ECLI:NL:RBDHA:2026:19469

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
C/09/700317
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:37 BWArt. 6:162 BWArt. 5:50 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onrechtmatige hinder door vergunde nieuwbouw naast eetcafé

Eisers, eigenaar van een perceel met een eetcafé en woning, vordert dat gedaagden wordt verboden een vergund bouwplan op het naastgelegen perceel te realiseren vanwege vermeende onrechtmatige hinder. Eisers stelt dat de nieuwbouw leidt tot meer schaduw op het terras, inkijk, verminderd uitzicht, daglichtvermindering en waardevermindering.

De rechtbank stelt vast dat hoewel hinder zal optreden, deze niet onrechtmatig is. De hinder is beperkt in tijd en omvang, mede door de centrale ligging en bestaande bebouwing. De rechtbank weegt het belang van gedaagden bij een rendabele nieuwbouw zwaarder dan de beperkte hinder voor eisers. Ook het dakterras is pas recent gerealiseerd, waardoor eisers rekening had te houden met de gevolgen.

De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt eisers in de proceskosten. De rechtbank acht de door eisers aangevoerde effecten onvoldoende onderbouwd om onrechtmatige hinder aan te nemen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt eisers in de proceskosten wegens onvoldoende onderbouwing van onrechtmatige hinder.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/700317 / HA ZA 26-203
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van

1.[eiser] te [woonplaats 1],2. [eiseres] te [woonplaats 1],

eisers,
hierna samen te noemen: [eisers] en eiseres 2 afzonderlijk ook [eiseres],
advocaat: mr. J.H. Bargeman,
tegen

1.[gedaagde 1] te [woonplaats 2],2. [gedaagde 2] te [woonplaats 3], [gemeente 1],3. [gedaagde 3] te [woonplaats 4],4. [gedaagde 4] te [woonplaats 4],

gedaagden,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. M.P. Smal.

1.Samenvatting

[eisers] is eigenaar van een perceel met daarop een pand. Op de begane grond van dat pand exploiteert [eisers] een eetcafé en daarboven bevindt zich een woning. [gedaagden] is eigenaar geworden van het naastgelegen perceel en heeft een omgevingsvergunning verkregen om daar een pand met commerciële ruimte op de begane grond en twee woningen op de bovenverdiepingen te laten bouwen. [eisers] vordert dat het [gedaagden] wordt verboden het vergunde bouwplan te realiseren. Volgens hem leidt dat op meerdere manieren tot onrechtmatige hinder. De rechtbank stelt vast dat [eisers] hinder zullen ondervinden van de realisatie van het bouwplan, maar oordeelt dat dat niet tot onrechtmatige hinder zal leiden. Daarom wijst de rechtbank de vorderingen van [eisers] af. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 februari 2026, met producties 1 tot en met 17;
- de conclusie van antwoord, met één productie;
- het tussenvonnis van 6 mei 2026;
- de akte overlegging producties van [eisers], met producties 18 tot en met 22;
- de akte overlegging producties van [gedaagden], met producties 2 tot en met 7.
2.2.
Op 1 juni heeft 2026 de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen voorgedragen en overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling verder is besproken.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eisers] is eigenaar van een perceel met daarop een pand aan [adres 1] te [plaats] (hierna: [adres 1]). [eisers] exploiteert daar een eetcafé en restaurant (hierna: het eetcafé). Boven het eetcafé bevindt zich een woning die eerder werd bewoond door [eisers] en die inmiddels wordt bewoond door de zoon van [eisers] en diens vriendin. Aan de achterzijde van het perceel bevindt zich een buitenterras behorend bij het eetcafé (hierna: het eetcaféterras). Op de zijkant van het dakvlak van het pand bevinden zich door [eisers] geplaatste zonnepanelen.
3.2.
Het perceel aan [adres 2] te [plaats] (hierna: [adres 2]) grenst aan [adres 1]. Op [adres 2] staat een leegstaande, dichtgetimmerde woning. [gedaagden] is eigenaar geworden van [adres 2] en heeft het voornemen daar een nieuw pand te realiseren.
3.3.
Op 2 december 2022 heeft de [gemeente 2] een omgevingsvergunning aan [gedaagden] verleend voor het realiseren van een bouwwerk op [adres 2] met twee appartementen op de bovenverdiepingen en een commerciële ruimte op de begane grond. Volgens de vergunde bouwplannen zal het bouwwerk deels tegen de erfgrens met [adres 1] komen te liggen.
3.4.
Op 22 december 2022 maakt [eiseres] bezwaar tegen het besluit van 2 december 2022 tot verlening van de vergunning aan [gedaagden]
3.5.
Op 3 juli 2023 is in opdracht van [gedaagden] een bezonningsstudie uitgevoerd.
3.6.
