ECLI:NL:RBDHA:2026:19501

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
09.222806.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 282 SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling en bedreiging

De rechtbank Den Haag heeft op 15 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling en bedreiging van een slachtoffer op 22 juli 2025 in ’s-Gravenhage.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen het slachtoffer heeft vastgebonden, mishandeld met een vuurwapen en een schep, en bedreigd met woorden en wapens. Bewijs bestond uit getuigenverklaringen, DNA-sporen op kleding en voorwerpen, camerabeelden en herkenning door getuigen.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest. Daarnaast werd een schadevergoeding van €16.270,70 toegewezen aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering voor overige schade werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of niet ten laste gelegde feiten.

De rechtbank legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde dat gijzeling kan worden toegepast bij niet-betaling. De verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld samen met mededaders. De uitspraak weerspiegelt de ernst van de feiten en de impact op het slachtoffer en de omgeving.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf en hoofdelijk aansprakelijk voor €16.270,70 schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/222806-25
Datum uitspraak: 15 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 1 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Kooijmans en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. O. Saki naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 22 juli 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door:
- een vuurwapen op die [slachtoffer] te richten, tegen de slaap van die [slachtoffer] aan te houden en/of de loop van een vuurwapen in/tegen de mond van die [slachtoffer] te houden,
- een doek of soortgelijkend voorwerp in de mond van die [slachtoffer] te stoppen en daarbij toe te voegen: ‘doe dit in zijn mond en laat hem stil zijn’ en/of
- de enkels en/of handen van die [slachtoffer] (meermaals) (aan elkaar) vast te binden (met elektriciteitssnoeren en/of tape), waardoor die [slachtoffer] niet in staat was en/of werd belet/belemmerd zich vrij te bewegen;
2
hij op of omstreeks 22 juli 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door:
- die [slachtoffer] (meermaals) te duwen en/of (op zijn hoofd) te slaan en/of
- die [slachtoffer] (op zijn hoofd) te slaan met een vuurwapen en/of schep;
3
hij op of omstreeks 22 juli 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:
- een of meerdere vuurwapens aan die [slachtoffer] te tonen,
- een vuurwapen op die [slachtoffer] te richten, tegen de slaap van die [slachtoffer] aan te houden en/of de loop van het vuurwapen in/tegen de mond van die [slachtoffer] te houden,
- een doek of soortgelijkend voorwerp in de mond van die [slachtoffer] te stoppen en daarbij toe te voegen: ‘doe dit in zijn mond en laat hem stil zijn’,
- die [slachtoffer] met een vuurwapen en/of schep te slaan,
- die [slachtoffer] (meermaals) te duwen en/of slaan,
- de enkels en/of handen van die [slachtoffer] (meermaals) (aan elkaar) vast te binden (met elektriciteitssnoeren en/of tape) en/of
- die [slachtoffer] dreigend de woorden toe voegen: ‘blijf rustig, ik maak geen grap. Ik schiet gewoon die kogel. Ik zweer het op mijn moeder’, ‘gewoon stil, geef je telefoon’, ‘waar is het geld?’, ‘je hebt geluk, normaal werken we anders, we werken nog netjes met jou’, ‘gewoon stil, je leert het niet. Gewoon mond houden’, en/of ‘stil, als we geen geld vinden, gaan we je dood maken’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in
bijlage Iopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Betrokkenheid verdachte
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict niet vastgesteld kan worden. De rechtbank ziet zich daarom in de eerste plaats voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte aanwezig is geweest bij de tenlastegelegde feiten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Getuige [getuige] (hierna: de getuige) heeft verklaard dat hij de verdachten na het incident heeft zien wegrijden in een Renault Clio met kenteken [kenteken] . De verdachte is op 24 juli 2025, twee dagen na het incident, aangehouden terwijl hij in deze Renault Clio reed. Bij de aanhouding van de verdachte is in de Renault Clio een zwarte Nike jas aangetroffen. Deze jas is herkend als de jas die één van de verdachten op de pleegplaats droeg. Op deze jas zijn onder meer bloed- en DNA-sporen aangetroffen. Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut is gebleken dat aangetroffen bloed op de rechterzijde van de jas afkomstig is van de aangever. Aan de binnenzijde van de kraag is een relatief grote hoeveelheid DNA van de verdachte aangetroffen. Daarnaast bevinden zich in het dossier camerabeelden van de nabijheid van de pleegplaats waarop twee verdachten zichtbaar zijn. De verdachte is door een verbalisant herkend als één van deze personen aan zijn huidskleur, de vorm van zijn gezicht, zijn neus en zijn baard. Tevens draagt hij op de beelden een Nike jas, gelijk aan de jas die bij hem in de auto is aangetroffen. Ook de aangever heeft de verdachte aan de hand van foto’s uit het dossier herkend als één van de personen die bij het incident betrokken was.
