ECLI:NL:RBDHA:2026:19454
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening om te voorkomen dat zij gedurende de behandeling van haar beroep tegen de afwijzing van haar aanvraag wordt uitgezet.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 juni 2026 behandeld, waarbij zowel verzoekster als haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. Op de zitting is het verzoek inhoudelijk besproken.
Op de dag van de uitspraak, 14 juli 2026, heeft de rechtbank het hoofdberoep van verzoekster ongegrond verklaard. Gezien deze uitspraak is een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
Op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft verzoekster recht op vergoeding van de proceskosten. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten vast op € 934,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, en veroordeelt de minister tot betaling van dit bedrag.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter N.M. van Waterschoot en is onherroepelijk, er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het hoofdberoep ongegrond is verklaard.