ECLI:NL:RBDHA:2026:1961

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
09/250319-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 243 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling opzetverkrachting met deels voorwaardelijke gevangenisstraf en schadevergoeding

De rechtbank Den Haag heeft op 5 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, geboren in 2004, die werd beschuldigd van opzetverkrachting gepleegd op 3 augustus 2024. De tenlastelegging betrof meerdere seksuele handelingen, waaronder penetratie, verricht terwijl het slachtoffer in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde en zonder diens wil.

Tijdens de terechtzitting op 22 januari 2026 heeft de rechtbank het bewijs beoordeeld, waaronder verklaringen van het slachtoffer, getuigen en een NFI-DNA-rapport. De verklaring van het slachtoffer werd als betrouwbaar en authentiek beoordeeld, mede ondersteund door de emotionele toestand van het slachtoffer direct na het incident en het DNA-bewijs. De verdachte ontkende penetratie, maar zijn inconsistenties en het tijdstip van zijn verklaring maakten deze ongeloofwaardig.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting, waarbij sprake was van voorwaardelijk opzet omdat de verdachte bewust was van het verminderd bewustzijn van het slachtoffer en de wil ontbrak. Er was geen sprake van dwang, geweld of bedreiging, waardoor de gekwalificeerde opzetverkrachting werd verworpen.

De strafoplegging bestond uit een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en ambulante behandeling. De rechtbank wees tevens een schadevergoeding toe van €5.000,- aan het slachtoffer wegens immateriële schade, met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. De rest van de schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard en kan bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf waarvan 7 maanden voorwaardelijk en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/250319-24
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2004 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 22 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Sleeswijk Visser, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H. Sazoglu, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 3 augustus 2024 te ‘s-Gravenhage, met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vingers en/of penis in de anus van die [slachtoffer] en/of
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond, althans tegen het gezicht van die [slachtoffer] en/of
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vingers en/of tong in de mond van die [slachtoffer] en/of
- het (meermalen) vastpakken van de handen van die [slachtoffer] en het (vervolgens) brengen van die handen naar zijn, verdachtes, penis en/of het (vervolgens) heen en weer bewegen van de handen van die [slachtoffer] om zijn, verdachtes, penis en/of
- het (meermalen) vastpakken en/of betasten van de penis van die [slachtoffer] en/of het aftrekken van die [slachtoffer] en/of
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, mond,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door:
- terwijl die [slachtoffer] in een staat van verminderd bewustzijn en/of lichamelijke onmacht verkeerde,
- de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] uit te trekken en/of
- die [slachtoffer] (meermalen) van de rug naar de buik en/of van de buik naar de rug te draaien;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 augustus 2024 te ‘s-Gravenhage, met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vingers en/of penis in de anus van die [slachtoffer] en/of
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond, althans tegen het gezicht van die [slachtoffer] en/of
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vingers en/of tong in de mond van die [slachtoffer] en/of
- het (meermalen) vastpakken van de handen van die [slachtoffer] en het (vervolgens) brengen van die handen naar zijn, verdachtes, penis en/of het heen en weer bewegen van de handen van die [slachtoffer] om zijn, verdachtes, penis en/of
- het (meermalen) vastpakken en/of betasten van de penis van die [slachtoffer] en/of het aftrekken van die [slachtoffer] en/of
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, mond,
terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het binnendringen van het lichaam van aangever door de verdachte. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van binnendringen van het lichaam, de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit nu geen sprake is geweest van dwang, geweld of bedreiging. De verdediging heeft zich ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverweging
Bewijs in zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken vaak gekenmerkt worden door beperkt bewijs. Bij de veronderstelde seksuele handelingen zijn meestal slechts twee personen aanwezig, te weten de aangever en de verdachte. Indien de verdachte de ten laste gelegde feiten ontkent, is doorgaans de verklaring van de aangever over de seksuele handelingen het enige bewijsmiddel. Op grond van art. 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Desalniettemin kan in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs toch voldoende zijn voor een bewezenverklaring. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het voldoende is wanneer de verklaring van de aangever op bepaalde punten wordt bekrachtigd door andere bewijsmiddelen, mits deze afkomstig zijn uit een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd en er tussen de belastende verklaring en het overige bewijs niet een te ver verwijderd verband bestaat. In een zedenzaak kan dus een geringe mate van steunbewijs in combinatie met betrouwbare verklaringen van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren.