Op 29 maart 2024 bericht de [gemeente 2] aan [eiseres] dat zij de grondslag van haar besluit van 2 december 2022 heeft verbeterd en dit besluit voor het overige in stand laat.
3.7.
[eisers] heeft op basis van de resultaten van de bezonningsstudie in opdracht van [gedaagden] een contra-expertise laten uitvoeren door [architectenbureau 1].
3.8.
[eisers] heeft tegen de beslissing op bezwaar beroep bij de bestuursrechter ingesteld.
3.9.
[eisers] heeft aan [architectenbureau 2] gevraagd te beoordelen wat de gevolgen van het realiseren van de vergunde bouwplannen zullen zijn voor de daglichttoetreding op het pand op [adres 1]. In de notitie van [architectenbureau 2] daarover van 6 februari 2026 is bij de conclusie de volgende tabel opgenomen:
3.10.
Bij vonnis van 7 mei 2026 van de bestuursrechter van de rechtbank Den Haag is het beroep van [eisers] tegen de beslissing op bezwaar ongegrond verklaard. In dit vonnis is onder meer het volgende opgenomen:
Privacy
6.2
De rechtbank volgt [[eiseres]] niet in haar stelling dat de vergunde bouw voorziet in gevelopeningen die rechtstreeks zicht bieden op haar erf en achterterras. Aan de oostzijde (achterzijde) van de vergunde bouw bevinden zich twee vensters, boven elkaar (...). Gelet op de plaats van deze vensters en vanaf daar mogelijke zicht op het perceel van [[eiseres]], volgt de rechtbank het college in het standpunt dat sprake is van zijdelings zicht. De rechtbank ziet in verband daarmee geen grond voor het oordeel dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de gevolgen van het bouwplan voor de privacy. (...)
Uitzicht, lichttoetreding en bezonning
6.3
De rechtbank begrijpt dat de bestaande situatie op [[adres 2]] waarin sprake is van bebouwing die aanzienlijk lager is en minder omvangrijk dan de vergunde bebouwing, voor [[eiseres]] gunstiger is, zowel voor wat betreft uitzicht als toetreding van (zon)licht. (...) 6.4 De rechtbank kan het college ook volgen in het standpunt dat de verminderde lichtinval niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Daarbij heeft het college mogen betrekken dat de ramen aan de voorzijde en de andere zijkant van het pand van eiseres nog steeds voorzien in daglichttoetreding. Evenals het college acht de rechtbank het niet aannemelijk dat bij de zijramen die uitzicht geven op het bouwplan sprake zal zijn van volledige verduistering.’
3.11.
Op 10 mei 2026 hebben drie medewerkers van het eetcafé een verklaring ondertekend. In die gelijkluidende verklaringen staat het volgende:
‘Hierbij verklaar ik dat het bij [het eetcafé] traditioneel aanzienlijk drukker is in het voorjaar en het najaar. Vooral bij gunstige weersomstandigheden is het aanzienlijk drukker in deze periodes.
In periodes van mooi weer met veel zon is er sprake van een duidelijke toename van bezoekers binnen het bedrijf, en dan met name in de tuin.
De verhoogde drukte in het voorjaar en najaar is een terugkerend seizoensgebonden patroon binnen ons eetcafé, en is al zo sinds 2021.’
3.12.
[gedaagden] heeft aan [eisers] bericht dat de bouwwerkzaamheden zullen aanvangen nadat de verleende vergunning onherroepelijk is geworden.
3.13.
De volgende foto's tonen de huidige situatie van [adres 2] en [adres 1] van boven (foto links) en van voren zijlings (foto rechts) (foto afkomstig uit een presentatie van 29 februari 2024):
3.14.
De volgende foto's (door [eisers] overgelegd als productie 12 bij dagvaarding) tonen een gedeelte van het eetcaféterras van [adres 1] en de erfgrens met [adres 2] met daarop een haag en bomen:
Z
3.15.
De volgende tekeningen geven een schematisch beeld van de huidige situatie (tekening links) en de situatie na het realiseren van de vergunde bouwplannen (tekening rechts), telkens kijkend op de achterkant van de percelen.
3.16.
[architectenbureau 1] heeft een aanvullende studie uitgevoerd naar de invloed van schaduwwerking op het terras aan de achterzijde van het eetcafé. In het rapport van 15 juni 2026 is, kort gezegd, in meerdere tabellen vanaf week 12 tot en met week 43 een vergelijking tijdens de openingstijden gemaakt van de huidige situatie met de situatie waarin de nieuwbouw van [adres 2] zou zijn gerealiseerd.

4.Het geschil

4.1.
