ECLI:NL:RBDHA:2026:19617
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P. Bruins
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid vreemdelingenbewaring en proceskostenvergoeding na intrekking beroep
Eiseres was in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister heeft de bewaring opgeheven en een schadevergoeding aangeboden voor de gehele duur van de maatregel. Eiseres trok daarop het beroep tegen de bewaring in, behoudens het verzoek om proceskostenvergoeding.
De minister betoogde dat een kennisgeving van beroep niet door de vreemdeling kan worden ingetrokken, omdat dit de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de bewaring zou ondermijnen, conform de Opvangrichtlijn. De rechtbank oordeelde echter dat intrekking mogelijk is indien de bewaring al is opgeheven, omdat dan geen spoedige toetsing meer nodig is en de procedure alleen nog dient voor schadevergoeding.
De rechtbank stelde vast dat eiseres voldoende in staat was om de intrekking te overzien en dat het beroep daarom is ingetrokken. Vervolgens veroordeelde de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiseres, omdat de kennisgeving gelijkgesteld wordt met een door de vreemdeling ingesteld beroep en de gemachtigde van eiseres werkzaamheden heeft verricht.
De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €1.868,-, bestaande uit punten voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting. De uitspraak werd gedaan door rechter P. Bruins en griffier T. Rommes op 16 juli 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring is ingetrokken en de minister is veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.