ECLI:NL:RBDHA:2026:19474

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
NL25.50273
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:47 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onvoldoende motivering leeftijdsregistratie in asielprocedure

Eiser, een Gambiaanse asielzoeker, diende een asielaanvraag in met de stelling minderjarig te zijn, maar verweerder ging uit van meerderjarigheid op basis van verschillende geboortedata geregistreerd in Europese landen. Verweerder achtte de in Zwitserland geregistreerde geboortedatum leidend, maar motiveerde onvoldoende waarom deze zwaarder woog dan andere registraties.

De rechtbank oordeelde dat verweerder het motiveringsvereiste van artikel 3:46 Awb Pro heeft geschonden door niet adequaat te onderbouwen waarom de Zwitserse registratie prevaleert. Daarnaast werd beoordeeld of verweerder voldoende rekening had gehouden met eisers medische en psychische situatie, maar de rechtbank vond geen aanleiding voor nader medisch onderzoek.

Hoewel het beroep gegrond werd verklaard, bleven de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand omdat een andere leeftijdsregistratie geen gunstiger uitkomst voor eiser zou opleveren. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens onvoldoende motivering van de leeftijdsregistratie, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.50273

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Raak).

Procesverloop

Met het besluit van [geboortedag 2] 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag 1] 2007 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 24 juni 2024 een asielaanvraag ingediend.
2. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat zijn ouders zijn overleden toen hij elf jaar oud was. Na het overlijden van zijn ouders is hij samen met zijn zus bij hun oom gaan wonen. Hun oom zorgde niet goed voor hen. Zo kreeg eiser ‘s avonds geen eten en moest hij voor zijn oom werken in diens autogarage, terwijl hij dit niet wilde. Ook werd eiser door zijn oom mishandeld, onder meer door met kabels te worden geslagen en maakte zijn oom kwetsende opmerkingen. Daarnaast kon eiser in Gambia niet naar school en was er sprake van armoede. Bij terugkeer naar Gambia vreest eiser door zijn oom te worden gedood.
3. Verweerder heeft overwogen dat bij de beoordeling van eisers asielaanvraag wordt uitgegaan van meerderjarigheid, omdat in verschillende Europese landen verschillende geboortedata van eiser zijn geregistreerd. Zo is in Italië een geboortedatum van [geboortedag 1] 2006 geregistreerd, in Zwitserland een geboortedatum van [geboortedag 2] 2005 en heeft eiser in Nederland verklaard te zijn geboren op [geboortedag 1] 2007. Eiser heeft geen afdoende verklaring gegeven voor de verschillende registraties. Ook heeft eiser de in Nederland opgegeven geboortedatum niet met documenten onderbouwd. De overgelegde kopie van een handgeschreven geboorteakte acht verweerder onvoldoende, omdat het een slecht leesbare kopie betreft waaraan geen bewijswaarde kan worden toegekend. De leeftijdsschouwen geven evenmin aanleiding om uit te gaan van minderjarigheid. Verweerder heeft daarom aangesloten bij de in Zwitserland geregistreerde geboortedatum van [geboortedag 2] 2005, omdat dit volgens hem een specifieke en concrete door eiser opgegeven geboortedatum betreft. Verder heeft verweerder eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Eisers problemen met zijn oom en de mishandelingen door zijn oom heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Dit leidt er volgens verweerder toe dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan de in Zwitserland geregistreerde geboortedatum meer gewicht wordt toegekend dan aan de door hem in Nederland opgegeven geboortedatum. Niet valt in te zien waarom de door hem in Nederland opgegeven geboortedatum niet eveneens als een specifieke en concrete door hem opgegeven geboortedatum wordt aangemerkt. Daarnaast heeft hij met de overgelegde schermafbeelding van zijn geboorteakte in ieder geval een begin van bewijs geleverd. Verweerder heeft het vermoeden van minderjarigheid daarom onvoldoende ontzenuwd en ten onrechte geen nader leeftijdsonderzoek verricht. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met eisers referentiekader en medische situatie. Eiser wijst erop dat hij op elfjarige leeftijd wees is geworden en daarna door zijn oom stelselmatig is mishandeld. Het dossier biedt voldoende aanknopingspunten voor mogelijke psychische problematiek. Gelet hierop had verweerder in het kader van de samenwerkingsplicht nader onderzoek moeten verrichten naar eisers medische situatie en de invloed daarvan op zijn vermogen om consistent te verklaren. Ter zitting heeft eiser in dit verband een beroep gedaan op het arrest van het Hof [1] van 3 april 2025 in de zaak Barouk. [2]
De rechtbank oordeelt als volgt.
De toets door de rechtbank
5. In het arrest van 4 juni 2026 in de zaak Ebilum heeft het Hof overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europese recht. [3] In lijn met dit arrest toetst de rechtbank het besluit daarom nu zonder terughoudendheid.
De leeftijdsregistraties in Italië en Zwitserland
6. Uit jurisprudentie van de Afdeling [4] volgt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet onverkort van toepassing is bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. Verweerder mag niet zonder meer uitgaan van de juistheid van de geregistreerde leeftijd in een andere lidstaat, maar moet met inachtneming van nationaal bewijsrecht onderzoeken en deugdelijk motiveren welk gewicht aan een bepaalde registratie toekomt en waarom. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder zich moeten laten informeren over de omstandigheden waaronder deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor de afwijkende verklaring, omdat deze in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van andere verklaringen. [5]
