ECLI:NL:RBDHA:2026:19515

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
C/09/695095
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.P.C. van Essen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over nakoming koopovereenkomst woning en contractuele boete

Partij A, een vastgoedonderneming, sloot in augustus 2024 een koopovereenkomst met mevrouw zus, eigenaresse van een woning, die levering zou plaatsvinden op 1 oktober 2024. Na eerdere verkoop aan een derde die niet doorging wegens financieringsproblemen, ontstond discussie over een aanbetaling en nakoming. De notaris weigerde medewerking vanwege twijfels over de totstandkoming van de koopovereenkomst.

Partij A stelde mevrouw zus in gebreke wegens niet-levering, maar de ingebrekestelling was juridisch onvoldoende concreet. Mevrouw zus reageerde binnen de termijn en stelde dat de notaris op eigen initiatief handelde. Later stelde mevrouw zus partij A in gebreke wegens niet-nakoming en ontbond de koopovereenkomst, waarbij zij aanspraak maakte op een contractuele boete.

Na het overlijden van mevrouw zus trad partij B als erfgenaam in haar rechten. Partij A vorderde nakoming en betaling van de boete van partij B, die zich verweerde en zelf een boete vorderde wegens niet-nakoming door partij A. De rechtbank oordeelde dat partij A tekortgeschoten is in de nakoming, dat de koopovereenkomst terecht is ontbonden en veroordeelde partij A tot betaling van de boete aan partij B. De vorderingen van partij A werden afgewezen en het conservatoir beslag opgeheven.

Uitkomst: Partij A wordt veroordeeld tot betaling van een contractuele boete wegens niet-nakoming van de koopovereenkomst en haar vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/695095 / HA ZA 25-1051
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[partij A] B.V.te [plaats] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. J.P. Sanchez Montoto,
tegen
[partij B]te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. C.M. van Beuningen.

1.De procedure

1.1.
[partij A] is een procedure gestart tegen [partij B] . De dagvaarding (met daarbij productie 1 tot en met 11) is op 6 oktober 2025 aan [partij B] uitgereikt en op 26 november 2025 bij de rechtbank ingediend. Op 7 januari 2026 heeft [partij B] een conclusie van antwoord (met daarbij productie 1 tot en met 26) ingediend. Dit processtuk bevat ook een eis in reconventie (tegenvordering). In reactie hierop heeft [partij A] op 18 februari 2026 een conclusie van antwoord in reconventie ingediend.
1.2.
Op 14 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Op de mondelinge behandeling heeft [partij B] een akte vermeerdering van eis ingediend en [partij A] twee aanvullende producties, genummerd 12 en 13. Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat er een vonnis komt.

2.De feiten

2.1.
[partij A] drijft een onderneming die zich onder meer richt op de aan- en verkoop van vastgoed. Haar aandeelhouder en bestuurder is de heer [naam 1] .
2.2.
In 2022 is de zus van [partij B] , mevrouw [zus] , door een erfenis eigenaar geworden van het huis aan [adres] .
2.3.
Medio 2024 heeft [zus] het huis verkocht aan de heer [naam 2] . De levering zou plaatsvinden op 5 augustus 2024. Enkele dagen voor deze datum bleek dat [naam 2] nog niet beschikte over de benodigde financiering. De levering is toen niet doorgegaan.
2.4.
Omstreeks diezelfde datum is [zus] benaderd door de heer [naam 3] . Hij had belangstelling om het huis te kopen. Dat heeft ertoe geleid dat op 5 augustus 2024 een koopovereenkomst tot stand is gekomen tussen [partij A] en [zus] op grond waarvan zij het huis voor € 295.000,00 heeft verkocht aan [partij A] . In de koopovereenkomst staat dat de levering zou plaatsvinden op 1 oktober 2024 bij een door [partij A] aan te wijzen notaris.
2.5.
In artikel 11 van Pro de koopovereenkomst staat:
Artikel 11 Ingebrekestelling Pro/Ontbinding
11.1.
Indien één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van één of meer van diens uit deze koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, kan de wederpartij van de nalatige partij deze koopovereenkomst zonder rechterlijke tussenkomst ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring aan de nalatige partij.