De rechtbank zal daarom allereerst beoordelen of de verklaring van aangever betrouwbaar is en voor het bewijs gebezigd kan worden.
Betrouwbaarheid verklaringen
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangever authentiek en betrouwbaar is. De rechtbank overweegt daartoe dat aangever vrijwel direct na het incident een uitgebreide verklaring heeft afgelegd, waarbij hij meteen heeft verklaard dat de verdachte hem in zijn anus heeft gepenetreerd en hij als gevolg daarvan pijn had. Aangever heeft op verschillende momenten zijn verhaal gedaan bij de politie en heeft telkens consistent, duidelijk en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden. Bij haar oordeel over de betrouwbaarheid betrekt de rechtbank verder dat aangever die nacht verschillende personen heeft geprobeerd te bellen. Zo heeft aangever om 4:09 uur, 4:11 uur en 4:12 uur geprobeerd zijn broertje te bellen en heeft hij aan hem direct verklaard ‘dat [verdachte] zijn lul in hem had gestoken’. Tevens heeft aangever kort na het incident een collega gebeld voor hulp. Uit beide verklaringen blijkt dat aangever tijdens deze telefoongesprekken overstuur en in paniek was. De pogingen van aangever om in de nacht, meermaals, in een korte tijdsperiode in contact te komen met naasten, passen bij de verklaring van aangever en duiden er naar het oordeel van de rechtbank op dat aangever overstuur was en hulp zocht. Dat aangever zijn broertje wel vertelde over het penetreren en zijn collega niet, maakt niet dat de verklaringen van aangever onbetrouwbaar zijn. Uit de verklaringen leidt de rechtbank af dat aangever met zijn broertje meer wilde delen over wat er gebeurd was dan met zijn collega, met wie hij een andere connectie had. Uit de verklaring van de collega blijkt dat aangever in eerste instantie aan hem had verteld dat er ‘iets was voorgevallen’ en dat zijn collega de indruk had dat hij zich er een beetje voor schaamde. De rechtbank heeft dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van aangever en acht deze betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Daartegenover staat de verklaring van de verdachte dat er wel seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, maar geen penetratie. De rechtbank stelt vast dat de verdachte niet consistent heeft verklaard. Zo heeft hij tijdens het eerste gesprek met de politie kort na het incident de seksuele handelingen ontkend en onder andere verklaard dat hij aangever ‘niet eens heeft aangeraakt’. Vervolgens heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen en uiteindelijk heeft hij vijf maanden later – toen het onderzoek grotendeels was afgerond – een verklaring afgelegd waar hij een gedeelte van de seksuele handelingen heeft bekend. De verklaring van de verdachte dat geen penetratie heeft plaatsgevonden acht de rechtbank dan ook, gezien het voorgaande en mede gelet op het moment waarop deze verklaring is afgelegd, ongeloofwaardig.
Steunbewijs
Vervolgens dient de rechtbank vast te stellen of de verklaring van aangever in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De verklaring van aangever wordt in de eerste plaats ondersteund door de verklaring van zijn broertje, getuige [getuige 1] , die kort na het incident is gebeld door aangever. Hij merkte dat aangever overstuur was, niet goed meer kon praten en moest huilen. Ook zijn collega, getuige [getuige 2] , is kort na het incident gebeld. Ook hij hoorde dat aangever overstuur en in paniek was. Beide verklaringen geven een authentiek beeld van de gesteldheid waarin aangever zich bevond direct na het incident. Deze waarnemingen van de emoties van aangever direct na het incident bieden daarom steun aan de verklaring van aangever.