Ter terechtzitting is de verdachte nogmaals als een van de daders herkend, dit keer door de getuige. De verdachte is door hem aangewezen als degene die een bivakmuts droeg. Dit vindt steun in het feit dat in de Nike jas een bivakmuts is aangetroffen.
De verdediging heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de verdachte de Renault Clio alleen op 20 en 24 juli 2025 tot zijn beschikking had. De verdachte heeft verklaard dat hij de Renault Clio met de sleutel erin heeft teruggezet op de parkeerplaats van de eigenaresse en dat hij zich niet kan herinneren waar hij de auto op 24 juli 2025 weer heeft opgehaald. De eigenaresse heeft daarentegen verklaard dat de verdachte in de periode van 20 tot en met 24 juli 2025 de Renault Clio tot zijn beschikking had. De rechtbank overweegt dat verdachte zijn verklaring pas eerst ter terechtzitting naar voren heeft gebracht en vervolgens op nadere vragen geen antwoord heeft willen of kunnen geven. Tegelijkertijd stelt de verdachte ook niet meer zeker te weten wat hij op 22 juli 2025 heeft gedaan, wat verder afdoet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. De verdachte heeft geen enkele concrete aanwijzing gegeven op basis waarvan zijn verklaring te verifiëren zou kunnen zijn. De rechtbank schuift de verklaring dan ook als onaannemelijk ter zijde.
Op grond van het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 22 juli 2025 aanwezig was in de woning waar de tenlastegelegde feiten hebben plaatsgevonden.
Betrouwbaarheid verklaringen
Aangezien de raadsvrouw de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever en de getuige heeft betwist, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of deze verklaringen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en aldus tot het bewijs kunnen worden gebezigd.
De rechtbank twijfelt – anders dan de verdediging – niet aan de juistheid van de verklaringen van de aangever en de getuige daar waar deze zien op het tenlastegelegde. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aangever en de getuige in de kern consistent over het tenlastegelegde hebben verklaard en die verklaringen elkaar op wezenlijke onderdelen ondersteunen. Ook vinden de verklaringen op belangrijke punten steun in overige bewijsmiddelen. De aangetroffen bloedsporen en elektriciteitssnoeren zijn in lijn met de verklaringen van de aangever en de getuige. Ook het opgelopen letsel van de aangever past bij de verklaringen over het incident. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen voldoende betrouwbaar en consistent zijn en voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Dat de aangever en de getuige wisselend hebben verklaard over de aard van de ontmoeting in de woning en aanvankelijk geen openheid van zaken hebben gegeven over het feit dat zij elkaar kenden, doet niet aan die betrouwbaarheid af. De onjuistheden zien op onderdelen die geen betrekking hebben op de kern van de ten laste gelegde feiten.
Feit 1: Wederrechtelijke vrijheidsberoving
Voor strafbaarheid van wederrechtelijke vrijheidsberoving moet een individu van zijn fysieke vrijheid worden beroofd en/of beroofd worden gehouden. De beroving van de vrijheid ziet op de situatie waarbij de betrokkene niet vrijwillig kan vertrekken van de plaats waar hij was en/of de plaats waar hij heen wil, omdat hij is opgesloten of niet weg kan, zonder aan geweld bloot te staan. Het voortdurend in de nabijheid van de betrokkene verblijven zodat hem wordt belemmerd te vertrekken, kan ook vrijheidsberoving opleveren.
Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. Uit de aangifte volgt dat de aangever in de woning aan de Lichtenbergweg door drie mannen tegen zijn wil is vastgehouden. Daarbij is een vuurwapen op hem gericht, tegen zijn slaap gehouden en is de loop van dat vuurwapen in zijn mond geduwd. Voorts werden zijn handen en voeten met elektriciteitssnoeren vastgebonden. De verklaring van de aangever wordt op essentiële onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de verklaring van de getuige en hetgeen is aangetroffen in de woning. De getuige heeft immers verklaard dat hij heeft gezien dat de aangever werd geslagen en dat hij was gekneveld. Daarnaast heeft de politie in de woning bloedsporen aangetroffen en is het DNA van de aangever aangetroffen op een elektriciteitssnoer en op een schep. Op die schep is ook het DNA van de medeverdachte aangetroffen.