7. Verweerder heeft onderzoek gedaan naar de leeftijd van eiser door navraag te doen bij de Italiaanse en Zwitserse autoriteiten. Uit de reactie van Italië blijkt dat eiser daar is geregistreerd met geboortedatum [geboortedag 1] 2006. Uit de reactie van Zwitserland blijkt dat eiser daar is geregistreerd met geboortedatum [geboortedag 2] 2005. Uit het dossier volgt dat aan beide registraties alleen een eigen verklaring van eiser ten grondslag ligt. Verweerder heeft aangesloten bij de Zwitserse registratie, omdat dit een specifieke en concrete door eiser opgegeven geboortedatum betreft. Dit geldt echter ook voor de Italiaanse en Nederlandse registratie. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de Zwitserse registratie in dit geval zwaarder weegt dan de Italiaanse of Nederlandse registratie. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd ook geen nadere toelichting kunnen geven op dit punt. Verweerder heeft daarbij gewezen op het ontbreken van een plausibele verklaring van eiser voor de Zwitserse registratie, het ontbreken van documenten en de verschillende geboortedata die eiser heeft gebruikt. Deze omstandigheden verklaren echter niet waarom de Zwitserse registratie zwaarder weegt dan de andere registraties, omdat deze omstandigheden evenzeer daarop betrekking hebben. De omstandigheid dat eiser op de hoogte was van de in Zwitserland geregistreerde geboortedatum en zich niet heeft ingespannen om deze te laten corrigeren, maakt dit niet anders. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom wordt uitgegaan van de in Zwitserland geregistreerde geboortedatum van [geboortedag 2] 2005. Het beroep slaagt op dit punt.
Eisers referentiekader en zijn medische situatie
8. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat verweerder eisers problemen met zijn oom en de mishandelingen door zijn oom niet geloofwaardig heeft geacht. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat zijn beroepsgrond zich richt op de vraag of verweerder bij die beoordeling voldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader en medische situatie.
9. Uit werkinstructie 2024/9 volgt dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid rekening moet houden met de individuele situatie en omstandigheden van de vreemdeling. Daarbij moet worden onderkend dat een vreemdeling met medische of psychische problemen mogelijk niet in staat is om coherent en consistent te verklaren. Afhankelijk van de toestand van de vreemdeling kan het aan verweerder zijn om nader onderzoek te doen naar de medische of psychische situatie.
10. Eiser heeft in dit verband gewezen op zijn persoonlijke omstandigheden. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij niet met zekerheid kan stellen dat psychische problematiek de oorzaak is van de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen, maar dat dit nader had moeten worden onderzocht. Deze omstandigheden bieden op zichzelf echter onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van psychische problematiek die van invloed kan zijn geweest op eisers vermogen om consistent te verklaren. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd waaruit dit volgt. Ook uit het medisch advies en de wijze waarop de gehoren zijn verlopen, zijn geen concrete aanwijzingen naar voren gekomen dat psychische klachten van invloed waren op eisers verklaringen. Ook had verweerder daarin geen aanleiding hoeven te zien om verder (medisch) advies in te winnen. Het ligt op de weg van eiser om de gestelde psychische problematiek zoveel mogelijk met medische stukken te onderbouwen. De omstandigheid dat eiser stelt dat de wachtlijsten bij de GGD lang zijn, maakt dit niet anders. Voorts volgt uit het arrest Barouk slechts dat de rechtbank de bevoegdheid moet hebben om een medisch onderzoek te gelasten. Die bevoegdheid heeft de rechtbank ook, [6] maar zij ziet – op basis van hetgeen hiervoor is overwogen – geen aanleiding om van die bevoegdheid gebruik te maken.
11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestond voor nader medisch onderzoek. Verweerder heeft daarbij voldoende rekening gehouden met de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit op het onderdeel van de leeftijdsvaststelling in strijd is met het motiveringsvereiste. [7] De rechtbank ziet aanleiding om te beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Eiser heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat zijn belang bij een juiste leeftijdsregistratie niet is gelegen in een betere rechtspositie, maar in de zorgvuldigheid van de beoordeling en registratie van zijn leeftijd. Hoewel verweerder de keuze voor de in Zwitserland geregistreerde geboortedatum nader had moeten onderbouwen, zal een andere uitkomst van de leeftijdsbeoordeling niet tot een voor eiser gunstiger rechtspositie leiden of gunstige gevolgen hebben voor de uitkomst van zijn asielaanvraag. De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit geheel in stand laten. [8]
13. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond op het onderdeel van de leeftijdsvaststelling;
  • vernietigt het bestreden besluit van [geboortedag 2] 2025 in zoverre;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit geheel in stand blijven;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868 (eenduizendachthonderdachtenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 13 juli 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hof van Justitie van de Europese Unie.
2.ECLI:EU:C:2025:236.
3.ECLI:EU:C:2026:448.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Artikel 8:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7.Artikel 3:46 van Pro de Awb.
8.Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.