Daarnaast wordt (een gedeelte van) de verklaring van aangever alsmede de context waarin de handelingen hebben plaatsgevonden, ondersteund door de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft namelijk verklaard dat zij elkaar hebben afgetrokken, dat hij aangever heeft gepijpt, dat hij zijn penis richting de mond van de aangever heeft gebracht en toen merkte dat de aangever zijn lippen op elkaar hield en hem niet wilde pijpen en dat hij zijn penis in de anus van aangever probeerde te krijgen.
Ten slotte wordt de verklaring van aangever ondersteund door het NFI-rapport, waaruit blijkt dat het DNA-mengprofiel rondom de lippen (nat) en rondom de anus (nat) ongeveer 1 miljard respectievelijk 15 miljoen keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van aangever [slachtoffer] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van aangever [slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon.
Seksueel binnendringen
Op basis van de voornoemde omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte met zijn penis is binnengedrongen in de anus van aangever.
Vervolgens dient te rechtbank te beoordelen op welke wijze het voornoemde handelen van de verdachte dient te worden gekwalificeerd.
Wet Seksuele Misdrijven
Sinds 1 juli 2024 is de Wet Seksuele Misdrijven van kracht, als gevolg waarvan de strafbaarstelling van seksuele misdrijven in het Wetboek van Strafrecht (Sr) ingrijpend is gewijzigd. De strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld is verruimd. Verkrachting kan nu gekwalificeerd worden als gekwalificeerde opzetverkrachting, opzetverkrachting of schuldverkrachting. Bij de gekwalificeerde opzetverkrachting gaat het om een strafverzwarende vorm van de opzetverkrachting, waarbij de verkrachting gepaard gaat met dwang, geweld of bedreiging.
Voor al deze varianten van verkrachting is vereist dat de wil tot het plegen of dulden van de seksuele handelingen bij het slachtoffer ontbreekt. In artikel 244 Sr Pro is bepaald dat bij een persoon in ieder geval de wil tot seksuele handelingen ontbreekt indien diegene in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert of een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap heeft dat deze niet of onvolkomen in staat is een wil te bepalen of kenbaar te maken omtrent de seksuele handelingen of daartegen weerstand te bieden.
Bewezenverklaring opzetverkrachting
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte seksuele handelingen verricht die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Daarbij is sprake van vol opzet als de verdachte daadwerkelijk weet dat de wil hiertoe bij de ander ontbreekt, maar er kan ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet, als de verdachte zich bewust is van de mogelijk ontbrekende wil van de ander en die mogelijkheid negeert of voor lief dan wel op de koop toe neemt. Opzetverkrachting komt verder in beeld als seksuele handelingen plaatsvinden met een ander die in een staat verkeert waarin geen positieve wilsuiting mogelijk is. Elk onvermogen tot een vrije positieve wilsuiting bij de ander vereist dat wordt afgezien van het seksuele contact. Van opzetverkrachting is sprake bij het simpelweg negeren van waargenomen signalen dat de ander niet volledig een wil kan bepalen met betrekking tot het seksuele contact.