11.2.
Ontbinding op grond van tekortkoming is slechts mogelijk na voorafgaande ingebrekestelling. Bij ontbinding van de koopovereenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van tien procent (10%) van de koopsom verbeuren, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding, indien de daadwerkelijke schade hoger is dan de onmiddellijk opeisbare boete, en onverminderd vergoeding van kosten van verhaal.
11.3.
Indien de wederpartij geen gebruik maakt van diens recht de koopovereenkomst te ontbinden en nakoming verlangt, zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij na afloop van de in artikel 14.1 vermelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien verstreken dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zijn van drie promille (3‰) van de koopsom met een maximum van tien procent (10%) van de koopsom, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding, indien de daadwerkelijke schade hoger is dan de onmiddellijk opeisbare boete, en onverminderd vergoeding van kosten van verhaal.
Indien de wederpartij na verloop van tijd de koopovereenkomst alsnog ontbindt dan zal de nalatige partij een boete verschuldigd zijn van tien procent (10%) van de koopsom verminderd met het reeds in de vorm van een dagboete betaalde bedrag verminderd met het reeds in de vorm van een dagboete betaalde bedrag, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding, indien de daadwerkelijke schade hoger is dan de onmiddellijk opeisbare boete, en onverminderd vergoeding van kosten van verhaal.
2.6.
Op 5 augustus 2024 heeft [zus] aan [naam 2] een brief gestuurd waarin zij meldt dat zij de met hem gesloten koopovereenkomst ontbindt. In de brief staat verder dat [zus] een door [naam 2] (aan)betaald bedrag van € 7.065,00 niet zal terugbetalen.
2.7.
Enkele dagen na de ondertekening van de koopovereenkomst tussen [partij A] en [zus] ontstond een discussie tussen [zus] en [naam 3] . [zus] meende dat was afgesproken dat vooruitlopend op de levering een (aan)betaling zou worden gedaan. Zij verweet [naam 3] / [partij A] (i) dat deze afspraak niet in de schriftelijke koopovereenkomst was opgenomen en (ii) dat de afspraak niet (tijdig) werd nagekomen. [zus] drong herhaaldelijk aan op betaling. In een WhatsAppbericht van medio augustus 2024 van [zus] aan [naam 3] staat hierover:
(…)
Wil je morgenochtend nog praten?
Dan kan mogelijk e.e.a. gerectificeerd worden op papier. En als de koop voortgezet kan worden dan moet de toegezegde financiële medewerking nu nageleefd worden. Hierover moest in de overeenkomst opgenomen zijn. Maar ik vertrouwde de mondelinge afspraak. Uiterlijk 9 aug. jl. zou ik het hebben. 9 aug. is niet gehaald.
De koop is alleen rechtsgeldig indien er geen gebreken worden vastgesteld en medegedeeld aan de koper.
(…)
Misschien ontdek ik meer gebreken. Maar goed. Het is nu tijdig en morgenochtend om 9.00 uur kunnen we praten met pen en papier erbij.
(…)
2.8.
In augustus 2024 is er telefonisch contact geweest tussen de door [partij A] aangewezen notaris en [zus] . Naar aanleiding hiervan heeft de notaris op 26 augustus 2024 aan [partij A] een brief gestuurd waarin staat:
Hierbij bericht ik u dat ik op grond van mededelingen van de verkoper gerede twijfel heb aan de wijze van totstandkoming van deze koopovereenkomst. Op grond daarvan zal ik geen medewerking verlenen aan de uitvoering daarvan.
2.9.
Op 30 augustus 2024 heeft [partij A] aan [partij B] een brief gestuurd waarin staat:
De notaris heeft aangegeven in eigen bewoording de akte niet te kunnen passeren vanwege uitlatingen welke u heeft gedaan. Een en ander is schriftelijk door de notaris bevestigd.
