiser. Dat eiser in zijn rol als voormalig vrijwillig koster en lid van de [derde-partij] persoonlijk zeer begaan is met het wel en wee van de Dorpskerk en haar historie, maakt dit niet anders. Dit is immers geen ruimtelijk belang dat beschermd wordt door de regelgeving inzake monumentenzorg.
6.5. Anders dan eisers hebben bepleit, komt de rechtbank daarom tot het oordeel dat de regelgeving waarop het bestreden besluit is gebaseerd kennelijk niet strekt tot bescherming van hun individuele belangen. Het relativiteitsvereiste staat er daarom aan in de weg dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Dat betekent dat geen aanleiding bestaat om de beroepsgronden van eisers inhoudelijk te beoordelen.
Conclusie en gevolgen
7. De conclusie van het voorgaande is dat het beroep van eisers ongegrond is. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen het door hen betaalde griffierecht dan ook niet terug en er bestaat ook geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep van eisers ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G. Oomkes, rechter, in aanwezigheid van
mr.Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
de griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
(…)

Artikel 1:3

(…)
3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
f. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,
(…)

Artikel 2.15

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.
Besluit omgevingsrecht

Artikel 6.4

1. Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de wet worden als adviseurs aangewezen:
a. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, indien de activiteit betrekking heeft op:
1⁰ het slopen van een rijksmonument of een deel daarvan voor zover van ingrijpende aard,
2⁰ het ingrijpend wijzigen van een rijksmonument of een belangrijk deel daarvan, voor zover de gevolgen voor de waarde van het rijksmonument vergelijkbaar zijn met de gevolgen van het geval, bedoeld onder 1⁰, (…)
Erfgoedverordening Teylingen 2018

Artikel 17

1. Burgemeester en wethouders zenden onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de erfgoedcommissie, bedoeld in artikel 8, eerste lid. (…)

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
2.Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingsrecht.
3.Vergelijk de uitspraken van 23 januari 2019,
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2024,
5.Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3.
6.Zie de uitspraken van de Afdeling van 15 maart 2017,
7.Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020,