ECLI:NL:RBDHA:2026:19586

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.32776
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5, onder a) en b), richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd ingesteld vanwege een risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren.

Eiser betwistte een van de zware gronden en voerde aan dat er geen actuele afweging was gemaakt van het onttrekkingsrisico, mede omdat eerdere vertrekregistraties uit 2021 en 2024 werden meegewogen. Daarnaast stelde eiser dat hij detentieongeschikt is vanwege een suïciderisico en dat een lichter middel had moeten worden toegepast.

De rechtbank oordeelde dat de gronden voor de maatregel voldoende waren onderbouwd en dat de eerdere MOB-registraties relevant blijven. De medische situatie van eiser werd meegewogen, en er was geen bewijs dat de detentieongeschiktheid zodanig was dat een lichter middel noodzakelijk was. De rechtbank concludeerde dat geen andere minder dwingende maatregel doeltreffend was gezien het sterke onttrekkingsrisico.

Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel, inclusief het beginsel van non-refoulement en het belang van het familie- en gezinsleven, leverde geen onrechtmatigheden op. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32776

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer K. Tohouss. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Gronden voor de maatregel
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser heeft zware grond 3d betwist en heeft de andere gronden onbetwist gelaten. Daarnaast meent eiser dat er geen actuele afweging is gemaakt van het onttrekkingsrisico. In het bijzonder doelt eiser op het feit dat hij in 2021 en 2024 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken en dat dit hem in de voorliggende zaak nog steeds wordt tegengeworpen in het kader van een onttrekkingsrisico.
3. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3a, 3b en 3c en de lichte gronden 4a, 4b, 4c en 4d en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook de MOB-registraties uit 2021 en 2024 ten grondslag heeft mogen leggen aan deze maatregel. Dit is niet zo lang geleden dat het niet langer relevant is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Detentieongeschiktheid en lichter middel
4. Eiser voert aan dat hij detentieongeschikt is en dat er om deze reden een lichter middel had moeten worden toegepast. Verweerder was al voorafgaand aan deze maatregel bekend met de omstandigheid dat er een suïciderisico bij eiser aanwezig was, omdat dit blijkt uit een medisch rapport van 1 juni 2026 en de maatregel daarna op 11 juni 2026 is opgelegd. Aangezien deze omstandigheid niet is meegewogen in de maatregel van bewaring, is er volgens eiser sprake van een onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerde maatregel. De door eiser gestelde detentieongeschiktheid brengt met zich mee dat er een lichter middel geschikter zou zijn geweest in zijn geval.
5. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat de medische situatie van eiser niet in de weg staat aan de bewaring, omdat eiser niet heeft aangetoond dat de medische zorg ontoereikend is of dat zijn gezondheid is verslechterd ten gevolge van de psychische druk die eiser ervaart (en die is meegewogen in de maatregel). Daarnaast waren er geen concrete signalen van een suïciderisico bij de oplegging van de maatregel voor zover verweerder bekend. Verder stelt verweerder dat ervoor is gezorgd dat eisers veiligheid wordt gewaarborgd en daarnaast heeft hij toegang tot een psychiater in het detentiecentrum. Verweerder geeft aan dat er om deze redenen geen aanleiding is geweest om een lichter middel toe te passen.
6. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
7. In de maatregel is meegewogen dat er sprake is van psychische druk bij eiser en dat eiser daarom toegang heeft gekregen tot de psychiater. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende de medische omstandigheden van eiser meegewogen in de maatregel. Het expliciet benoemen van het risico op suïcide in de maatregel was daarom niet nodig. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is. De enkele stelling van eiser dat er door zijn psychische gesteldheid een risico op suïcide aanwezig is en hij daarom niet in bewaring kan blijven, is daartoe onvoldoende. Verweerder betwist het suïciderisico niet, maar dat eiser als gevolg daarvan detentieongeschikt is, heeft eiser niet onderbouwd met stukken (zoals met een medisch rapport waaruit dit blijkt). Verder heeft verweerder zich, gelet op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit de gronden van de maatregel een sterk onttrekkingsrisico volgt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich in de te toetsen periode verzette tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.