De rechtbank stelt vast dat aangever zowel voor, tijdens als na het tenlastegelegde meerdere malen heeft overgegeven. De verdachte heeft op de terechtzitting desgevraagd beaamd dat aangever voor en na de seksuele handelingen heeft overgegeven, terwijl aangever heeft verklaard dat hij voor, tijdens en na die handelingen heeft overgegeven. Aangever heeft verder verklaard dat zijn lichaam slap voelde en dat hij geen kracht meer had om zich te bewegen. De rechtbank leidt hieruit af dat aangever zich bevond in een staat van verminderd bewustzijn in de zin van artikel 244 Sr Pro zodat sprake was van het onvermogen om zijn wil te bepalen of kenbaar te maken. Ten aanzien van de vraag of de verdachte wetenschap had van een ontbrekende wil en dus opzettelijk handelde overweegt de rechtbank dat geen sprake is van vol opzet, omdat aangever zijn onwil niet kenbaar heeft (kunnen) maken. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat aangever erg vaak moest overgeven en hij was zich derhalve bewust van de toestand waarin aangever verkeerde. Door toch over te gaan tot de seksuele handelingen heeft de verdachte het verminderd bewustzijn en daarmee het onvermogen van aangever om zijn wil te bepalen dan wel kenbaar te maken omtrent de seksuele handelingen en daartegen weerstand te bieden genegeerd en voor lief genomen. Bovendien hield aangever zijn kiezen strak op elkaar toen de verdachte zijn penis naar de mond van aangever bracht. Hieruit blijkt des te meer dat de wil tot de seksuele handelingen bij aangever ontbrak. Uit de verklaring van de verdachte blijkt ook dat hij zich ervan bewust was dat aangever hem niet wilde pijpen. Vanaf dat moment kan het niet anders dan dat het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat een verdergaande seksuele handeling in de vorm van penetratie niet gewenst was. Dat de verdachte vervolgens dan ook het omdraaien van aangever als een uitnodiging tot penetratie zag, acht de rechtbank onbegrijpelijk. Na de eerdere afwijzing en gelet op de staat van dronkenschap waarin aangever verkeerde, had de verdachte bij deze naar zijn aard verdergaande seksuele handeling zich ervan bewust moeten zijn dat de wil bij aangever mogelijk ontbrak. Hij had dan ook moeten nagaan of aangever dit ook wilde. Dit heeft de verdachte niet gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat door aldus te handelen de verdachte de mogelijkheid voor lief heeft genomen dat bij aangever de wil ontbrak. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van opzetverkrachting.
Dwang, geweld of bedreiging
De rechtbank concludeert dat uit de vastgestelde feitelijke handelingen niet blijkt dat sprake is geweest van dwang, bedreiging of geweld, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van de gekwalificeerde opzetverkrachting.
Conclusie
Op grond van voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzetverkrachting.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het primair tenlastegelegde van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen, met dien verstande dat de verdachte wordt vrijgesproken van de gekwalificeerde opzetverkrachting. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 3 augustus 2024 te ‘s-Gravenhage, met een persoon, te weten [slachtoffer] , seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:
- het brengen van zijn, verdachtes, vinger en penis in de anus van die [slachtoffer] en
- het duwen van zijn, verdachtes, penis tegen het gezicht van die [slachtoffer] en
- het brengen van zijn, verdachtes, vingers in de mond van die [slachtoffer] en
- het vastpakken van de handen van die [slachtoffer] en het (vervolgens) brengen van die handen naar zijn, verdachtes, penis en het (vervolgens) heen en weer bewegen van de handen van die [slachtoffer] om zijn, verdachtes, penis en
- het vastpakken van de penis van die [slachtoffer] en het aftrekken van die [slachtoffer] en
- het brengen en bewegen van de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, mond,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bij bewezenverklaring een strafmaatverweer gevoerd en verzocht om bij het opleggen van een straf of maatregel het jeugdstrafrecht toe te passen. De raadsvrouw heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest bepleit, eventueel met oplegging van een voorwaardelijk strafdeel of een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting. De verdachte en de aangever hadden een vriendschappelijke relatie en daarom zou aangever van 2 op 3 augustus 2024 bij de verdachte blijven slapen. Ze hadden alcoholische drankjes gekocht en speelden drankspellen. Aangever was op den duur zo dronken dat hij heeft overgegeven en geen kracht meer had in zijn lichaam. Toen hij in bed lag, heeft de verdachte de kleren van aangever uitgetrokken en heeft hij vergaande seksuele handelingen bij aangever verricht. De verdachte had zich er bewust van moeten zijn dat aangever deze handelingen mogelijk niet wilde, maar heeft zich laten leiden door zijn eigen lustgevoelens. Met dit verregaand grensoverschrijdend gedrag heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van aangever.
