Uitspraak
Rechtbank den haag
1.[eisers sub 1] te [woonplaats]
[eisers sub 2]te [woonplaats] ,
1.De procedure
2.De feiten
“een gedeelte van het perceel grond, gelegen te Leidschendam aan de achter- en nevenzijde van de[adres], kadastraal bekend [kadastraal kenmerk] , ter grootte als na kadastrale uitmeting zal blijken, zoals dit perceel met de letter C schetsmatig is aangegeven op de aan deze overeenkomst als BIJLAGE 1 gehechte tekening.”
De feitelijke levering (aflevering) van het verkochte aan koper zal geschieden in de staat als hierna omschreven:
het [bouwproject] gerealiseerd is waaronder mede begrepen het aanleggen van de het project omringende sloten (en dat het hart van de sloot de erfgrens zal zijn);
de sloot aan de zijde van koper een houten beschoeiing zal hebben;
het zich thans ter plaatse bevindende hek over de gehele lengte van het perceel van koper tweehonderdvijftig (250) centimeter is verplaatst;
3.Het geschil
4.De beoordeling van het geschil
kadastraleerfgrens, omdat de tekening een kadastrale tekening is en intekening langs de erfgrens loopt. Veurse Horsten stelt dat deze intekening prevaleert boven het bepaalde in artikel 4 van Pro de koopovereenkomst, waarin staat dat verkoper er zorg voor zal dragen dat op de leveringsdatum “
het thans ter plaatse bevindende hek over de gehele lengte van het perceel van koper tweehonderdvijftig (250) centimeter is verplaatst”. De voorzieningenrechter volgt Veurse Horsten hierin niet. Hoewel het juist is dat de ingetekende donkerrode strook op de tekening aanvangt vanaf de kadastrale grens van het perceel van [eisers] , bevat de koopovereenkomst een dusdanig concrete omschrijving van de wijze waarop de levering van het verkochte feitelijk dient te geschieden, dat deze bewoordingen juist voorrang hebben op de kaart waarop alleen schetsmatig een strook is ingekleurd. Met artikel 4 van Pro de koopovereenkomst hebben partijen uitdrukkelijk aangeknoopt bij de feitelijke situatie ter plaatse: voor de feitelijke levering is onder meer nodig dat het hek dat zich over de gehele lengte van het perceel bevindt, door Veurse Horsten 250 centimeter wordt verplaatst. Partijen hebben over deze bepaling onderhandeld. Er is des temeer aanleiding om het hekwerk als vertrekpunt van de inmeting te nemen omdat [eisers] in de onderhandelingen wel hebben aangedrongen op een kadastrale inmeting, maar Veurse Horsten om haar moverende redenen daar niet mee heeft ingestemd.