6.3Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feitDe verdachte heeft zich op 16 juni 2024 op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan een gewapende overval op de Primera. De verdachte is met gezichtsbedekking de winkel binnengegaan, waarbij hij aangeefster, die op dat moment in de winkel aan het werk was, onder bedreiging van een mes in de richting van de kassa heeft geduwd. Vervolgens heeft hij het geld uit de kassalade gegrist. De verdachte is daarna op de fiets weggevlucht. De verdachte heeft met deze gedragingen aangeefster en de omstanders enorme angst aangejaagd. Overvallen zijn ernstige strafbare feiten, die sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweegbrengen. De verdachte heeft zich laten leiden door zijn eigen geldelijk gewin en daarmee op geen enkele manier rekening gehouden met de gevoelens van en de gevolgen voor aangeefster, die geen idee had waartoe de verdachte in staat was. Slachtoffers van dergelijke overvallen ondervinden vaak nog lange tijd nadelige psychische gevolgen als gevolg van de angstaanjagende ervaring. Dat dit ook voor aangeefster geldt, blijkt onder andere uit haar slachtofferverklaring.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 december 2025. Hieruit volgt dat de verdachte eerder een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor een geweldsfeit. De rechtbank houdt hiermee rekening in de strafmaat.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het pro Justitia rapport van 18 november 2024. Hieruit volgt dat de verdachte bekend is met neurofibromatose. Er is geen relatie geconstateerd tussen deze aandoening en de gevolgen daarvan en het tenlastegelegde. Desalniettemin wordt de rechtbank in overweging gegeven het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen omdat de verdachte op jonger sociaal-emotioneel niveau functioneert dan zijn leeftijd meebrengt en hij vanuit het vastgestelde disharmonische profiel problemen heeft met het inschatten en overzien van bepaalde situaties. Zo zou hij het tenlastegelegde hebben gepleegd in een moment van onbezonnenheid, waarbij hij wel besefte wat hij aan het doen was, maar onvoldoende inzicht had wat de gevolgen voor hemzelf en het slachtoffer zouden zijn. Verder adviseert de deskundige het jeugdstrafrecht toe te passen bij een veroordeling. Op grond van de inventarisatie van de risicofactoren is de inschatting dat de verdachte niet snel een nieuw (gewelds)delict zal plegen. Door het ontbreken van psychopathologie is het de deskundige niet mogelijk gebleken een gericht interventieadvies op te stellen. Als aandachtspunten zijn vermeld dat de verdachte baat heeft bij een dag- en/of vrijetijdsbesteding en dat hij in een stabiele omgeving verblijft.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 30 juni 2025 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige op de terechtzitting is gegeven. De verdachte staat sinds augustus 2024 onder schorsingstoezicht van de reclassering en houdt zich goed aan de opgelegde voorwaarden. Hoewel er sindsdien positieve ontwikkelingen zijn waargenomen in het leven van de verdachte, zijn er ook risicoverhogende factoren. Zo blijkt de thuissituatie van de verdachte instabiel, ervaart hij problemen met zijn emotieregulatie en heeft hij een gokverslaving. Het recidiverisico wordt dan ook ingeschat op gemiddeld. De reclassering adviseert om het jeugdstrafrecht toe te passen en aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een dagbesteding. Geadviseerd wordt om de begeleiding aan de volwassenreclassering op te dragen, nu dit ook nu al goed verloopt. De deskundige heeft op de terechtzitting toegelicht dat het advies en de geadviseerde bijzondere voorwaarden nog actueel zijn en dat het advies daarom wordt gehandhaafd. Ten aanzien van de geadviseerde bijzondere voorwaarde die ziet op de ambulante behandeling is verzocht om de [instelling] als instelling aan de voorwaarde toe te voegen, nu de verdachte bij deze instelling reeds is aangemeld voor behandeling.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen.
Gelet op voornoemde rapportages, de geschetste persoonlijkheid van de verdachte en de adviezen op dit onderdeel, die de rechtbank onderschrijft, zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.
Toerekenbaarheid
Zoals reeds vermeld heeft de Pro Justitia rapporteur de rechtbank in overweging gegeven het tenlastegelegde in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De rechtbank volgt de conclusies van de psycholoog voor wat betreft de toerekenbaarheid evenwel niet. De psycholoog heeft gerapporteerd dat er geen relatie kan worden vastgesteld tussen de neurofibromatose, de aandoening waar de verdachte bekend mee is, en het tenlastegelegde. Andere aandoeningen, dan wel ziekten of stoornissen, die zouden kunnen leiden tot vermindering van toerekeningsvatbaarheid, zijn niet waargenomen. De rechtbank is van oordeel dat het functioneren van de verdachte op een jonger sociaal-emotioneel niveau niet van invloed zou moeten zijn op de mate waarin het strafbare feit aan de verdachte kan worden toegerekend. Inherent aan het toepassen van het jeugdstrafrecht is immers mede dat de verdachte functioneert op een jeugdigere leeftijd dan zijn kalenderleeftijd. De rechtbank ziet derhalve geen redenen om het feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 16 juni 2024, de dag waarop de verdachte voor het eerst is verhoord. De redelijke termijn is daarmee met ongeveer drie maanden overschreden. De rechtbank volstaat met deze constatering en past geen strafvermindering toe, nu slechts sprake is van een korte overschrijding van de redelijke termijn en dit niet zodanig is dat het vertaald moet worden in een matiging van de straf.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt bij een overval op een winkel een jeugddetentie van vier maanden vermeld. In dit geval acht de rechtbank strafverzwarend dat bij de overval is gedreigd met een mes.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hiervoor besproken omstandigheden niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie die een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Alles afwegende zal de rechtbank een jeugddetentie opleggen voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 52 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Deze straf wordt deels voorwaardelijk opgelegd om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat de verdachte de hulp en begeleiding krijgt die hij nodig heeft om zo de kans op recidive terug te dringen.
Daarnaast ziet de rechtbank, gelet op de ernst van het feit, aanleiding om aan de verdachte ook een taakstraf op te leggen, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie. Deze straf is lager dan door de officier geëist. Bij de vaststelling van de duur van de werkstraf heeft de rechtbank, naast het hiervoor genoemde, ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis van de verdachte sinds 23 augustus 2024 is geschorst en dat hij zich tijdens deze (lange) periode goed aan de voorwaarden heeft gehouden die aan de schorsing waren verbonden.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van maatregelen op grond van art. 38v Sr, inhoudende een contact- en locatieverbod. Het doel van deze maatregelen is beveiliging van de maatschappij en voorkoming van strafbare feiten. De rechtbank legt de maatregelen alleen op indien zij van oordeel is dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich op een andere manier belastend naar personen toe zal gedragen. Gelet op het feit dat de verdachte en aangeefster geen bekenden van elkaar zijn, de omstandigheid dat er geen contact is geweest tussen de verdachte en aangeefster sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis op 23 augustus 2024, de toezegging van de verdachte dat hij op geen enkele wijze contact zal zoeken met aangeefster en de justitiële documentatie van de verdachte, ligt een art. 38v-maatregel niet in de rede.