Uitgaande van het bericht van de notaris kan geconcludeerd worden dat u niet wilt leveren dan wel mee wilt werken aan de levering. Dit levert een gebrek op aan uw zijde. Conform artikel 11 van Pro de getekende koopovereenkomst stel ik u in gebreke voor het niet meewerken cq leveren van de woning. Acht dagen na heden verbeurt u zonder rechterlijke tussenkomst direct een boete van EUR 29.500 (…).
Hierbij sommeer ik u binnen 8 dagen na heden de gevraagde medewerking te verlenen, bij gebreke waarvan u 10% boete riskeert en aanvullende schade, welke ik u op een later moment zal voorleggen.
2.10.
Op 5 september 2024 heeft advocaat mr. N.D. Wassink namens [zus] op deze brief gereageerd. In de brief van mr. Wassink staat:
Onderdeel van deze overeenkomst was dat er direct na ondertekening van de overeenkomst een bedrag ad €5000 zou worden voldaan aan cliënte.
(…)
Tot op de dag van vandaag is de €5000,- niet voldaan.
Cliënte is van oordeel dat de overeenkomst op grond van misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen en aldus vernietigbaar is.
(…)
Tot verbazing van cliënte ontvangt zij van u een naamloze, niet ondertekende ingebrekestelling. Het is in het geheel niet cliënte die te kort schiet in de nakoming van de overeenkomst. Het is de notaris die geheel eigenmachtig heeft besloten geen medewerking te verlenen aan het transport.
2.11.
Op 4 november 2024 heeft mr. Wassink aan [partij A] een brief gestuurd waarin staat:
Tot op heden is de akte niet gepasseerd (…). U hebt geen notaris voorgedragen die bereid bleek de medewerking te verlenen aan de overdracht van het pand. De overeengekomen koopsom ad €295.500,- is niet voldaan.
(…)
Nu de akte van levering niet is gepasseerd op de overeengekomen datum bent u toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de op u uit hoofde van de overeenkomst rustende verplichtingen.
U wordt uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld de overeenkomst na te komen en wel binnen 8 dagen na heden. Na ommekomst van deze 8 dagen termijn ontbindt cliënte hierbij de gesloten koopovereenkomst en wordt aanspraak gemaakt op de contractuele boete ad 10% van de koopsom (…).
Cliënte acht zich voorts alsdan vrij de woning aan een derde te verkopen.
Gelet op het voorgaande verzoek – en voor zover nodig SOMMEER – ik u de gesloten koopovereenkomst (…) na te komen – de medewerking te verlenen aan het notarieel transport en de overeengekomen koopsom te voldoen – en wel binnen een periode van 8 dagen na vandaag, bij gebreke waarvan ik u reeds nu voor alsdan juridisch in VERZUIM stel.
Na ommekomst van de gestelde termijn ontbindt cliënte hierbij de gesloten koopovereenkomst en maakt zij aanspraak op de contractuele boete ad €29.500,- onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding (…).
2.12.
Op 14 november 2024 heeft mr. Wassink aan [partij A] geschreven dat [zus] de koopovereenkomst ontbindt en aanspraak maakt op de contractuele boete.
2.13.
Op 2 december 2024 is [zus] overleden. Zij heeft [partij B] aangewezen als haar enig erfgenaam. [partij B] heeft de nalatenschap van [zus] aanvaard. Op grond hiervan is het vermogen van [zus] – het huis en haar (eventuele) overige bezittingen en schulden – overgegaan op [partij B] .
2.14.
Op 5 maart 2025 heeft [partij A] een e-mail gestuurd naar het e-mailadres van [zus] en aan mr. Wassink waarin staat:
Uit informatie van de betrokken notaris, mr. G. Bossinade van PlasBossinade Advocaten N.V., blijkt onomstotelijk dat de levering van de woning niet kon plaatsvinden door uw toedoen. Uw handelwijze frustreerde de overdracht en bevestigt uw aansprakelijkheid voor de boete zoals overeengekomen in artikel 10 van Pro de koopovereenkomst.
(…)
U heeft meerdere malen aangegeven dat er een afspraak zou zijn gemaakt met de tussenpersoon inzake een betaling voor uw zaken in Suriname. [partij A] B.V. is bereid een betaling te doen in de vorm van een waarborgsom bij de notaris dan wel direct naar u indien u ten overstaan van de notaris een datum van levering kunt afspreken.