[eisers] vordert – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • verklaart voor recht dat de realisatie van het vergunde bouwplan tot ontwikkeling van de woningen aan de [adres 2] te [plaats] tot onrechtmatige hinder leidt;
  • [gedaagden] verbiedt om op het perceel aan de [adres 2] te [plaats] op zodanige wijze een bouwwerk te realiseren dat [eisers] hiervan hinder ervaart, op straffe van een dwangsom;
  • [gedaagden] verbiedt om op het perceel aan de [adres 2] te [plaats] binnen een afstand van twee meter tot de erfgrens met [adres 1] te [plaats] een bouwwerk te realiseren, op straffe van een dwangsom;
  • [gedaagden] veroordeelt tot betaling aan [eisers] van € 1.210,- en € 925,-, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
  • hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
4.2.
[eisers] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag.
4.3.
Als de vergunde bouwplannen op [adres 2] worden gerealiseerd, zal dit op meerdere wijzen leiden tot onrechtmatige hinder bij [eisers] als bedoeld in artikel 5:37 juncto Pro 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zo komt het eetcaféterras langer en meer in de schaduw te liggen, met name in het voorjaar en najaar. Verder wordt het uitzicht vanaf het eetcaféterras belemmerd en zal vanuit het te realiseren bouwwerk zicht zijn op de gasten van het eetcafé op dat terras. Dit alles zal de omzet van het eetcafé negatief beïnvloeden. Ook zal de realisatie van de vergunde bouwplannen leiden tot daglichtvermindering in meerdere binnengedeelten van het eetcafé. [eisers] vreest dat dit alles een negatieve invloed zal hebben op de bezoekersaantallen van het eetcafé. Als de vergunde bouwplannen worden gerealiseerd, leidt dit ook tot onrechtmatige hinder voor de woning op [adres 1]. Dit zal namelijk leiden tot (i) (sterke) vermindering van het uitzicht vanaf het dakterras van deze woning, (ii) het in de schaduw komen te liggen van dit dakterras en (iii) daglichtvermindering in meerdere delen van de woning.
4.4.
[eisers] heeft meer dan 20 jaar geleden ramen aangebracht binnen twee meter van de erfgrens met [adres 2], zodat [gedaagden] als gevolg van verjaring geen wegneming van die ramen meer kan vorderen. Uit artikel 5:50 lid 4 BW Pro volgt dat [gedaagden] verplicht is om binnen een afstand van twee meter van deze ramen géén gebouwen of werken aan te brengen die leiden tot onredelijke hinder. Het realiseren van het vergunde bouwwerk zou wel tot zodanige onredelijke hinder leiden.
4.5.
Verder vordert [eisers] vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt voor de uitgevoerde contra-expertise, ter hoogte van € 1.210,- en de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 925,-.
4.6.
[gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
4.7.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

kernvraag
5.1.
De centrale vraag in deze procedure is of het realiseren van de vergunde bouwplannen door [gedaagden] op [adres 2], zal leiden tot hinder bij [eisers] in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW Pro onrechtmatig is.
juridisch kader
5.2.
De rechtbank neemt het volgende tot uitgangspunt. Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder vanaf een erf aan een naburig erf onrechtmatig is, hangt af van de aard, ernst en duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade, in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Ook het onthouden van licht kan onrechtmatige hinder opleveren. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder, moet onder meer rekening worden gehouden met de wederzijdse belangen van partijen. Hierbij kan de mogelijkheid en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen (mede gelet op de daaraan verbonden kosten) meespelen.
5.3.
De omstandigheid dat er voor bouwplannen een bouwvergunning is verleend die formele rechtskracht heeft gekregen, betekent nog niet dat het realiseren van die bouwplannen geen onrechtmatige hinder kan opleveren. Het antwoord op de vraag of en in hoeverre een door de overheid verstrekte vergunning invloed heeft op de beoordeling van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van degene die overeenkomstig de hem verstrekte vergunning handelt, maar daarbij schade of hinder toebrengt aan derden, hangt af van de aard van de vergunning en het belang dat wordt nagestreefd met de regeling waarop de vergunning berust, zulks in verband met de omstandigheden van het geval. Daarbij geldt in beginsel dat de vergunninghouder erop mag vertrouwen dat de vergunning overeenkomstig de wet is verleend en de overeenkomstig de wet in aanmerking te nemen belangen door de vergunningverlenende instantie volledig en op de juiste manier zijn afgewogen, en dat hij van die vergunning gebruik mag maken.
inhoudelijke beoordeling
5.4.
De rechtbank zal hierna ingaan op de wijzen waarop volgens [eisers] het realiseren van het vergunde bouwwerk op [adres 2] tot onrechtmatige hinder voor het eetcafé en de daarboven gelegen woning zal leiden. De rechtbank noemt eerst twee omstandigheden die zij bij haar oordeel daarover zal meewegen.
5.5.