Dit is een ernstig strafbaar feit met een grote impact op aangever. Hij heeft als gevolg van de verkrachting PTSS opgelopen en krijgt EMDR-therapie bij een psycholoog, zo blijkt uit de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort feiten vaak nog lange tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 december 2025. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 16 december 2025. Hieruit volgt dat de verdachte zich gedurende zijn schorsing gemotiveerd heeft ingezet om gedragsverandering te bewerkstelligen. Hij heeft copingvaardigheden geleerd en past deze actief toe in het dagelijks leven. Ten aanzien van het bewezenverklaarde kan de verdachte inzien dat hij een grens is overgegaan. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Geadviseerd wordt om – op basis van het ASR-wegingskader – het volwassenstrafrecht toe te passen. De reclassering betrekt hierbij dat de verdachte een baan heeft, zijn moeder (financieel) ondersteunt en hij al langere tijd niet meer naar school gaat. Hij stelt doelen voor de toekomst, handelt zelfstandig en wordt niet meer beïnvloedbaar geacht. Ook heeft de verdachte geen benedengemiddeld intelligentieniveau. De reclassering adviseert verder bij een veroordeling aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling.
Toepassing van het volwassenstrafrecht
De rechtbank stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 19 jaren had bereikt, zodat in beginsel volwassenstrafrecht aan de orde is. Artikel 77c Sr voorziet in de mogelijkheid om – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt – recht te doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg Sr, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Uitgangspunt blijft dat ten aanzien van deze groep in beginsel het strafrecht voor volwassenen van toepassing is en dat toepassing van het jeugdstrafrecht de uitzondering is.
De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de conclusie en het advies van de reclassering dat er geen duidelijke indicaties zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank is daarom van oordeel dat, gelet op dit advies en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, de verdachte berecht moet worden met toepassing van het volwassenstrafrecht.
Straf
Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank betrekt verder in haar oordeel over de strafmaat de jonge leeftijd van de verdachte en het lage recidiverisico.
De weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden passend en geboden vindt, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank vindt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 35.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat voor € 10.000,- uit immateriële schade en voor € 25.000,- uit toekomstige immateriële schade, met het verzoek om deze post in eerste aanleg niet-ontvankelijk te verklaren, nu het toekomstige schade betreft. De advocaat van de benadeelde partij heeft verzocht geen proceskostenvergoeding toe te kennen, nu een dergelijke vergoeding in mindering wordt gebracht op de vergoeding die wordt toegekend door de Raad voor Rechtsbijstand.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag van € 7.500,- inclusief wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – heeft de verdediging verzocht de vordering tot schadevergoeding te matigen tot een bedrag van € 2.500,-.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Gedeeltelijke toewijzing
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Uit de gegeven onderbouwing blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van dit feit psychische klachten heeft opgelopen. Daarmee is in voldoende mate onderbouwd dat de benadeelde partij immateriële schade heeft opgelopen, met name nu de aard en de ernst van de normschending zodanig is, dat ook zonder nadere onderbouwing een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Op grond van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij dan ook recht op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Voor de begroting van de schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij categorie c (tamelijk ernstig) onder ‘verkrachting’ van de Rotterdamse schaal. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de omstandigheid dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde PTSS heeft opgelopen. Hij is in behandeling geweest bij een psycholoog en heeft meerdere EMDR-sessies gehad. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van het feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,-. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot dat bedrag. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering en zal dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 augustus 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Gelet op het verzoek van de advocaat van de benadeelde partij zal de rechtbank deze kosten begroten op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
opzetverkrachting;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 15 (VIJFTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
7 (ZEVEN) maanden gevangenisstraf, niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] , op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
vordering tot schadevergoeding
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] deels toe tot een bedrag van € 5.000,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil;
schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [slachtoffer] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.P. Pereira Horta, voorzitter, kinderrechter,
mr. M.H. Rochat, kinderrechter,
mr. F.M. Guljé, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Duijm, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2026.
