Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 21 juli 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland verzocht Polen om de asielaanvraag over te nemen, welke door Polen werd geaccepteerd op basis van de Dublinverordening. Polen verleende eiser een tijdelijke verblijfsvergunning, maar eiser verbleef slechts kort in Polen en diende daarna opnieuw een asielaanvraag in Nederland in.
De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser voerde aan dat Nederland zijn aanvraag moest behandelen vanwege zijn verblijf bij zijn echtgenote in Nederland en de moeilijke situatie in Polen, waaronder discriminatie en werkloosheid. Tevens stelde hij dat zijn en zijn echtgenotes asielaanvragen gelijktijdig behandeld moesten worden.
De rechtbank oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die overdracht aan Polen van onevenredige hardheid maken. De wens van eiser om in Nederland te verblijven en zijn relatie met zijn partner werden niet als zodanig aangemerkt. Ook het feit dat zijn verblijfsvergunningen in Nederland met terugwerkende kracht waren ingetrokken, speelde een rol. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.