De rechtbank acht ten eerste de volgende plaatselijke omstandigheden van belang. [adres 2] en [adres 1] zijn gelegen in het centrum (de dorpskern) van [plaats], nabij andere panden met een commerciële bestemming en ook nabij andere panden met meer dan twee verdiepingen. Dergelijke bebouwing is bestuursrechtelijk ook toegestaan. Op [adres 2] staat sinds lange tijd een leegstaande en dichtgetimmerde woning. Gelet op de centrale ligging met de bestaande bebouwing heeft [eisers] er naar het oordeel van de rechtbank rekening mee moeten houden dat er op den duur nieuwbouw van vergelijkbare omvang als de reeds bestaande omliggende bebouwing zou worden gerealiseerd op [adres 2]. Dit brengt mee dat [eisers] een zekere mate van daglichtvermindering en schaduwtoename als gevolg van nieuwbouw op [adres 2] zal moeten dulden.
5.6.
De rechtbank acht ten tweede van belang dat het bouwwerk dat op grond van de vergunde bouwplannen zal worden gerealiseerd, beduidend minder hoog en ook minder lang is dan op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. [gedaagden] heeft onweersproken gesteld dat hij de bouwplannen juist op die manier heeft aangepast om waar mogelijk tegemoet te komen aan de belangen van [eisers] In het bestuursrechtelijke traject is de bouwvergunning in stand gebleven en daarbij is de invloed op de daglichttoetreding, de schaduwwerking en de privacy op [adres 1] tot op zekere hoogte meegenomen. [gedaagden] heeft verder gesteld dat hij geen reële mogelijkheid heeft om überhaupt tot nieuwbouw te komen als de eventuele gevolgen voor daglichtinval en schaduwwerking op [adres 1] nog verder worden beperkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] dat niet voldoende gemotiveerd betwist. Het enige alternatief dat [eisers] heeft aangedragen – een lager gebouw dat verder naar achteren doorloopt – kan namelijk uitsluitend worden gerealiseerd door mede te bouwen op een ander erf dat niet aan [gedaagden] toebehoort. Dat betekent dat [gedaagden] maatregelen hebben genomen ter voorkoming van schade bij [eisers] Dat weegt de rechtbank mee bij de belangenafweging die moet worden gemaakt bij de beoordeling of er sprake is van onrechtmatige hinder.
schaduw op eetcaféterras
5.7.
Volgens [eisers] zal het realiseren van de vergunde bouwplannen ten eerste onrechtmatige hinder opleveren omdat dit zal leiden tot beduidend meer schaduw op het eetcaféterras, met name in het voorjaar en najaar. [eisers] heeft daarbij opgemerkt dat de keuze voor potentiële bezoekers van een horecagelegenheid in het voorjaar bij zonnig weer, in belangrijke mate afhangt van de vraag of er een plek in de zon op het terras beschikbaar is. [gedaagden] betwist dat de extra schaduwvorming op het eetcaféterras een goede exploitatie van het eetcafé in de weg staat en onrechtmatige hinder zal opleveren.
5.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Aangezien [eisers] stelt dat de extra schaduwwerking op het eetcaféterras onrechtmatige hinder oplevert vanwege negatieve gevolgen voor de exploitatie van het eetcafé, is van belang wat de schaduwwerking is in de uren waarop het eetcafé geopend is. Uit het door [eisers] overlegede aanvullende expertiserapport van [architectenbureau 1] blijkt dat het eetcafé op de woensdag, donderdag en zondag officieel open is van 16.30 tot en met 22.00 uur, en op de vrijdag en zaterdag van 12.00 tot en met 22.00 uur.
5.9.
De rechtbank leidt uit dat aanvullende expertiserapport van [architectenbureau 1] en wat partijen daarover op de mondelinge behandeling hebben verklaard af dat in de winter- en in de zomermaanden de beoogde nieuwbouw niet of nauwelijks tot een verschil in schaduwvorming leidt. [eisers] neemt ook zelf het standpunt in dat de extra schaduwvorming met name in het voorjaar en najaar aanwezig is. De rechtbank neemt daarom aan dat er geen sprake is van hinder wegens toegenomen schaduwwerking op het eetcaféterras in de zomer en winter.
5.10.
Uit de aanvullende expertise leidt de rechtbank verder af dat de realisatie van de vergunde bouwplannen met name in de uren van 15.00 tot 17.00 uur zal leiden tot meer schaduw van betekenis op het eetcaféterras. Dat effect is groter in het vroege voorjaar en het late najaar en wordt steeds beperkter hoe dichterbij de zomer wordt gemeten. Vóór 15.00 uur is de extra schaduwvorming beperkt omdat het eetcaféterras ook na realisatie van de bouwplannen nog grotendeels in de zon ligt. Na 17.00 uur is het effect eveneens beperkt, omdat het eetcaféterras ook in de bestaande situatie dan in de schaduw ligt. Daarbij is ook van belang dat [eisers] ter zitting heeft verklaard dat de zon, zowel in de huidige situatie als in de situatie met nieuwbouw op [adres 2], zo draait dat er in de avond ook nog zon op het terras is.