Bijlage I: bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024190565, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 173).
1.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 4 augustus 2024, voor zover inhoudende (p. 53-57):
Plaats delict: [adres 1]
Pleegdatum: 3 augustus 2024
V: Tegen wie kom je aangifte doen?
A: [verdachte] .
V: Vertel er eens alles over?
A: Ik had naar mijn idee niet heel veel alcohol op, maar ik was heel snel ver weg. Ik begon me ook heel slecht te voelen. Ik voelde me heel slecht en heel slap. Ik voelde overal tintelingen in mijn benen en armen en in de rest van mijn lichaam. Ik voelde mezelf helemaal weg vervagen, ik wist niet meer waar ik was, maar wel wat ik deed. Ik wilde alleen maar slapen en dat gaf ik ook meerdere keren aan. Het werd eigenlijk gewoon genegeerd. Toen ben ik gaan liggen en viel ik weg. Ik denk dat ik in slaap ben gevallen. Ik lag toen op zijn bed. Ik voelde dat [verdachte] aan me ging zitten. Ik had een sportbroekje van Gymshark en een onderbroek aan, deze heeft hij allebei naar beneden getrokken. Ik schrok ervan wakker, maar ik had geen kracht om mij ertegen te verzetten. Ik was ook gewoon bang, dat hij nog verder aan me ging zitten. Toen ging hij de handelingen verrichten. Ik weet dat zijn piemel in mijn kont kwam, ik voelde pijn. Hij ging heen en weer, maar dat lukte niet echt want ik voelde pijn. Ik kreunde en schreeuwde het uit, dat ik pijn had. Hij probeerde ook dat ik hem masturbeerde door mijn hand te pakken en op zijn piemel te leggen. Toen dat gebeurde lag ik weer op mijn rug. Toen ging hij mij pijpen, hij ging met zijn mond om mijn geslachtsdeel. Hij ging heen en weer. Ik was echt niet bij, door de alcohol. Hij probeerde dus dat ik hem af zou trekken, hij pakte mijn hand en maakte met mijn hand een heen en weer bewegende beweging.
V: Heb jij op dat moment nog iets gezegd?
A: Nee, ik lag daar, bewegingloos. Ik maakte daar zelf geen beweging bij, hij bewoog mijn hand.
V: En verder?
A: Hij probeerde dat ik hem pijpte. Hij probeerde zijn geslachtsdeel in mijn mond te krijgen, ik voelde iets tegen mijn tanden en lippen aan. Ik zag dat het zijn piemel was. Hij heeft hem er niet in gekregen, ik hield mijn kiezen op elkaar. Zijn geslachtsdeel ging uiteindelijk weg bij mijn mond
V: Had je gekotst?
A: Ja. Ik heb ervoor gekotst in de wc, tijdens de handelingen in de prullenbak naast het bed en daarna ook nog in die prullenbak.
V: Wat zei jij tegen [verdachte] toen hij zei dat je weg moest?
A: Dat weet ik niet meer, ik denk dat ik niks heb gezegd. Ik heb een aantal vrienden en een collega gebeld om te vragen of ze me op konden halen en zo snel mogelijk daar vandaan weg te halen. Ik zei tegen die collega [getuige 2] dat hij me weg moest halen omdat ik verkracht was en dronken was en niet veilig was. Maar hij had geen auto ter beschikking op dat moment. Ik heb ook mijn broertje [getuige 1] gebeld, die nam eerst niet op, maar hij appte me later. Ik zei dat ik een groot probleem had, toen belde hij direct. Ik vertelde wat er gebeurd was en zei dat ik niet wist wat ik moest doen. Mijn broertje zei dat ik de politie moest bellen omdat niemand anders me kon helpen omdat ze niet sliepen. Mijn vader nam niet op, mijn moeder nam niet op.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden met [slachtoffer] , opgemaakt op 4 augustus 2024, voor zover inhoudende (p. 20-22):
Informatief gesprek met: [slachtoffer] (man), geboren op [geboortedatum 2] 2005.
