ECLI:NL:RBDHA:2026:19608

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/13903
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 VisumcodeArt. 32 VisumcodeArt. 32 lid 1 onder a en b VisumcodeArt. 32 lid 2 Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvragen wegens onvoldoende bewijs familieband en twijfel terugkeer Marokko

Eisers hebben op 27 december 2024 een visum voor kort verblijf aangevraagd om hun neef in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvragen af op 15 januari 2025, en handhaafde dit besluit op 8 juni 2025 na bezwaar. Eisers stelden dat zij het doel van hun reis en hun sociale en economische binding met Marokko voldoende hadden aangetoond.

De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende bewijs leverden voor hun familiebanden, aangezien de verklaring op eer niet werd ondersteund door brondocumenten. De minister mocht een hogere bewijsstandaard hanteren. Daarnaast was er redelijke twijfel over het voornemen van eisers om tijdig terug te keren naar Marokko, omdat zij geen zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen of voldoende economische binding konden aantonen.

Verder was de motivering van het besluit volgens de rechtbank toereikend, ook al was deze gebaseerd op een standaardformulier, omdat een aanvullende toelichting was gegeven. De minister mocht afzien van een hoorzitting omdat er geen nieuwe feiten of documenten waren ingebracht in de bezwaarfase. Het verzoek om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht werd afgewezen omdat niet aannemelijk was gemaakt dat eisers niet over voldoende middelen beschikten.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de visumaanvragen in stand bleef en eisers geen griffierecht terugkregen of proceskosten vergoed kregen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvragen wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/13903