5.11.
De rechtbank overweegt dat, uitgaande van de officiële openingstijden van het eetcafé, de realisatie van de vergunde bouwplannen op drie van de vijf openingsdagen slechts een half uur per dag tot significant meer schaduw op het eetcaféterras leidt, namelijk van 16.30 tot 17.00 uur. Op de andere twee openingsdagen gaat het om een periode van twee uren, namelijk van 15.00 tot 17.00 uur. Bovendien is de schaduwvorming met name aanwezig tijdens een aantal weken in het vroege voorjaar en een aantal weken in het late najaar. [eisers] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de extra schaduwvorming van 15.00 tot en met 17.00 uur in die specifieke periodes de bezoekersaantallen en daarmee de omzet van het eetcafé negatief zal beïnvloeden en dus tot financiële schade zal leiden. [gedaagden] heeft dat namelijk betwist en [eisers] heeft daar, op de verklaringen van drie medewerkers van het eetcafé na, geen stukken van overgelegd. De rechtbank hecht echter weinig waarde aan die verklaringen van de medewerkers, omdat het in alle drie de gevallen gaat om gelijkluidende, vooropgestelde verklaringen die niet specifiek zien op het tijdvak van 15.00 tot en met 17.00 uur en niet op de invloed van het aantal beschikbare plekken in de zon op het eetcaféterras op de bezoekersaantallen.
5.12.
[eisers] heeft ter zitting nog verklaard dat zijn zoon het eetcafé met mooi weer wel eens eerder opent, zodat er ook op de dagen met latere openingstijden langer last van de schaduwvorming is. Nog los van de vraag hoe dat incidentele karakter van de vervroegde openingstijden moet worden beoordeeld, maakt die verklaring het oordeel van de rechtbank niet anders. Ook als het eetcafé elke dag eerder open zou gaan heeft [eisers] namelijk niet voldoende onderbouwd dat de extra schaduwvorming op de hiervoor genoemde momenten tot een teruglopend bezoekersaantal zal leiden.
vermindering/belemmering van uitzicht vanaf terras eetcafé
5.13.
[eisers] heeft ook gesteld dat sprake zal zijn van onrechtmatige hinder door vermindering of belemmering van het uitzicht vanaf van het eetcaféterras. Volgens [gedaagden] bestaat er nu al geen uitzicht van betekenis vanaf het eetcaféterras, omdat [eisers] een haag en bomen bij de erfgrens met [adres 2] heeft geplaatst. Dit wordt ondersteund door foto’s van de situatie (zie randnummer 3.14 van dit vonnis, door [eisers] overgelegd als productie 12 bij dagvaarding). Daaruit blijkt dat er vanaf het eetcaféterras zicht is op die haag en bomen en op een daarachter gelegen gebouw. Dat betekent dat het reeds bestaande uitzicht beperkt is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] onvoldoende onderbouwd waarom het te plaatsen gebouw op [adres 2] tot belemmering van het uitzicht vanaf het eetcaféterras zal leiden. Ook heeft [eisers] niet voldoende onderbouwd dat daardoor bezoekers van het eetcafé zullen wegblijven.
inkijk op eetcaféterras
5.14.
[eisers] stelt dat het realiseren van de vergunde bouwplannen ook onrechtmatige hinder zal opleveren in de vorm van inkijk op het eetcaféterras. Vast staat dat het vergunde bouwwerk op basis van de vergunde bouwplannen géén ramen zal hebben aan de zijde grenzend aan [adres 1] (aan de zijkant). Dit gebouw zal wel ramen hebben aan de achterzijde. Volgens [eisers] kan ook vanuit de ramen aan achterzijde schuin opzij op het eetcaféterras worden gekeken, met name als er een bijzondere activiteit zoals een bruiloftsfeest aan de gang is. Volgens [eisers] zullen gasten dit als onprettig ervaren en zal dat dus leiden tot omzetvermindering. [gedaagden] heeft betwist dat zijdelings zicht vanaf de nieuwbouw op [adres 2] tot omzetvermindering van het eetcafé zal leiden.
5.15.
De rechtbank stelt voorop dat het eetcafé gelegen is in het centrum van [plaats] en dat op het perceel aan de andere kant naast [adres 2] nu ook al een gebouw staat met balkons vanaf waar op het eetcaféterras kan worden gekeken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] onvoldoende concreet onderbouwd dat het te realiseren gebouw op [adres 2] tot een nieuwe situatie leidt waarbij potentiële gasten van het eetcafé zodanig voor inkijk zullen vrezen dat ze voor een andere horecagelegenheid zullen kiezen.
verminderde daglichttoetreding eetcafé
5.16.