(…)
2.15.
Op 3 november 2025 heeft [partij A] op het huis conservatoir verhaalsbeslag gelegd.
2.16.
Op 5 januari 2026 heeft [naam 2] op het huis conservatoir beslag tot levering gelegd.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[partij A] vordert in conventie, samengevat weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • i) [partij B] veroordeelt tot nakoming van de koopovereenkomst, met bepaling dat als [partij B] hieraan niet voldoet het vonnis in de plaats treedt van de leveringsakte;
  • ii) [partij B] veroordeelt tot betaling van een contractuele boete van € 29.500,00;
  • iii) [partij B] veroordeelt tot betaling van € 1.070,00 voor buitengerechtelijke incassokosten,
een en ander met veroordeling van [partij B] in de proces- en beslagkosten.
3.2.
[partij A] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [partij B] moet de koopovereenkomst nakomen en dus het huis aan [partij A] overdragen. Verder heeft [partij A] aanspraak op de gevorderde boete. Al voor de overeengekomen leveringsdatum van 1 oktober 2024 maakte [zus] zonder gegronde reden aan de notaris duidelijk dat zij niet zou gaan leveren. [partij A] heeft [zus] op 30 augustus 2024 in gebreke gesteld. Omdat zij daaraan niet heeft voldaan, is op grond van artikel 11.3 van de koopovereenkomst de boete verschuldigd geworden.
3.3.
[partij B] verweert zich tegen de vorderingen en vindt dat de vorderingen moeten worden afgewezen.
in reconventie
3.4.
[partij B] vordert in reconventie, samengevat weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • i) het beslag van [partij A] opheft, althans [partij A] daartoe veroordeelt;
  • ii) [partij A] veroordeelt tot betaling van een contractuele boete van € 29.500,00,
een en ander met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.
3.5.
[partij B] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [partij A] heeft niet tijdig, onder betaling van de koopprijs, meegewerkt aan de levering van het huis. [zus] heeft [partij A] op 4 november 2024 in gebreke gesteld. Nadat [partij A] daaraan niet voldeed, heeft [zus] de koopovereenkomst ontbonden en is [partij A] op grond van artikel 11.2 van de koopovereenkomst de boete verschuldigd geworden. Het door [partij A] gelegde beslag is ongegrond. [partij A] heeft niets te vorderen en daarom moet het beslag worden opgeheven.
3.6.
[partij A] voert verweer en vindt dat de vorderingen van [partij B] moeten worden afgewezen.
3.7.
Op de stellingen van partijen in conventie en reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en reconventie

4.1.
De zaken in conventie en reconventie zijn inhoudelijk met elkaar verweven. Op beide fronten gaat het namelijk om de vraag wie van partijen is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. Vanwege deze samenhang zal de rechtbank de over en weer ingestelde vorderingen gezamenlijk bespreken.
4.2.
De uitkomst van de beoordeling is dat de vorderingen van [partij A] worden afgewezen en die van [partij B] toegewezen. Het huis hoeft dus niet aan [partij A] te worden geleverd en [partij B] hoeft geen boete te betalen. Andersom moet [partij A] wel een boete betalen aan [partij B] . De rechtbank zal hierna uitleggen waarom.
4.3.
De rechtbank is het niet met [partij A] eens dat [zus] heeft geweigerd mee te werken aan de overdracht van het huis en dus is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [partij A] . [partij A] verwijst in dat verband naar het hiervoor in 2.8 geciteerde bericht van de notaris, maar uit dat bericht volgt dat naar het oordeel van de rechtbank niet. Wat [zus] de notaris vertelde was voor de notaris kennelijk aanleiding om te twijfelen aan de wijze waarop de koopovereenkomst tot stand was gekomen – en om vervolgens niet mee te werken aan de uitvoering van de koopovereenkomst – maar er staat niet dat [zus] niet wilde leveren.
4.4.
