ECLI:NL:RBDHA:2026:19601

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/24016
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekersArt. 10 Regeling verstrekking asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen inhouding leefgeld wegens bedreiging beveiliger

Eiser, een Syrische asielzoeker verblijvend in een opvanglocatie, kreeg op 27 november 2025 een eenmalige inhouding van €4,95 leefgeld opgelegd door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (verweerder) vanwege een bedreiging van een beveiliger op 26 november 2025.

Eiser betwistte de inhouding en voerde aan dat het besluit te mechanisch was toegepast zonder voldoende individuele afweging, in strijd met het evenredigheidsbeginsel, mede gelet op zijn persoonlijke omstandigheden zoals gezondheid en sociale binding.

De rechtbank stelde vast dat verweerder bevoegd was tot inhouding op grond van de Regeling verstrekking asielzoekers en het Reglement Onthouding Verstrekkingen, waarbij het incident als een gebeurtenis met geringe impact werd aangemerkt. De rechtbank verwierp het verweer van eiser dat de maatregel onevenredig was, omdat de inhouding beperkt was en eiser tijdens het maatregelengesprek de gelegenheid had zijn zienswijze te geven.

De rechtbank concludeerde dat verweerder voldoende rekening had gehouden met de persoonlijke situatie van eiser en dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de eenmalige inhouding van leefgeld wegens bedreiging van een beveiliger is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/24016

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Samenvatting

1. Bij besluit van 27 november 2025 heeft verweerder eenmalig het leefgeld van eiser (€4,95) ingehouden, omdat eiser een beveiliger zou hebben bedreigd. Eiser is het hier niet mee eens en stelt daartoe een aantal beroepsgronden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder het leefgeld van eiser mocht inhouden.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het leefgeld van eiser eenmalig mocht inhouden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Met het besluit van 27 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eenmalig €4,95 ingehouden op het leefgeld van eiser.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser verblijft in de opvanglocatie van verweerder te [plaats] .
5. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen omdat eiser zich op 26 november 2025 verbaal agressief zou hebben geuit richting een beveiliger.
6. Eiser is het hier niet mee eens. Hij stelt dat het besluit te mechanisch is toegepast zonder een voldoende individuele en zorgvuldige afweging van zijn concrete situatie en de menselijk gevolgen daarvan. Daardoor vindt hij dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiser verwijst daarvoor naar zijn verblijf in Nederland, zijn leefomstandigheden gedurende de overdrachtstermijn binnen zijn Dublinprocedure, zijn gezondheid, psychische belasting en zijn gezins- en sociale binding met Nederland.
7. De rechtbank oordeelt als volgt.
7.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers staat er rechtstreeks beroep bij de rechtbank open tegen besluiten tot het onthouden van verstrekkingen bij of krachtens deze wet.
7.2.
Op grond van artikel 10 van Pro de Regeling verstrekking asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva) heeft verweerder de bevoegdheid om bij wijze van maatregel verstrekkingen te onthouden. De werkwijze van verweerder bij het opleggen van maatregelen is neergelegd in het Reglement Onthouding Verstrekkingen (ROV). Daarin is bepaald op welke wijze verweerder gebruik maakt van de bevoegdheid om verstrekkingen geheel of gedeeltelijk te onthouden. Als voorbeeld van een gebeurtenis met een geringe impact wordt onder meer genoemd “Lichte agressie en geweld zonder schade (niet op de persoon gericht), zoals negatieve uitlatingen over medebewoners in een gesprek met een COA-medewerker.” Als sprake is van een incident met geringe impact, kan verweerder aan een bewoner een ROV-maatregel 1 opleggen. Dit houdt in dat gedurende de maximale periode van één week het leefgelddeel van het weekgeld wordt ingehouden.
7.3.
Uit het bestreden besluit en het onderliggende feitenonderzoek is op te maken dat een beveiliger op 25 november 2025 tijdens de ochtendoverdracht van zijn dienst heeft gemeld dat eiser meerdere malen naar zijn pakket vroeg, terwijl hij buiten de afgesproken tijden voor postafhaling kwam. De beveiliger heeft tegen eiser gezegd dat hij de juiste tijden moest respecteren. Op 26 november 2025 heeft eiser een beveiliger benaderd en hem bedreigd door tegen hem te zeggen ‘Elke stap die je gaat nemen moet je oppassen. Ik ga alles rapporteren wat je gaat doen’. De rechtbank stelt vast dat hiermee concreet onderbouwd is welke gedragingen aan eiser worden tegengeworpen.
7.4.
De rechtbank heeft geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de weergave van de feiten door verweerder. Op de zitting heeft eiser gesteld dat het niet zijn bedoeling was de betreffende beveiliger te intimideren, dat er geen geweld is gebruikt en dat er verder geen problemen waren. De rechtbank sluit zich aan bij het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder dat het inbrengen van deze standpunten te laat is, omdat deze niet in de gronden van beroep zijn aangevoerd en daarmee in strijd is met de goede procesorde. Daarom zullen deze standpunten niet worden betrokken bij de beoordeling van de rechtbank. De rechtbank gaat daarmee uit van het feitencomplex zoals door verweerder gesteld. Dit betekent dat verweerder, conform het geldende beleid, gerechtigd was de maatregel op te leggen.
7.5.
De rechtbank overweegt verder dat de opgelegde maatregel niet in strijd is het m het evenredigheidsbeginsel. Zoals verweerder ter zitting heeft gesteld is slechts een deel van het leefgeld van eiser inhouden. Dit betekent dat de inhouding van het leefgeld een minder grote impact op eiser zal hebben. Daar komt bij dat in de maatregel al een bepaalde toetsing zit van de evenredigheid nu verweerder het incident heeft geschaald onder ‘geringe impact’. Bovendien is eiser gehoord en heeft hij tijdens dit gehoor niet kenbaar gemaakt dat de maatregel voor hem onevenredig uit zal pakken. Op geen enkele andere wijze is gebleken dat de maatregel onevenredige gevolgen voor eiser heeft. Dat hij zelf stelt dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn concrete situatie is daarvoor onvoldoende. Dit is immers niet onderbouwd en vormt ook geen verklaring voor zijn bedreigingen richting de beveiliger. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser en is de maatregel niet ten onrechte aan eiser opgelegd.
7.6.
Verweerder heeft het aldus beschreven gedrag van eiser kunnen aanmerken als een incident met een geringe impact zoals bedoeld in zijn maatregelenbeleid. Gelet op hierop heeft verweerder kunnen besluiten tot de eenmalige inhouding van het leefgeld. Van belang is hierbij nog dat eiser in het maatregelengesprek van 27 november 2025 de gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze te geven op het voornemen van verweerder. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.