Volgens [eisers] wordt de daglichttoetredingsfactor in het eetcafé in belangrijke mate aangetast. Daarvoor verwijst hij naar een daglichttoetredingsonderzoek. Volgens [gedaagden] gaat het rapport uit van een onjuiste situatie en lijken de effecten groter dan ze zijn doordat de vermindering in percentages worden uitgedrukt. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken van een onjuiste situatie in het rapport. Daar waar [gedaagden] wijzen op de aanwezigheid van de schutting gaat het immers om een ruimte waar de daglichttoetredingsfactor al beperkt is. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van het onderzoek.
5.17.
Daaruit volgt dat er voor het eetcafé alleen aan de achterzijde een beperking is. Aangezien daar al nauwelijks daglicht naar binnen kwam (de factor is 0,27), is een vermindering naar 0 in absolute zin geen grote wijziging. Evenmin hebben [eisers] voldoende concreet toegelicht waarom het kleine beetje daglicht dat daar naar binnenkomt van groot belang is voor hun gasten, zodanig dat dit de bezoekersaantallen zal beïnvloeden.
gevolgen voor opbrengst zonnepanelen
5.18.
[eisers] stelt dat de door hem geplaatste zonnepanelen op [adres 1] helemaal geen rendement meer zullen hebben als de vergunde bouwplannen worden gerealiseerd. Daarvoor verwijst hij naar een e-mail van PK-Zontechniek. Volgens [gedaagden] wordt met die e-mail op geen enkele wijze onderbouwd hoe tot die conclusie wordt gekomen en wat het verschil is met het huidige rendement. Hij betwist die e-mail dan ook. Daarnaast stelt hij zich op het standpunt dat hij aan [eisers] heeft aangeboden om de zonnepanelen ten behoeve van [eisers] op het te realiseren gebouw te plaatsen.
5.19.
De rechtbank overweegt dat [eisers] ook met de contra-expertise van [architectenbureau 1] heeft onderbouwd dat het rendement van de zonnepanelen door het realiseren van de vergunde bouwplannen zal verminderen. Uit de contra-expertise volgt duidelijk dat er in de nieuwe situatie, wederom met name in het voor- en najaar, vanaf 12:00 uur al veel meer schaduw op de zonnepanelen komt dan in de bestaande situatie. Gelet op die onderbouwing acht de rechtbank de betwisting van [gedaagden] onvoldoende gemotiveerd.
5.20.
[eisers] heeft niet weersproken dat [gedaagden] meermaals heeft aangeboden om de zonnepanelen ten behoeve van [eisers] op het nieuw te realiseren gebouw te leggen. [gedaagden] heeft dat aanbod ter zitting herhaald en daarbij aangegeven dat eventuele juridische problemen kunnen worden opgelost, bijvoorbeeld met een recht van opstal voor de zonnepanelen. Ook hebben [eisers] niet weersproken dat de zonnepanelen op het dak van het nieuw te realiseren gebouw hun rendement behouden. Gelet op het aanbod van [gedaagden], waarbij de rechtbank erop vertrouwt dat [gedaagden] dat ook na dit vonnis van de rechtbank gestand doet, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagden] een voldoende alternatief hebben geboden waarmee het realiseren van het vergunde bouwwerk geen nadelige gevolgen voor de (opbrengst van de) zonnepanelen van [eisers] hoeft te hebben.
tussenconclusie: geen onrechtmatige hinder voor het eetcafé
5.21.
Na beoordeling van de hiervoor door [eisers] aangevoerde omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat de realisatie van de bouwplannen voor [adres 2] geen onrechtmatige hinder voor het eetcafé oplevert. De rechtbank acht niet voldoende onderbouwd dat het uitzicht wordt belemmerd, dat er meer inkijk op het eetcaféterras is of dat de zonnepanelen nadelig worden beïnvloed. Er zal wel meer schaduw op het eetcaféterras zijn en er zal aan de achterzijde van het eetcafé minder daglicht binnenkomen. Die effecten zijn echter relatief beperkt. Daar staat het belang van [gedaagden] van een financieel rendabele realisatie van de nieuwbouw tegenover. Vanwege de relatief beperkte effecten voor het eetcafé van [eisers], de plaatselijke omstandigheden en de door [gedaagden] genomen maatregelen ten gunste van [eisers], acht de rechtbank de belangen van [gedaagden] zwaarder wegen dan de belangen van [eisers]
5.22.
Hierna zal de rechtbank nog ingaan op de vraag of het realiseren van de nieuwbouw op [adres 2] onrechtmatige hinder voor de boven het eetcafé gelegen woning oplevert.
verminderde daglichttoetreding woning
5.23.