Voorts geldt dat als [zus] in augustus 2024 tegen de notaris zou hebben gezegd dat zij niet wilde leveren – en dus sprake was van een dreigende tekortkoming op 1 oktober 2024 – [partij A] haar op grond van artikel 11 lid 3 van Pro de koopovereenkomst eerst in gebreke moest stellen om aanspraak te kunnen maken op de boete. De brief van [partij A] van 30 augustus 2024 was kennelijk als zodanig bedoeld, maar juridisch was dat niet toereikend.
In de brief staat dat [zus] binnen acht dagen “de gevraagde medewerking [moet] verlenen”, maar wat zij binnen die termijn concreet moest doen, staat er niet. In elk geval was er op 30 augustus 2024 (nog) geen contractuele grondslag om te verlangen dat [zus] al binnen acht dagen (en dus eerder dan 1 oktober 2024) zou leveren. Mogelijk was het de bedoeling van [partij A] dat [zus] – ook richting de notaris – alle twijfel zou wegnemen en ondubbelzinnig kenbaar zou maken dat zij de woning op 1 oktober 2024 zou leveren op grond van de door [partij A] aangedragen koopovereenkomst, maar dat valt uit de brief niet af te leiden.
4.5.
Daarbij is nog van belang dat [zus] wel binnen de gestelde termijn van acht dagen op de brief van [partij A] heeft gereageerd. [zus] heeft toen (bij brief van mr. Wassink van 5 september 2024) benadrukt dat de notaris zich op eigen initiatief heeft teruggetrokken en dat zij wat haar betreft niet tekortschiet in de nakoming van de koopovereenkomst. Deze reactie van [zus] gaf niet onmiskenbaar de indruk dat zij van plan was om op 1 oktober 2024 niet mee te werken aan de levering.
4.6.
[partij A] heeft op de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat de brief van mr. Wassink van 5 september 2024 niet voldoende was om te komen tot levering en dat [zus] expliciet aan de notaris had moeten melden dat zij daadwerkelijk aan de levering op 1 oktober 2024 zou meewerken. De rechtbank kan zich daar wel iets bij voorstellen, maar als [partij A] dat destijds inderdaad had gewild, dan had zij – zoals hiervoor al overwogen – daarover richting [zus] geen onduidelijkheid moeten laten bestaan. Dan had [partij A] in antwoord op de brief van mr. Wassink moeten melden dat zij met de brief van 5 september 2024 geen genoegen nam en duidelijk moeten maken wat [zus] richting de notaris precies moest doen om de levering op 1 oktober 2024 te waarborgen. Dat heeft [partij A] niet gedaan.
4.7.
[partij A] liet het erbij, zelfs toen na 1 oktober 2024 de rollen werden omgedraaid en [zus] (met haar ingebrekestelling van 4 november 2024) bij [partij A] ging aandringen op levering. Voor zover [partij A] aanvankelijk nog twijfels had over de bereidwilligheid van [zus] , maakte [zus] met de brief van 4 november 2024 toch echt duidelijk dat zij het huis wilde leveren, maar [partij A] gaf daaraan geen gevolg.
4.8.
Nadat [partij A] de in die brief van 4 november 2024 gestelde termijn (van acht dagen) onbenut voorbij liet gaan, raakte [partij A] zelf in verzuim. Het gevolg daarvan is dat [zus] – zoals zij in deze procedure aanvoert – een grondslag kreeg om de koopovereenkomst te ontbinden en aanspraak te maken op de contractuele boete van € 29.500,00.
4.9.
Op de mondelinge behandeling heeft [partij A] naar voren gebracht dat zij er niet op vertrouwde dat [zus] oprecht van plan was om zonder mitsen en maren aan de levering mee te werken, en dat het daarom ook geen zin meer had om actie te ondernemen. Door de opstelling van [zus] was het dossier definitief “besmet” en stond vast dat geen enkele notaris nog aan de levering zou willen meewerken, aldus [partij A] .
4.10.