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, en

[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres,
tezamen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. H.S.K. Jap A Joe),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun visumaanvragen.
1.1.
Eisers hebben op 27 december 2024 ieder een visum voor kort verblijf aangevraagd om hun neef [referent] (referent) te bezoeken. De minister heeft deze aanvragen met de besluiten van 15 januari 2025 (de primaire besluiten) afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 juni 2025 op de bezwaren van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. De minister heeft de aanvragen van eisers afgewezen omdat eisers volgens hem het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende hebben aangetoond. Verder bestaat er volgens de minister redelijke twijfel over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van de aangevraagde visa, omdat niet is gebleken van (voldoende) sociale en economische binding met Marokko. De minister heeft de aanvragen getoetst aan en afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, onder a, aanhef onder ii, en onder b, van de Visumcode.
Vrijstelling griffierecht
4. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig afgewezen. Vervolgens hebben eisers het griffierecht betaald. Op grond van de door eisers overgelegde documenten acht de rechtbank niet aannemelijk dat eisers niet beschikken over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Er is dus niet aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de criteria voor vrijstelling. Daarom wijst de rechtbank het beroep van eisers op betalingsonmacht af.
Doel en omstandigheden
5. Eisers voeren aan dat zij het doel van hun reis wel degelijk hebben aangetoond. Ze komen op bezoek bij hun neef om kennis te maken met Nederland. Er zijn hiervoor stukken overgelegd, onder meer een verklaring op eer waaruit de familieband zou blijken. Het is volgens eisers niet redelijk om brondocumenten te vragen. De minister hanteert daarmee een te hoge maatstaf.
6. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 14 van Pro de Visumcode volgt dat de bewijslast bij eisers ligt om aan te tonen dat zij voldoen aan de vereisten van de gevraagde visa. Dit betekent dat de bewijslast bij eisers ligt om het opgegeven reisdoel – familiebezoek – te onderbouwen en de gestelde familierelatie met referent aannemelijk te maken. Met de overgelegde verklaring op eer hebben eisers dit onvoldoende gedaan. De minister heeft daarbij van belang mogen achten dat niet is gebleken dat deze verklaring is gebaseerd op brondocumenten. Daarom heeft de minister aan de verklaring niet de waarde hoeven hechten die eisers daaraan gehecht willen zien. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de minister een te hoge maatstaf heeft gehanteerd. De minister heeft van eisers mogen
verwachten dat zij hun familierelatie nader met documenten onderbouwen. Eisers hebben niet toegelicht waarom van hen dit niet kan worden verlangd. Gelet op het door eisers opgegeven reisdoel acht de rechtbank het niet onredelijk dat de minister verlangt dat zij hun familiebanden met documenten staven. De beroepsgrond slaagt niet.
Twijfel bij tijdige terugkeer
7. Eisers voeren verder aan dat de minister ten onrechte twijfelt over hun voornemen om tijdig terug te keren. Zij hebben wel degelijk sociale binding met Marokko, omdat hun ouders, twee zussen en drie broers nog in Marokko wonen en zij een hechte band hebben. Er is ook wel degelijke sprake van economische binding met Marokko, omdat eiser boer is en eiseres naaister. Ter onderbouwing van de economische binding hebben zij meerdere stukken overgelegd. Volgens eisers hanteert de minister een onredelijk beleid door aanvullende en onderliggende stukken te verlangen, terwijl de overgelegde documenten reeds hun economische binding aantonen.
8. De rechtbank overweegt dat de minister zich op standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van zodanige sociale binding met Marokko dat tijdige terugkeer gewaarborgd is. De minister mocht hierbij betrekken dat er familieleden van eisers verblijven in Marokko, maar dat op grond hiervan niet zonder meer kan worden aangenomen dat de sociale binding met Marokko zo sterk is dat om die reden moet worden aangenomen dat eisers tijdig zullen terugkeren naar Marokko. Het is namelijk niet gebleken dat eisers (mantel)zorg verlenen aan deze familieleden, dat zij in staat zouden zijn om hen te onderhouden of dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die maken dat eisers gedwongen zouden worden tijdig terug te keren naar Marokko. Verder heeft de minister mogen betrekken dat eisers beiden ongehuwd zijn en geen kinderen hebben.
9. Verder overweegt de rechtbank dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de economische binding onvoldoende is aangetoond. De rechtbank stelt vast dat uit de bankafschriften niet volgt dat eisers daadwerkelijk en op regelmatige basis inkomen verdienen met de gestelde werkzaamheden en op basis hiervan economisch gebonden zijn aan Marokko. Uit de overgelegde bankafschriften volgt namelijk niet dat de stortingen zijn te herleiden tot de gestelde inkomsten als boer en naaister. Dat volgt ook niet uit de overige door eisers overgelegde stukken.
10. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om Nederland vóór het verstrijken van het visum weer te verlaten. De beroepsgronden slagen niet.
Motivering standaardformulier en hoorplicht
11. Eisers voeren ten slotte aan dat de minister tekort is geschoten in de motivering van het primaire besluit, nu dit heeft plaatsgevonden middels een standaardformulier. Verder voeren eisers aan dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Volgens eisers had de minister daarom niet mogen afzien van een hoorzitting. Daarvoor verwijzen zij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 1 juni 2023 [1] , waaruit volgt dat toezenden van een vragenlijst zich niet verhoudt tot de afwezigheid van twijfel over het bezwaar.
12. De rechtbank overweegt dat in artikel 32, tweede lid, van de Visumcode staat dat de afwijzende beslissing en de redenen voor de afwijzing van de visumaanvraag kenbaar worden gemaakt door middel van het standaardformulier van bijlage VI bij de Visumcode. Dit formulier bevat ook een nadere toelichting van de verschillende afwijzingsgronden. Het geven van een nadere motivering is volgens vaste rechtspraak niet vereist.
13. De rechtbank overweegt verder dat de hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. [2] De minister mag alleen afzien van horen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [3]
14. Weliswaar is de afwijzing kenbaar gemaakt door middel van een standaardformulier van bijlage IV van de visumcode, maar daarvoor is een aanvullende motivering gegeven, waaruit eisers, zo blijkt uit de bezwaarschriften, hebben kunnen opmaken op welke punten hun aanvragen onvoldoende werden geacht. In hun bezwaren hebben eisers, los van een door referent ingevulde vragenlijst, geen nieuwe informatie overgelegd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat de bezwaren kennelijk ongegrond waren. Eisers hebben geen nieuwe feiten aangevoerd of documenten overgelegd in de bezwaarfase. Daarom heeft de minister van horen in bezwaar mogen afzien. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.ECLI:RVS:2021:2564.
3.ECLI:RVS:2022:1918.