Voor de woning geldt dat uit het onderzoek blijkt dat de als ‘werkruimte’ aangeduide ruimte minder daglicht zal hebben, maar dat ook daar de afname in absolute zin beperkt is (de factor zal van 0,87 naar 0,56 gaan). [eisers] heeft niet voldoende concreet onderbouwd waarom de afname voor die ruimte, waarvan [eisers] ter zitting heeft verklaard dat het een vrije ruimte met loopruimte is, veel hinder oplevert. In de keuken is wel sprake van een forse afname van het daglicht. Daar gaat de factor van 5,01 naar 1,33. Dat wordt door [gedaagden] ook niet betwist, maar volgens hem is een factor boven de 1 nog voldoende. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat [eisers] voor de keuken aanzienlijke hinder ondervinden door de vermindering van het daglicht.
dakterras woning
5.24.
De woning op [adres 1] heeft inmiddels een dakterras aan de zijde die grenst aan [adres 2]. Niet in geschil is dat het realiseren van de vergunde bouwplannen zal meebrengen dat dit dakterras (bijna) volledig in de schaduw zal komen te liggen. Ook is niet in geschil dat waar nu uitzicht op het perceel van [adres 2] en de daarachter gelegen parkeerplaats bestaat, bij realisatie van de bouwplannen van [gedaagden] vanaf het dakterras alleen op een blinde muur wordt uitgekeken.
5.25.
Wel is tussen partijen in geschil of en wanneer het dakterras is gerealiseerd. Ter zitting hebben [gedaagden] namelijk betwist dat de woning een dakterras heeft. Daarop heeft [eisers] verklaard dat het platte dak circa een jaar geleden van een hekwerk is voorzien, omdat de gemeente dat eiste toen hun zoon in de woning ging wonen. Wel zou men daarvoor ook wel eens daar zijn gaan zitten om uit te rusten. Volgens [gedaagden] was er op het moment van de verkrijging van de vergunning geen sprake van een dakterras en moet [eisers] zich bij het plaatsen van het hekwerk dus hebben gerealiseerd dat naast het dakterras een gebouw zou komen te staan.
5.26.
De rechtbank overweegt dat op de als productie 11 bij de dagvaarding overgelegde foto is te zien dat er een houten hekwerk om het dakterras staat, dat dit dakterras een vloer van lichte vierkante stenen heeft en dat er enkele tuinmeubels staan, zoals een stoel, een bankje en een tafel. Daarmee staat vast dat er een dakterras is gerealiseerd. De rechtbank is echter met [gedaagden] van oordeel dat [eisers] onrechtmatige hinder wegens toegenomen schaduw op het dakterras en verminderd uitzicht vanaf dat dakterras niet aan [gedaagden] kunnen tegenwerpen als dit dakterras pas is gerealiseerd na het verlenen van de omgevingsvergunning voor de bouwplannen aan [gedaagden] [eisers] hebben zich in dat geval immers moeten realiseren dat hun lichtinval en uitzicht slechts tijdelijk zouden zijn.
5.27.
Uit de verklaringen van [eisers] leidt de rechtbank af dat het dakterras pas echt als zodanig wordt gebruikt sinds het hekwerk is geplaatst. Dat blijkt verder uit de foto’s op de presentatie voor de commissie bezwaarschriften van [eisers] van 29 februari 2024 (productie 6 bij dagvaarding). Daarop is namelijk te zien dat wat heden het dakterras is, destijds een zwart plat dak, zonder hekwerk, zonder vloer en zonder enig tuinmeubel was. Aangezien de [gemeente 2] op 2 december 2022 voor het eerst de omgevingsvergunning voor de nieuwbouw op [adres 2] heeft verleend, moet [eisers] zich bij het aanleggen van het dakterras dus hebben gerealiseerd dat die situatie slechts tijdelijk zou kunnen zijn.
5.28.
Daarbij weegt de rechtbank mee dat, zoals hiervoor onder 5.5 en 5.6 is overwogen, [eisers] er überhaupt rekening mee heeft moeten houden dat er op [adres 2] nieuwbouw komt van vergelijkbare grootte als reeds nabijgelegen bebouwing. Gebouwen van een dergelijke grootte zullen echter altijd de lichtinval en het uitzicht van het, op de eerste verdieping gelegen, dakterras van [eisers] ontnemen. Als het uitzicht en de lichtinval op het dakterras van [eisers] niet of nauwelijks verminderd zouden mogen worden en er ook nog rekening moet worden gehouden met het eetcaféterras, dan zou dat dus betekenen dat [eisers] door de aanleg van het dakterras voorkomen dat er ooit nog vergelijkbare bebouwing kan worden geplaatst. Aangezien [gedaagden] onweersproken hebben gesteld dat er dan geen enkele financieel rendabele nieuwbouw op [adres 2] mogelijk is, zou het dakterras dan een enorme beperking op het eigendomsrecht van [adres 2] vormen.
tussenconclusie: geen onrechtmatige hinder voor de woning
5.29.