Waar is het gebeurd: [adres 1]
Wanneer is het gebeurd: 3 augustus 2024
Feiten en omstandigheden
Omstreeks 01.30 uur was [slachtoffer] erg moe en hij wilde gaan slapen. Even later werd hij wakker om te kotsen in de WC. Kort daarna begon [verdachte] aan [slachtoffer] te zitten. [slachtoffer] hield zich slapende. [verdachte] trok de broek en onderbroek van [slachtoffer] uit. Voordat [slachtoffer] het wist, deed [verdachte] een vinger in de anus van [slachtoffer] . Ook deed hij zijn vingers in de mond van [slachtoffer] . Verder heeft [verdachte] [slachtoffer] gepijpt en afgetrokken. [verdachte] pakte de hand van [slachtoffer] en legde de hand van [slachtoffer] op zijn eigen penis. Vervolgens bewoog [verdachte] met de hand van [slachtoffer] op en neer in een masturberende beweging. Voordat hij het wist deed [verdachte] zijn penis in de anus van [slachtoffer] . [verdachte] probeerde ook zijn penis in de mond van [slachtoffer] te doen maar dat lukte niet aangezien [slachtoffer] zijn mond dicht hield. Tijdens dit incident kon [slachtoffer] niet bewegen. Hij lag levenloos als een soort pop op het bed en deed alsof hij sliep. Tussendoor moest [slachtoffer] af en toe in de prullenbak kotsen, dan stopte [verdachte] snel.
3.
Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , opgemaakt op 4 augustus 2024, voor zover inhoudende (p. 62-63):
V: Wat kun jij vertellen over wat jij hebt gehoord over wat er met [slachtoffer] is gebeurd in de nacht van 2 op 3 augustus 2024?
A: Hij heeft me opgebeld. Hij zei dat hij seksueel misbruikt was. Hij zei dat [verdachte] de broek van [slachtoffer] omlaag getrokken had en dat [verdachte] toen dingen bij [slachtoffer] had gedaan die [slachtoffer] niet goed vond. [slachtoffer] was overstuur. Hij kon niet echt meer goed praten. [slachtoffer] vertelde dat doordat hij te veel gedronken had, zijn lichaam het niet meer goed deed en dat het toen gebeurd was. [slachtoffer] heeft mij drie keer gebeld die nacht. Eerste keer was om 4.09, maar ik sliep nog en had niet opgenomen. De tweede keer was om 04.11 uur, maar toen had ik ook nog niet kunnen opnemen. Maar om 04.12 uur nam ik op.
V: Wat heeft [slachtoffer] aan jou verteld over welke seksuele handelingen er tussen hem en [verdachte] hebben plaats gehad?
A: [verdachte] had geprobeerd [slachtoffer] te kussen maar dat was niet gelukt. Wat wel was gelukt was dat [verdachte] zijn lul in hem had gestoken.
V: Wat kun jij vertellen hoe [slachtoffer] er aan toe was toen hij jou aan de telefoon had?
A: [slachtoffer] was in paniek. Hij begon te huilen. Hij wist niet meer wat hij moest doen.
4.
Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , opgemaakt op 28 september 2024, voor zover inhoudende (p. 172-173):
V: We zijn bezig met een onderzoek. [slachtoffer] heeft enige tijd geleden aangifte bij ons gedaan van een incident wat hem is overkomen. Hij heeft ons verteld dat hij die nacht onder andere jou heeft gebeld, jij was de eerste die daadwerkelijk op nam en met hem sprak. Wat kun je hierover verklaren?
