ECLI:NL:RBDHA:2026:19588

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.32635
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser op 10 juni 2026 een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. Tijdens de zitting op 17 juni 2026 was eiser afwezig maar werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank oordeelde dat de gronden voor de maatregel, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en het niet voldoen aan de vertrekverplichting naar Marokko, voldoende feitelijk waren onderbouwd. Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat een lichter middel passend was, mede doordat hij weigerde mee te werken aan het onderzoek.

Verder stelde eiser dat er geen zicht op uitzetting was vanwege onduidelijkheid over zijn nationaliteit, maar de rechtbank volgde de jurisprudentie dat dit onvoldoende is om het zicht op uitzetting te ontkennen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32635

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Ramdhan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft een afstandsverklaring getekend en is niet verschenen. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Touzani. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Gronden voor de maatregel
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn, omdat grond 3a onvoldoende feitelijk is toegelicht, grond 3c ondeugdelijk is gemotiveerd en bij de lichte gronden 4a, 4c en 4d onvoldoende het onttrekkingsrisico is toegelicht.
3. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Eiser heeft betoogd dat hij zich heeft gehouden aan zijn vertrekverplichting door naar Spanje te gaan en dat hierdoor zware grond 3c hem niet mocht worden tegengeworpen. De rechtbank stelt vast dat in het terugkeerbesluit van 20 juli 2025 staat dat eiser moet terugkeren naar Marokko. Nu niet is gebleken dat eiser aan deze verplichting heeft voldaan, is deze grond feitelijk juist en heeft verweerder deze grond terecht eiser tegengeworpen. Zware grond 3b, die door eiser onbetwist is gelaten en ook de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaat, draagt samen met zware grond 3c voldoende de maatregel van bewaring. De overige bewaringsgronden behoeven om deze reden geen bespreking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Onderzoek naar een lichter middel
4. Eiser voert aan dat verweerder grondiger onderzoek had moeten doen naar de mogelijkheid van het opleggen van een lichter middel, omdat in de maatregel van bewaring is erkend dat er geen volledig onderzoek hiernaar heeft kunnen plaatsvinden vanwege de weigering van eiser om verder mee te werken.
5. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser er zelf voor heeft gekozen geen verdere vragen meer te willen beantwoorden tijdens het gehoor van 10 juni 2026 (p. 6). Dat verweerder hem niet meer heeft kunnen vragen naar redenen om een lichter middel op te leggen, komt daarom voor risico van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit de gronden voor de maatregel een aanzienlijk onttrekkingsrisico voortvloeit. Eiser heeft, door niet mee te werken aan het gehoor, niet concreet gemaakt waarom een lichter middel passender zou zijn geweest of welke omstandigheden zwaarder zouden moeten wegen dan het belang van verweerder bij de inbewaringstelling. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
8. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting aanwezig is in zijn geval. Volgens eiser wordt een laissez-passer namelijk verstrekt door de Marokkaanse autoriteiten als met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat een persoon de Marokkaanse nationaliteit heeft, aldus eiser. Het biometrisch onderzoek dat bij eiser is verricht heeft echter twee identiteiten opgeleverd, namelijk van een persoon met de Marokkaanse nationaliteit en van een persoon met de Algerijnse nationaliteit. Eiser betoogt om deze reden dat de Marokkaanse autoriteiten niet met voldoende zekerheid kunnen stellen dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat er daarom geen laissez-passer zal worden verstrekt aan hem. Daarom is in zijn specifieke geval geen sprake van een zicht op uitzetting. Verweerder had DNA-onderzoek moeten verrichten ter bevestiging van eisers identiteit.
9. De rechtbank overweegt dat er geen reden is om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt in eisers geval. In de eerste plaats wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), van 27 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1675. Uit deze uitspraak blijkt dat er in zijn algemeenheid zicht op uitzetting is naar Marokko. Dat er verschillende identiteiten zijn gekoppeld aan een vingerafdruk, is onvoldoende voor de conclusie dat eiser geen laissez-passer zal worden vertrekt. Eiser heeft dit niet onderbouwd en verweerder stelt terecht dat niet kan worden uitgesloten dat eiser zelf bijvoorbeeld een alias heeft gebruikt. Voor DNA-onderzoek is in zo’n geval geen plaats. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.