Kortom, de rechtbank is zich ervan bewust dat het uitzicht vanaf het dakterras en de lichtinval daarop in ernstige mate, zo niet volledig, zullen afnemen als de nieuwbouw door [gedaagden] op [adres 2] wordt gerealiseerd. Aangezien [eisers] bij de aanleg van het dakterras al wisten dat dit plan door de gemeente was goedgekeurd en omdat er anders geen financieel rendabel gebouw op [adres 2] kan worden geplaatst, levert dat naar het oordeel van de rechtbank geen onrechtmatige hinder tegenover [eisers] op. Daarmee resteert voor [eisers] nog de afname van de daglichttoetreding in de keuken. Hoewel dat een forse afname is, is dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, tot het oordeel te komen dat er sprake is van onrechtmatige hinder.
waardevermindering van het pand
5.30.
[eisers] heeft ten aanzien van het gehele pand nog betoogd dat het realiseren van de bouwplannen tot waardevermindering zal leiden. [gedaagden] heeft betwist dat er sprake is van waardevermindering van [adres 1] en erop gewezen dat het vervangen van de huidige vervallen bebouwing van [adres 2] door nieuwbouw juist voor een impuls en waardeverhoging zal zorgen.
5.31.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] niet deugdelijk onderbouwd dat [adres 1] door de nieuwbouwplannen in waarde zal verminderen. Daar heeft [eisers] namelijk geen (financiële) stukken van overgelegd, maar slechts gesteld dat waardevermindering vanwege de hiervoor genoemde omstandigheden evident is. Aangezien de rechtbank hiervoor van veel van die omstandigheden heeft geoordeeld dat niet voldoende is onderbouwd dat die op [adres 1] van invloed zijn, is nadere onderbouwing van het standpunt dat er waardevermindering optreed wel noodzakelijk. Bij gebreke daarvan kan ook dit standpunt van [eisers] niet tot de conclusie leiden dat er sprake zal zijn van onrechtmatige hinder.
hinder door plaatsing bouwwerk tegen de erfgrens
5.32.
[eisers] stelt zich verder op het standpunt dat hij al meer dan 20 jaar geleden ramen heeft aangebracht binnen twee meter van de erfgrens met [adres 2], zodat [gedaagden] als gevolg van verjaring geen wegneming van die ramen meer kan vorderen. [gedaagden] betwist niet (meer) dat de ramen in het pand op [adres 1] binnen twee meter van de erfgrens met [adres 2] al langer dan 20 jaar aanwezig zijn. Tussen partijen staat dus vast dat de vordering tot verwijdering van die ramen is verjaard op grond van artikel 5:50 lid 1 BW Pro. [eisers] stelt dat [gedaagden] daarom op grond van artikel 5:50 lid 4 BW Pro verplicht is om binnen een afstand van twee meter daarvan geen gebouwen of werken aan te brengen die [eisers] onredelijk zouden hinderen, en dat het [gedaagden] daarom wordt verboden de vergunde bouwplannen te realiseren.
5.33.
De rechtbank overweegt dat zij hiervoor al tot het oordeel is gekomen dat geen sprake is van onredelijke hinder als het vergunde bouwwerk wordt gerealiseerd. Meer specifiek heeft zij met betrekking tot de ramen die binnen twee meter van de erfgrens met [adres 2] zijn geplaatst geoordeeld dat de afname van de daglichttoetredingsfactor van 0,27 naar 0 in absolute zin beperkt is. Bovendien geldt daarbij dat het belang van [gedaagden] om überhaupt een bouwwerk op [adres 2] te kunnen realiseren, zwaarder weegt dan dit nadeel. Ook dit standpunt van [eisers] volgt de rechtbank daarom niet.
conclusie
5.34.
Al het voorgaande leidt tot de volgende conclusie. Afgezet tegen de huidige situatie, zal [eisers] (enige) hinder ondervinden van de realisatie van de vergunde bouwplannen. De aard en de ernst van die hinder is echter naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat hierdoor sprake zal zijn van onrechtmatige hinder, mede gelet op de plaatselijke omstandigheden, de gerechtvaardigde belangen van [gedaagden] en de door hun genomen en nog te nemen maatregelen om schade bij [eisers] zoveel als mogelijk te voorkomen. Om diezelfde redenen zal het bouwen van het bouwwerk binnen twee meter van de ramen van het pand op [adres 1] [eisers] niet onredelijk hinderen als bedoeld in artikel 5:50 lid 2 BW Pro. De gevraagde verklaring voor recht en verbodsvorderingen worden daarom afgewezen.
proceskosten
5.35.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht € 1.414,-
- salaris advocaat € 1.306,- (2 punten × € 653,-)
- nakosten
€ 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 2.909,-
5.36.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af;
6.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.909,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.3.
veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling met wettelijke rente daarover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.J. Doornink en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.