Dat de aangever zich op enig moment uit de snoeren wist te bevrijden, doet niets af aan de vrijheidsberoving. Hij werd opnieuw vastgebonden. Hieruit leidt de rechtbank af dat de aangever niet de mogelijkheid had zich op een door hem gewenst moment aan de situatie te onttrekken. Daarnaast is gebleken dat de verdachten beschikten over de telefoon van de aangever – waarmee contact werd onderhouden met de getuige – en de autosleutels van de aangever.
Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, hebben de verdachten naar het oordeel van de rechtbank een dermate bedreigende en intimiderende situatie gecreëerd voor de aangever waarbij hij onder meer is vastgebonden, dat de aangever niet de vrijheid had om zich aan de situatie te onttrekken. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachten de aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid hebben beroofd en dat de verdachten daar ook het opzet op hadden.
Feit 2: Mishandeling
Ten aanzien van de mishandeling overweegt de rechtbank dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting volgt dat de aangever met een vuurwapen en een schep meerdere malen is geslagen. Uit de verklaring van de medeverdachte blijkt dat hij de aangever met de schep heeft geslagen, hetgeen wordt ondersteund door het aangetroffen DNA. Daarnaast heeft de getuige verklaard dat hij zag dat de aangever met een vuurwapen op zijn hoofd werd geslagen door de verdachte. De verklaring van de aangever dat hij hierdoor pijn heeft ondervonden, vindt ook steun in het ontstane letsel. De rechtbank acht de mishandeling daarmee bewezen.
Feit 3: Bedreiging
Zoals overwogen acht de rechtbank de verklaringen van de aangever en de getuige geloofwaardig en bezigt zij deze tot het bewijs. Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat tijdens de wederrechtelijke vrijheidsberoving sprake is geweest van bedreiging van de aangever. Dat de aangever door de verdachten met de dood is bedreigd, volgt onder meer uit de aangifte. Hieruit volgt dat de verdachten bedreigende uitlatingen tegen de aangever hebben gedaan, waaronder: ‘blijf rustig, ik maak geen grap. Ik schiet gewoon die kogel’ en ‘Stil, als we geen geld vinden, gaan we je dood maken’. Zoals benoemd waren de verdachten in het bezit van vuurwapens. De aangifte wordt ondersteund door de verklaring van de getuige, die heeft verklaard dat hij zag dat er een pistool op het hoofd van de aangever werd gehouden, waarbij hij ook heeft verklaard over de dreigende situatie die zich voordeed in het huis. Uit artikel 342 Sv Pro volgt dat de tenlastelegging in haar geheel – en niet een onderdeel daarvan – moet worden ondersteund door een tweede bewijsmiddel. De rechtbank is van oordeel dat het gebezigde bewijs voldoende is voor een bewezenverklaring zoals onder 3.5. omschreven. De rechtbank is verder van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde uitlatingen in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling opleveren. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 22 juli 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd, door:
- een vuurwapen op die [slachtoffer] te richten, tegen de slaap van die [slachtoffer] aan te houden en de loop van een vuurwapen in/tegen de mond van die [slachtoffer] te houden,
en- de enkels en handen van die [slachtoffer] meermaals (aan elkaar) vast te binden met elektriciteitssnoeren, waardoor die [slachtoffer] niet in staat was en werd belet/belemmerd zich vrij te bewegen;
2
hij op 22 juli 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft mishandeld door:
- die [slachtoffer] meermaals te duwen en (op zijn hoofd) te slaan en
- die [slachtoffer] (op zijn hoofd) te slaan met een vuurwapen en schep;
3
hij op 22 juli 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:
- een of meerdere vuurwapens aan die [slachtoffer] te tonen,
- een vuurwapen op die [slachtoffer] te richten, tegen de slaap van die [slachtoffer] aan te houden en de loop van het vuurwapen in/tegen de mond van die [slachtoffer] te houden,
- die [slachtoffer] met een vuurwapen en schep te slaan,
- die [slachtoffer] (meermaals) te duwen en slaan,
- de enkels en handen van die [slachtoffer] meermaals (aan elkaar) vast te binden met elektriciteitssnoeren en
- die [slachtoffer] dreigend de woorden toe voegen: ‘blijf rustig, ik maak geen grap. Ik schiet gewoon die kogel. Ik zweer het op mijn moeder’, ‘gewoon stil, geef je telefoon’, ‘waar is het geld?’, ‘je hebt geluk, normaal werken we anders, we werken nog netjes met jou’, ‘gewoon stil, je leert het niet. Gewoon mond houden’, en ‘stil, als we geen geld vinden, gaan we je dood maken’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft de rechtbank verzocht bij een eventuele veroordeling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