Dit betoog passeert de rechtbank. Dat de levering definitief onmogelijk was, blijkt uit niets. Op grond van de koopovereenkomst was [partij A] zelf verantwoordelijk voor de aanwijzing van de notaris. Zeker na de ingebrekestelling van 4 november 2024 waaruit bleek dat [zus] nakoming van de koopovereenkomst wilde, had [partij A] zich moeten inspannen om de levering mogelijk te maken door daartoe (opnieuw) een notaris te benaderen en te doen wat in haar macht lag om te komen tot een concrete afspraak voor de overdracht bij de notaris. Als dat nog nadere handelingen van [zus] vergde, had [partij A] haar dat moeten laten weten. Van dergelijke inspanningen is niet gebleken. En dat betekent dat, anders dan [partij A] bepleit, de ingebrekestelling van [zus] wel degelijk rechtsgevolg heeft.
4.11.
Al het voorgaande leidt ertoe dat [zus] de koopovereenkomst met recht heeft ontbonden en dat [partij A] op grond van artikel 11 lid 2 van Pro de koopovereenkomst een boete van € 29.500,00 verschuldigd is. De daarover gevorderde wettelijke rente is overeenkomstig artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) eveneens toewijsbaar. Nu, zoals hiervoor overwogen, [partij A] op haar beurt geen grondslag heeft om van [partij B] een boete te vorderen, zal de rechtbank het door [partij A] in verband daarmee gelegde beslag opheffen.
Proceskosten
4.12.
[partij A] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij B] in conventie worden begroot op:
- griffierecht
1.414,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.275,00
4.13.
Bij gebrek aan daartoe strekkende vorderingen blijft de wettelijke rente over de proceskosten buiten beschouwing en wordt de proceskostenveroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.14.
Omdat [partij B] voor haar vorderingen in reconventie ten opzichte van haar verweer in conventie geen noemenswaardige extra kosten heeft gemaakt, begroot de rechtbank haar proceskosten in reconventie op nihil.
Overweging ten overvloede
4.15.
De rechtbank overweegt uit eigen beweging nog het volgende. [partij A] moet nu een boete betalen, maar eigenlijk strookt dat niet met de achterliggende bedoeling van het boetebeding in de koopovereenkomst. De boete is namelijk bedoeld als aansporing tot nakoming en fixatie van schade, en in dit geval speelt geen van beide aspecten een rol.
4.16.
Van schade of nadeel doordat het huis niet aan [partij A] is geleverd, is niet gebleken. Integendeel, [partij B] heeft ter zitting juist uitdrukkelijk gezegd dat zij het huis wil behouden om er samen met familie te gaan wonen. In zoverre komt de niet-nakoming van [partij A] en de daarop volgende ontbinding van de koopovereenkomst juist tegemoet aan haar wens en belang. Bovendien is er nog het leveringsbeslag van [naam 2] . Als de uitkomst daarvan wordt dat [partij B] het huis aan hem moet leveren, is het voor [partij B] (ook dan) bepaald niet ongunstig dat de koopovereenkomst met [partij A] niet is nagekomen. Anders zou [partij B] jegens [naam 2] mogelijk schadeplichtig zijn.
4.17.
Dit zouden redenen hebben kunnen zijn om de boete op grond van artikel 6:94 lid 1 BW Pro te matigen, mogelijk zelfs tot nul. Echter, matiging kan op grond van genoemd artikel alleen worden toegepast op initiatief van de schuldenaar, in dit geval [partij A] . De rechtbank mag dat niet uit eigen beweging doen. Aangezien [partij A] de matiging zelf niet aan de orde heeft gesteld, kan de rechtbank nu niet anders dan de vordering volledig toewijzen, maar in een eventueel hoger beroep kan [partij A] alsnog een beroep doen op matiging. Als het uitsluitend om die reden op een hoger beroep moet aankomen, geeft de rechtbank partijen in overweging een minnelijke regeling te treffen die bij het voorgaande aansluit.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [partij A] af;
5.2.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 3.275,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
in reconventie
5.3.
veroordeelt [partij A] om aan [partij B] te betalen een bedrag van € 29.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 14 april 2026, tot de dag van volledige betaling;
5.4.
heft op het conservatoir beslag van [partij A] van 3 november 2025 op het huis aan het adres Loosduinseweg 649 in Den Haag;
5.5.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten, begroot op nihil;
5.6.
verklaart punt 5.3 en 5.4 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.