A: Nou hij belde mij op. Ik hoorde wat paniek in zijn stem. Ik hoorde hem vragen. Ben je in de buurt, kan je helpen? Want er was iets voorgevallen met een persoon die hij vertrouwde. Hij was erg overstuur en ik hoorde de paniek in zijn stem. Ik voelde alsof er druk achter zat alsof er echt wat aan de hand was.
5.
Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 15 januari 2025, voor zover inhoudende (p. 180-183):
V: Wat kom je ons vandaag vertellen?
A: Over wat er die avond is gebeurd. [slachtoffer] was heel erg dronken, hij moest kosten op de vloer en op de wc. [slachtoffer] moest telkens kotsen, soms redde hij de wc niet en kwam het op de vloer in de gang wat ik dan moest schoonmaken. Ik zei tegen hem dat hij weer in mijn bed moest gaan liggen. Ik ben erbij gaan liggen. We gingen aan elkaars lul zitten. Ik heb hem oraal bevredigd. Toen dacht ik dat hij dat ook wilde, dus ik kwam met mijn geslachtsdeel bij hem in de buurt. Tegen zijn lippen aan, maar niet erin.
[slachtoffer] zat met zijn hand op mijn geslachtsdeel en hij heeft mij afgetrokken. Erna draaide hij zich om, hij ging op zijn buik liggen. Ik ging op zijn rug zitten en ik probeerde hem erin te doen. Ik ben van hem afgegaan.
[slachtoffer] kreeg weer kots neigingen. Ik vroeg hem of ik een taxi voor hem moest bellen want ik wilde dat hij weg ging want ik wilde niet dat heel mijn huis onder de kots zat.
V: Hoe ging het op het moment dat jij jouw lul bij zijn mond hield?
A: Hij hield zijn lippen op elkaar en ben ik weggegaan. Ik bedoel daarmee dat ik mij heb teruggetrokken, want ik dacht dat hij mij daardoor niet wilde pijpen.
V: Hoe kwam het dat de broek van [slachtoffer] uit was?
A: Ik raakte wel zijn lul aan, maar deed mijn hand in zijn broek en deed zijn broek uit. Toen gingen we elkaar aftrekken.
OA: Toen [slachtoffer] jou ging aftrekken, deed hij dat uit zich zelf?
A: Ik pakte de hand van [slachtoffer] . Ik gaf een beetje een voorzetje door zijn hand te pakken en naar mijn lul te bewegen.
V: Wat kan je vertellen over het wat het alcohol gebruik met [slachtoffer] deed?
A: Hij kon niet meer recht lopen, veel overgeven.
6.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 augustus 2024, voor zover inhoudende (p. 125-127):
Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beide hoofdagent van politie en als zodanig werkzaam als generalist forensische opsporing bij het Team Forensische Opsporing van Eenheid Den Haag, verklaren het volgende:
Op 3 augustus 2024 om 09.15 uur kwamen wij, naar aanleiding van een melding van seksueel misbruik, voor forensisch onderzoek aan.
Betrokkene
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Geboortedatum: [geboortedatum 2] 2005
Bevindingen
Door de forensisch arts, Nasroe, voornoemd, werden diverse bemonsteringen genomen middels de zedenkit. Deze zedenkit is door [verbalisant 1] , voornoemd, gewaarmerkt, verpakt, verzegeld en voorzien van Sporenindentificatienummer (SIN) ZAAE5355NL.
Biologisch spoor
Spoornummer: PL1500-2024247102-155587
SIN: ZAAE5355NL
Wijze veiligstellen: Zedenkit
Plaats veiligstellen: slachtoffer
7.
Een geschrift, te weten een NFI rapportage, opgemaakt op 5 november 2024, voor zover inhoudende (p. 155-163):
Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
ZAAE5355NL#01SF (13A om de anus nat)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer] één van de donoren is. DNA-mengprofiel ZAAE5355NL#01SF is ongeveer 15 miljoen keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon.
ZAAE5355NL#03NF (1A lippen rondom de mond nat)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer] één van de donoren is. DNA-mengprofiel ZAAE5355NL#03NF is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon.