ECLI:NL:RBDHA:2026:19454

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
NL26.8814
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening om te voorkomen dat zij gedurende de behandeling van haar beroep tegen de afwijzing van haar aanvraag wordt uitgezet.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 juni 2026 behandeld, waarbij zowel verzoekster als haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. Op de zitting is het verzoek inhoudelijk besproken.

Op de dag van de uitspraak, 14 juli 2026, heeft de rechtbank het hoofdberoep van verzoekster ongegrond verklaard. Gezien deze uitspraak is een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

Op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft verzoekster recht op vergoeding van de proceskosten. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten vast op € 934,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, en veroordeelt de minister tot betaling van dit bedrag.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter N.M. van Waterschoot en is onherroepelijk, er staat geen rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het hoofdberoep ongegrond is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8814

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , verzoekster,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J. Oosterhof)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S. Yousef).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster tot het treffen van de voorlopige voorziening om gedurende de behandeling van haar beroep tegen de afwijzing van haar aanvraag niet te worden uitgezet.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag [1] heeft de rechtbank het beroep van verzoekster ongegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
3. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb [2] heeft verzoekster recht op vergoeding van de proceskosten. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (één punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, met een waarde van € 934,- per punt).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.NL26.8813.
2.Algemene wet Bestuursrecht.