Het slachtoffer is op 22 juli 2025 voor de duur van een half uur wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd. Hij heeft daarbij angstaanjagende momenten beleefd. Hij is bedreigd met een vuurwapen, zijn handen en voeten zijn vastgebonden en hij is mishandeld. De verdachten hebben ook gedreigd om hem te doden. Hierdoor is er een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het veiligheidsgevoel van het slachtoffer. Uit de verklaringen en de medische stukken van het slachtoffer blijkt dat hij tot op de dag van vandaag psychische gevolgen ondervindt van wat hem is overkomen. Ook heeft hij fysieke gevolgen ondervonden van het incident. Daarnaast rekent de rechtbank de verdachte aan dat het incident heeft plaatsgevonden in een wooncomplex. Omwonenden zijn hierdoor geconfronteerd met een zeer ingrijpende situatie, waarbij het bebloede slachtoffer buiten de woning is gezien. Dit veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid voor de omgeving.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt dit noch in het voordeel, noch in het nadeel van de verdachte mee.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf aansluiting gezocht bij wat in vergelijkbare zaken wordt opgelegd. Daaruit volgt dat een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden als uitgangspunt moet worden genomen. De rechtbank weegt in onderhavige zaak in strafverlagende zin mee dat het hier niet gaat om een situatie waar een slachtoffer door onbekenden wordt overvallen in zijn of haar eigen woning. In dit geval weegt de rechtbank ook mee dat het om eendaadse samenloop gaat.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
Strafoplegging
De rechtbank zal alles overwegende aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 67.809,51, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 32.809,51 aan materiële schade en € 35.000,- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering benadeelde partij, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij te laat is ingediend en om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien de vordering wel kan worden ontvangen, dient deze te worden afgewezen of om andere redenen niet-ontvankelijk te worden verklaard.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Ontvankelijkheid van de benadeelde partij in zijn vordering
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte de tenlastegelegde feiten tezamen en in vereniging met zijn mededader(s) heeft gepleegd.
De rechtbank overweegt dat de vordering namens de benadeelde partij weliswaar pas op 30 juni 2026, de dag voorafgaand aan de zitting, is ingediend, maar dat de wet op grond van artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering voeging toestaat tot aan het begin van het requisitoir van de officier van justitie. Voor zover hier verder besproken, betreft dit een overzichtelijke vordering die naar haar aard niet complex is. Nu de verdediging hierdoor niet in haar belangen is geschaad en ook overigens niet van beletselen is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij over het algemeen in beginsel ontvankelijk is in zijn vordering.
Materieel
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de weggenomen bril, schoudertas en € 200,- contant geld, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien aan de benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezenverklaarde feiten, nu diefstal niet ten laste is gelegd.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de gederfde inkomsten, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de beschadigde kleding en schoenen van het slachtoffer en de kosten voor het opvragen van de medische informatie, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten, ter grootte van € 120,- (kleding), € 100,- (schoenen) en € 50,70 (kosten opvragen medische informatie).
Immaterieel
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 16.000,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 16.270,70, bestaande uit € 270,70 aan materiële schade en € 16.000,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 22 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bewezen verklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van in totaal € 16.270,70, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 36 f, 47, 55, 282, 285, 300 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feiten 1,2 en 3:
De eendaadse samenloop van:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;
en
medeplegen van mishandeling;
en
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
42 (tweeënveertig) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
De vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 16.270,70 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
De schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 16.270,70 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 juli 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 106 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter,
mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,
mr. A. Vink, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. A.V. Sagarajah en L.E. Kramer, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2026.